|
Hoofdstuk 1 |
|
1 |
|
Het vorige boek dat ik
schreef, o Theofilus over alles wat onze Heer Jezus, de Gezalfde, begon te
doen en te leren, |
|
2 |
|
tot de dag waarop hij werd
opgenomen nadat hij de Apostelen opdracht gaf, die hij had gekozen met
heilige adem, |
|
3 |
|
degenen aan wie hij zichzelf
levend openbaarde, nadat hij had geleden, door talloze wonderen. Tijdens
veertig dagen werd hij door hen gezien en sprak hij over het koninkrijk van
God. |
|
4 |
|
Terwijl hij met hen brood at
gaf hij hun opdracht dat zij niet uit Jeruzalem zouden vertrekken, maar dat
zij zouden wachten op de belofte van de Vader, op Hem over wie jullie van
mij hebben gehoord. |
|
5 |
|
"Want Johannes doopte met
water en jullie zullen na niet veel dagen met heilige adem worden gedoopt." |
|
6 |
|
Nu waren zij vergaderd en
vroegen hem en zeiden hem: "Heer, zult u in deze tijd het koninkrijk voor
Israël herstellen?" |
|
7 |
|
Hij zei hun: "Het is niet
aan jullie de tijd of tijden te weten die de Vader onder de autoriteit van
Zijn Persoon heeft geplaatst." |
|
8 |
|
Maar wanneer de heilige adem
op jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en zullen jullie getuigen
voor mij zijn in Jeruzalem, heel
Judea, en ook onder de Samaritanen en tot de einden van de aarde." |
|
9 |
|
Nadat hij deze dingen had
gesproken zagen zij hoe hij werd opgenomen. Een wolk ontving hem en hij werd
onzichtbaar voor hun ogen. |
|
10 |
|
Terwijl zij in de hemel
tuurden terwijl hij vertrok, ontwaarde men twee mannen die vlakbij hen
stonden in witte kleding. |
|
11 |
|
En zij zeiden tot hen: "Mannen
van Galilea, waarom staat u in de hemel te turen? Deze Jezus werd van u
opgenomen in de hemel. Zo zal hij komen, net zoals u hem zag opstijgen naar
de hemel." |
|
12 |
|
Daarna keerden zij van de
berg die de Olijfberg wordt genoemd en ongeveer
anderhalf kilometer van Jeruzalem af ligt, terug naar Jeruzalem |
|
13 |
|
Toen zij de stad
binnenkwamen, gingen zij naar het bovenvertrek waar Petrus, Johannes,
Andreas en ook Filippus, Thomas, Mattheus, Bartholomeus en Jakobus, de zoon
van Alfeus en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus verbleven. |
|
14 |
|
En zij allen waren één,
vasthoudend in gebed met één doel, samen met de vrouwen en met Maria, de
moeder van Jezus en zijn broers. |
|
15 |
|
In die dagen stond Simon
Petrus onder hen op, in het midden van de leerlingen (er was nu een gemeente
van ongeveer honderd twintig mensen) en hij zei: |
|
16 |
|
"Mannen, broeders, het was
juist dat de tekst werd vervuld die door heilige adem voorzei door het woord
van David over Judas die een gids was voor wie hem grepen. |
|
17 |
|
want hij werd met ons geteld
en hij had deel in deze bediening. |
|
18 |
|
Hij is degene die zich een
veld verkreeg uit de beloning voor zonde, en viel met zijn gezicht op de
grond, brak in midden en zijn ingewanden kwamen eruit. |
|
19 |
|
En dit werd bekend aan allen
die in Jeruzalem leefden, en zo werd dat veld in het dialect van dat gebied
Akeldama genoemd, wat 'bloedveld' betekent. |
|
20 |
|
Want er staat geschreven in
het boek van Psalmen: 'Laat zijn verblijfplaats verlaten zijn.' en
'laat er geen bewoner in haar wonen en laat een ander zijn dienst [over]nemen'. |
|
21 |
|
Het is daarom juist dat één
van deze mannen, die al die tijd onder ons waren waarin onze Heer Jezus kwam
en van ons wegging, |
|
22 |
|
die uitging van de doop van
Johannes tot de dag dat hij van ons werd opgenomen, zodat hij met ons een
getuige van zijn opstanding kon zijn." |
|
23 |
|
Dus wezen zij er twee aan,
Jozef die Barsabbas heette, bijgenaamd Justus en Matthias. |
|
24 |
|
Na gebed zeiden zij: "U,
Jah, kent alle harten. Openbaar [ons] één, degene die u hebt gekozen uit
deze twee mannen, |
|
25 |
|
zodat hij het aandeel van de
bediening en apostelschap mocht ontvangen dat Judas verliet, en hij hem
vervangt. |
|
26 |
|
En zij wierpen loten en het
viel op Mattias en zo werd hij bij de elf apostelen geteld. |
|
Hoofdstuk 2 |
|
1 |
|
Nadat de dagen van
Pinksteren waren voltooid waren allen als één vergaderd. |
|
2 |
|
Ineens was er een geluid in
de
lucht als het geluid van een krachtige adem en het hele huis waar zij in
zaten, raakte ermee gevuld. |
|
3 |
|
En tongen als vuur
verschenen en verspreidden zich onder elk van hen. |
|
4 |
|
Allen van hen werden gevuld
met heilige adem en zij werden gedrongen om in verschillende talen te
spreken, zoals de adem het hun gaf te spreken. |
|
5 |
|
Nu waren er mannen die in
Jeruzalem leefden die de God van de joden vreesden, uit alle natiën onder de
hemel. |
|
6 |
|
Toen dat geluid klonk,
verzamelden zich alle mensen in tumult omdat zij elke man onder hen, hoorde
spreken in hun eigen taal. |
|
7 |
|
Zij waren nu allen
verbijsterd en vroegen zich af: "Zie, zijn dat niet Galileeërs? |
|
8 |
|
Hoe [kunnen] wij elkaar
horen in de taal waarmee wij zijn opgegroeid? |
|
9 |
|
Parthen, Meden, Elamieten,
zij die verblijven in Mesapotamië, Judeeërs, Kappadociërs, die uit de
gebieden van Pontus en uit Asia, |
|
10 |
|
die uit Frygië, Pamfylië,
Egypte, uit de gebieden rond Libië naast Cyrene en zij die uit Rome komen,
joden en proselieten, |
|
11 |
|
die uit Kreta en Arabieren,
zie! We horen hen verkondigen in onze taal over de wonderen van God! |
|
12 |
|
En zij allen waren
verbijsterd en verbaasd en zij bleven elkaar zeggen: "Wat gebeurt hier?" |
|
13 |
|
Maar anderen bleven spotten
en zij zeiden: "Dezen hebben nieuwe wijn gedronken en zijn dronken!" |
|
14 |
|
Daarna stond Simon Petrus
onder de elf apostelen op, verhief zijn stem en zei hun: "Mannen, joden, en
allen die in Jeruzalem verblijven. Laat u allen dit bekend worden en let op
mijn woorden! |
|
15 |
|
Want het is niet, zoals u
denkt, 'deze mannen zijn dronken', want zie, het is tot nu tot [maar] negen
uur in de morgen! |
|
16 |
|
maar dit is wat gesproken is
door de profeet Joël: |
|
17 |
|
'In de laatste dagen',
zei God, 'zal ik mijn adem over alle personen uitstorten, en al uw zonen
en dochters zullen profeteren, jonge mannen zullen visioenen zien en uw
ouderen zullen dromen zien. |
|
18 |
|
op mijn knechten en en
dienstmaagden zal ik mijn adem uitstorten. In die dagen zullen zij
profeteren. |
|
19 |
|
En ik zal tekenen in de
hemel veroorzaken, en machtige daden op de aarde van bloed, vuur en
rookkolommen. |
|
20 |
|
De zon zal in duisternis
veranderen en de maan in bloed, voordat de grote machtige dag van Jah zal
komen. |
|
21 |
|
En het zal zijn dat wie de
naam van Jah aanroepen, gered zullen worden.' |
|
22 |
|
Mannen, zonen van Israël;
luister naar deze woorden. Jezus de Nazarener, een man die door God aan u
werd getoond door wonderen, tekenen en machtige daden. Deze deed God onder u
door zijn hand zoals u allen weet. |
|
23 |
|
Deze man werd hierom
geheiligd door zijn voorkennis en wil van God; u leverde hem in de handen
van goddelozen en u hing en doodde hem. |
|
24 |
|
Maar God wekte hem op en
maakte de
koorden van het dodenrijk los omdat het onmogelijk was dat hij in het
dodenrijk zou worden vastgehouden. |
|
25 |
|
Want David sprak over hem:
'Ik zag mijn Heer altijd vóór mij, want hij is aan mijn rechterhand,
zodat ik niet verschrikt zou raken. |
|
26 |
|
Daarom is mijn hart getroost,
en mijn eer groot gemaakt. Zelfs mijn lichaam zal in stilte hopen, |
|
27 |
|
want u zult mijn leven niet
in het dodenrijk verlaten, of zult u uw
Onschuldige ontbinding zien lijden. |
|
28 |
|
U hebt mij de levensweg
geopenbaard, u zult mij vervullen met vreugde door uw tegenwoordigheid.' |
|
29 |
|
Mannen, broeders, sta me toe
vrij met u te spreken over de Patriarch David die gestorven is en ook
begraven en van wie het graf tot vandaag bij ons is. |
|
30 |
|
Want hij was een profeet, en
hij wist dat God hem een eed had gezworen: "Uit de vrucht van uw lendenen
zal ik een koning op uw troon verzekeren." |
|
31 |
|
En hij voorzag en sprak over
de opstanding van de Gezalfde dat hij niet in het dodenrijk zou worden
gelaten of dat zijn lichaam ontbinding zou zien. |
|
32 |
|
Deze Jezus werd door God
opgewekt en wij zijn allen zijn getuigen. |
|
33 |
|
Hij is degene die tot de
rechterhand van God is verheven en heeft van de Vader de belofte ontvangen
van de geest van heiligheid en hij heeft deze gift uitgestort. Zie! U ziet
en hoort het! |
|
34 |
|
Want het was niet David die
tot de hemel opsteeg, want hij zei: "Jah zei tot mijn Heer: 'zet u aan
mijn rechterhand, |
|
35 |
|
totdat ik uw vijanden tot
een voetbank aan uw voeten stel.' |
|
36 |
|
Amen, laten daarom allen van
het huis van Israël weten dat Jah God deze Jezus de Gezalfde heeft gemaakt,
die u hebt gehangen." |
|
37 |
|
Toen zij deze dingen hoorden
waren zij verstomd: "Broeders, wat moeten we doen?" |
|
38 |
|
Simon zei hun: "Keer u om en
wordt gedoopt, elk van u, in de naam van Jah, van Jezus tot vergeving van
zonden zodat u de gift van heilige adem mag ontvangen. |
|
39 |
|
Want aan u en uw kinderen en
allen die ver weg waren, was de belofte, dat God hen zal roepen. |
|
40 |
|
En met vele andere woorden
zou hij tot hen getuigen en hen smeken terwijl hij zei: 'Red uzelf van deze
kromme generatie.'" |
|
41 |
|
Sommigen van hen ontvingen
zijn woord graag en geloofden en werden gedoopt. En op die dag sloten zich
ongeveer drieduizend
mensen aan. |
|
42 |
|
En zij volhardden in het
onderwijs van de apostelen en bleven gezamelijk bidden en
brood breken, en alle mensen toonden respect. |
|
43 |
|
Tekenen en grote daden
werden verricht door de handen van de apostelen in Jeruzalem. |
|
44 |
|
En allen die gingen geloven,
waren als één en alles wat zij hadden, deelden zij gemeenschappelijk. |
|
45 |
|
Zij die iets bezaten
verkochten het en verdeelden het onder ieder naar behoefte. |
|
46 |
|
Dagelijks waren zij
volhardend in eenheid in de tempel. En thuis braken zij broden en ontvingen
zij voedsel met vreugde en een zuiver hart, |
|
47 |
|
terwijl zij God eerden en
gunst vonden bij alle mensen. En onze Heer bleef dagelijks toevoegen aan wie
leefden onder de gemeente. |
|
Hoofdstuk 3 |
|
1 |
|
Dit gebeurde toen Simon
Petrus en Johannes samen opgingen naar de tempel tijdens het gebed om drie
uur. |
|
2 |
|
Zie! een zekere man, verlamd
van de schoot van zijn moeder, werd gedragen door mannen die hem gewoon
waren hem te brengen en hem bij de poort van de tempel te zetten, die 'De
Schone' werd genoemd zodat hij om gaven kon bedelen aan wie de tempel binnen
gingen. |
|
3 |
|
Toen deze man Simon en
Johannes de tempel binnen zag gaan, vroeg hij hen
iets te geven. |
|
4 |
|
Simon en Johannes bekeken
hem en zeiden hem: "Kijk naar ons!" |
|
5 |
|
En terwijl hij naar hen keek
verwachtte hij iets van hen te ontvangen. |
|
6 |
|
Simon zei hem: "Goud en
zilver heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven in naam van Jezus, de
Gezalfde, de Nazarener; Sta op, loop!" |
|
7 |
|
En hij nam hem bij zijn
rechterhand en deed hem opstaan, en meteen werden zijn voeten en zijn enkels
heel, |
|
8 |
|
en sprong hij op, stond en
liep en ging met hen de tempel binnen terwijl hij liep, sprong en God eerde. |
|
9 |
|
En alle mensen zagen hem
terwijl hij liep en God eerde. |
|
10 |
|
Zij herkenden dat hij die
bedelaar was die de hele dag zat te vragen om giften bij de poort die 'De
Schone' werd genoemd. En zij waren vol verbazing en vroegen zich af wat er
was gebeurd. |
|
11 |
|
Terwijl hij Simon en
Johannes vasthield, renden alle verbaasde mensen naar de zuilengang die naar
Salomo was genoemd. |
|
12 |
|
Zodra Simon dit zag
antwoordde hij en zei hun: "Mannen, zonen van Israël, waarom verbaast u zich
over die man of over ons? Waarom kijkt u alsof het onze eigen kracht is of
we het deden door onze autoriteit dat deze man kon lopen? |
|
13 |
|
Hij, de God van Abraham en
van Isaäk en van Jakob, de God van onze voorvaders heeft zijn Zoon groots
gemaakt, Jezus, die u overleverde en ontkende in het gezicht van Pilatus,
nadat hij reden zag hem te laten gaan. |
|
14 |
|
Maar u ontkende de Heilige
en de Rechtvaardige en u verzocht om u een moordenaar te worden [vrij]gegeven. |
|
15 |
|
En de
Prins van Leven die u doodde, [hem] heeft God opgewekt uit de doden en
wij zijn allen zijn getuigen. |
|
16 |
|
Geloof in zijn naam heeft
deze man genezen die u ziet en kent, en het heeft hem sterk gemaakt. Het is
het geloof in hem dat hem zijn genezing gaf voor u allen. |
|
17 |
|
En nu, broeders, ik weet dat
u deze onwetendheid deed net als uw leiders deden. |
|
18 |
|
Maar die dingen die God
heeft verkondigd door de mond van alle profeten dat zijn Gezalfde moest
leiden, heeft hij aldus vervuld. |
|
19 |
|
Heb daarom spijt, en keert u
om zodat uw zonden worden uitgewist en tijden van rust voor u zullen komen
van Jah. |
|
20 |
|
Hij zond tot u wat hij voor
u had voorbereid, Jezus de Gezalfde. |
|
21 |
|
Die de hemel moest ontvangen
totdat de voltooiing van de tijden van deze [dingen] moesten komen,
gesproken door God via zijn heilige profeten uit de oudheid. |
|
22 |
|
Want Mozes zei: 'Jah zal
een profeet zoals ik opwekken uit het midden van uw broeders, luister naar
hem in alles wat hij u zal zeggen. |
|
23 |
|
En het zal zijn dat iedere
persoon die niet naar die profeet luistert, zijn
leven zal verliezen van zijn volk.' |
|
24 |
|
En al hun profeten, vanaf
Samuël en wie na hem kwamen, spraken en verkondigden over die dagen. |
|
25 |
|
U bent de zonen van de
profeten en van het verbond dat God sloot met onze voorvaders toen hij tegen
Abraham zei: 'door uw zaad zullen alle stammen van de aarde worden
gezegend.' |
|
26 |
|
Nu was het eerst voor u dat
God zijn Zoon aanstelde en zond om u te zegenen als u spijt hebt en omkeert
van kwaad." |
|
Hoofdstuk 4 |
|
1 |
|
Terwijl zij deze woorden tot
de mensen spraken stonden de priesters en de Sadduceeën en de tempelleiders
tegen hen op. |
|
2 |
|
Want zij waren woedend op
hen omdat zij de mensen onderwezen en de opstanding van de Gezalfde uit de
doden verkondigden. |
|
3 |
|
Dus grepen zij hen en
bewaakten hen tot de volgende dag omdat de avond naderde. |
|
4 |
|
En velen die deze woorden
hoorden gingen geloven en zij waren ongeveer vijfduizend mensen in getal. |
|
5 |
|
De volgende dag vergaderden
de leiders, de ouderlingen en de Schriftgeleerden, |
|
6 |
|
ook Annas, Kajafas de
Hogepriester, Johannes en Alexander en een groepje overpriesters. |
|
7 |
|
Nadat zij hen in hun midden
hadden gesteld bleven zij hen vragen: "Door welke kracht of in welke naam
hebt u dit gedaan?" |
|
8 |
|
Daarop zei Simon Petrus (die
vol van heilige adem was) hun: "Leiders van het volk en ouderlingen van het
huis van Israël, luister; |
|
9 |
|
Als wij vandaag werden
geoordeeld door u over het goede dat de zieke man overkwam, hoe werd deze
man dan genezen? |
|
10 |
|
Laat dit u allen en de
mensen van Israël bekend worden; dat in de naam van Jezus
Christus, de Nazarener, degene die u hing, die God heeft doen opstaan
uit de doden, door deze zelfde, zie! Deze man staat
gezond voor u! |
|
11 |
|
Dit is de Steen die u,
bouwlieden, hebt verworpen. En hij is de
hoofdhoeksteen geworden. |
|
12 |
|
En er is in niemand anders
redding want er is geen andere naam onder de hemel gegeven die geschikt is
om leven te ontvangen." |
|
13 |
|
Toen zij de woorden van
Simon en Johannes hoorden die zij vrijuit spraken, merkten zij dat zij de
geschriften niet kenden en dat zij eenvoudig waren, waren zij verbaasd over
hen en zij herkenden dat zij met Jezus te maken hadden gehad. |
|
14 |
|
En zij zagen de verlamde man
met hen staan die was genezen, maar zij konden niets tegen hen inbrengen. |
|
15 |
|
Daarop gaven zij opdracht
dat ze uit het
joods gerechtshof werden verwijderd en bleven elkaar zeggen: |
|
16 |
|
"Wat moeten we moeten met
deze mannen doen? Want zie, een zichtbaar wonder is gebeurd door hun handen.
Aan alle inwoners van Jeruzalem is [het] bekend en wij kunnen het niet
ontkennen. |
|
17 |
|
Maar, zodat dit zich niet
verder verspreidt onder de mensen; laten we hen bedreigen zodat ze niet
opnieuw tot iemand onder de mensenzonen zouden spreken in die naam." |
|
18 |
|
Dus riepen zij hen en gaven
hun opdracht dat zij absoluut niet tot iemand zouden spreken of onderwijzen
in de naam van Jezus. |
|
19 |
|
Simon Petrus en Johannes
antwoordden en zeiden hun: "Als het juist is voor God dat wij u meer
gehoorzamen dan God, oordeel zelf; |
|
20 |
|
want wij kunnen niet over
wat we hebben gezien en gehoord zwijgen." |
|
21 |
|
Dus bedreigden zij hen en
lieten hen gaan want zij konden geen aanklacht tegen hen indienen vanwege de
mensen. Want iedereen eerde God om wat er was gebeurd, |
|
22 |
|
want die man, met wie dat
genezingswonder was gebeurd, was meer dan veertig jaar oud. |
|
23 |
|
Toen zij werden vrijgelaten
gingen zij naar hun broederschap en vertelden hen alles wat de priesters en
ouderlingen hadden gezegd. |
|
24 |
|
Zodra zij [dit] hoorden,
verhieven zij als één hun stem tot God en zij zeiden: "Jah, u bent God,
degene die hemel en aarde heeft gemaakt, en alles wat erin is. |
|
25 |
|
En u bent degene die door
heilige adem sprak door de mond van uw knecht David: 'Waarom zijn de
natiën en de mensen woedend en maken zij loze plannen? |
|
26 |
|
De koningen van de aarde
zijn opgestaan, en regeerders hebben samengespannen als één tegen Jah en
tegen zijn Gezalfde.' |
|
27 |
|
Want in deze stad waren [zij]
vergaderd tegen de Heilige, uw Zoon Jezus, degenen die u hebt Gezalfd;
Herodus en Pilatus met de heidenen en de gemeente van Israël, |
|
28 |
|
om alles te doen dat uw hand
en uw wil hebben afgekondigd. |
|
29 |
|
En zelfs nu, Jah, kijk en
zie hun bedreigingen en geef uw knechten dat zij vrijuit uw woord zullen
verkondigen. |
|
30 |
|
Dat uw hand zich uitstrekt
voor genezingen, machtige daden en er wonderen kunnen zijn in de naam van uw
Zoon de Heilige, Jezus." |
|
31 |
|
En nadat zij hadden gevraagd
en gesmeekt, schudde de plaats waar zij waren vergaderd en werden allen
gevuld met heilige adem zodat zij het woord van God vrijuit spraken. |
|
32 |
|
Nu was de gemeente van
gelovigen het eens in kracht en rede. Niemand van hen sprak van eigendom als
ware het als van hem, maar alles wat zij hadden deelden zij. |
|
33 |
|
Met grote overtuiging
getuigden de apostelen van de opstanding van Jezus de Gezalfde. En zij
genoten veel sympathie van allen. |
|
34 |
|
En niemand onder hen kwam
iets tekort, want wie huizen en velden bezaten verkochten ze en brachten de
prijs van wat was verkocht |
|
35 |
|
aan de voeten van de
apostelen en het werd aan een ieder gegeven naar wat hij nodig zou hebben. |
|
36 |
|
Jozef nu (die Barnabas werd
genoemd door de apostelen, wat 'zoon van vertroosting' betekent, een leviet
uit de buurt van Cyprus) |
|
37 |
|
had een veld, verkocht het
en bracht haar prijs op, en legde het aan de voeten van de apostelen. |
|
Hoofdstuk 5 |
|
1 |
|
Er was een bepaalde man die
Ananias heette, met zijn vrouw die
Safira heette, die zijn veld verkocht. |
|
2 |
|
En hij nam de opbrengst,
verborg het terwijl zijn vrouw ervan wist en bracht wat van het
geld met zich mee en legde het aan de voeten van de apostelen. |
|
3 |
|
Maar Simon zei hem: "Ananias,
waarom heeft de Tegenstander je hart zo gevuld dat je moet liegen tegen de
heilige adem en wat geld van de opbrengst van het veld moest verbergen? |
|
4 |
|
Wat het niet van jou vóór de
verkoop en na de verkoop, had je niet opnieuw controle over haar opbrengst?
Waarom heb je besloten om dit toneelstuk op te voeren? Heb je niet gelogen
tegen God?" |
|
5 |
|
Nadat Ananias deze woorden
hoorde viel hij neer en stierf. En er ontstond een grote angst onder degenen
die dit hoorden. |
|
6 |
|
En enkele jongeren onder hen
stonden op en namen hem naar buiten en begroeven hem. |
|
7 |
|
Nadat er drie uur waren
voorbijgegaan kwam ook zijn vrouw binnen terwijl zij niet wist wat er was
gebeurd. |
|
8 |
|
Simon zei haar: "Zeg me of
je voor deze opbrengsten het veld hebt verkocht." En ze zei: "Ja, voor deze
opbrengsten!" |
|
9 |
|
Simon zei haar: "Omdat je
moedwillig de adem van Jah hebt getest, zie! De voeten van de grafdelvers
van je echtgenoot zijn aan de deur en zij zullen je naar buiten nemen!" |
|
10 |
|
Op dat moment viel ze voor
hun voeten neer en stierf. En de jongemannen kwamen binnen, vonden haar dood,
pakten haar op en namen haar weg en begroeven haar naast haar echtgenoot. |
|
11 |
|
En er was een grote angst in
heel de gemeente en in allen die dit hoorden. |
|
12 |
|
En er gebeurden door de
handen van de apostelen grote tekenen en veel machtige daden onder de mensen
terwijl zij samen waren in de zuilengang van Salomo. |
|
13 |
|
Maar niemand durfde hen aan
te
raken want de mensen keken tegen hen op. |
|
14 |
|
En meer mensen werden
toegevoegd aan hen die geloofden in Jah, een gemeente van mannen en vrouwen. |
|
15 |
|
Zij brachten zelfs de zieken
in de straten en legden ze op draagbedden zodat wanneer Simon zou komen, ten
minste zijn schaduw over hen kon komen. |
|
16 |
|
Nu kwamen velen uit andere
steden rond Jeruzalem naar hen al hun zieken brengen en degenen die onreine
geesten hadden. En allen werden genezen. |
|
17 |
|
Daarop raakten de
Hogepriester en allen die met hem waren, die van de sekte van de Sadduceeën
waren, vol jaloezie, |
|
18 |
|
grepen, arresteerden en
sloten hen in de gevangenis. |
|
19 |
|
In de nacht opende een
boodschapper van Jah de deur van de gevangenis, liet hen naar buiten en zei
hen: |
|
20 |
|
"Ga in de tempel staan en
spreek tot de mensen al deze woorden van leven!" |
|
21 |
|
En bij zonsopgang gingen zij
naar buiten en de tempel binnen en gingen onderwijzen. De Hogepriester nu en
zij die met hen waren riepen hun collega's en de ouderlingen van Israël en
stuurden [iemand] naar de gevangenis met de opdracht de apostelen naar hen
te brengen. |
|
22 |
|
Toen zij die door hen werden
gezonden gingen, vonden zij hen niet in de gevangenis en keerden terug. |
|
23 |
|
Zij zeiden: "Wij vonden de
gevangenis veilig op slot, en ook de bewakers die voor de deur stonden.
Zodra we de deur openden vonden we daar niemand!" |
|
24 |
|
Toen de overpriesters en
tempelleiders deze woorden hoorden waren zij sprakeloos over hen en dachten:
"Wat is dit!" |
|
25 |
|
En een man kwam en
informeerde hen: "Degenen die u in de gevangenis sloot, zie, zij staan in de
tempel en onderwijzen de mensen!" |
|
26 |
|
Daarna vertrokken de leiders
samen met de bewakers om hen zonder geweld mee te brengen want zij waren
bang dat de mensen hen zouden stenigen. |
|
27 |
|
Toen zij hen brachten en
opstelden voor de hele vergadering begon de Hogepriester hun te zeggen: |
|
28 |
|
"Hebben we niet werkelijk
bevolen dat niemand van u mocht onderwijzen in deze naam? Maar zie, u hebt
Jeruzalem gevuld met uw leer en u wilt de bloedschuld van deze man over ons
brengen!" |
|
29 |
|
Simon, met de apostelen,
antwoordde en zei hun: "Men dient eerder God gehoorzamen dan mensen! |
|
30 |
|
De God van onze voorouders
deed Jezus opstaan, degene die u hebt opgehangen aan
het hout. |
|
31 |
|
Deze is door God als Prins
en Redder aangesteld en hij heeft hem opgeheven met zijn rechterhand zodat
hij vergeving door [hun] berouw aan de zonen van Israël mocht geven. |
|
32 |
|
En wij zijn getuigen van
deze woorden van de heilige adem, die God geeft aan wie in hem geloven." |
|
33 |
|
Toen zij deze woorden
hoorden ontstaken zij in woede en bedachten ze [iets] om hen te doden. |
|
34 |
|
Maar er stond een zekere man
op
in het joodse gerechtshof, uit de Farizeeën die
Gamaliël heette, een leraar van de Thora en gerespecteerd door alle
mensen. En hij gaf opdracht dat zij de apostelen even naar buiten namen. |
|
35 |
|
En hij zei hun: "Mannen,
zonen van Israël. Wees voorzichtig en bepaal wat voor uzelf juist is te doen
met deze mensen. |
|
36 |
|
Vorige eeuw stond
Theudas op, die van zichzelf zei dat hij belangrijk was en ongeveer
vierhonderd mensen volgden hem. Toen hij werd vermoord raakten degenen die
hem volgden verstrooid en werden als niets. |
|
37 |
|
Na hem stond
Judas de Galileeër op in de dagen dat mensen werden geregistreerd voor
de
hoofdelijke belasting en hij zorgde dat veel mensen hem volgden. Toen
hij stierf raakten allen die hem volgden verstrooid. |
|
38 |
|
Nu zeg ik u; houdt u van
deze mannen af en laat hen met rust want als dit denken en werken uit mensen
is zal het ontbinden en verdwijnen. |
|
39 |
|
Als het echter van God is,
is het ondoenlijk het te stoppen met uw handen, erger nog, u zult ontdekken
dat u tegen God opstaat!" |
|
40 |
|
Zij luisterden naar hem en
riepen de apostelen, lieten hen met de zweep slaan en gaven opdracht niet te
spreken in naam van Jezus en lieten hen gaan. |
|
41 |
|
En zij vertrokken uit het
joods gerechtshof, terwijl zij blij waren dat zij waardig waren om te
worden veracht om
De Naam. |
|
42 |
|
Zij zouden niet ophouden de
hele dag in de tempel en thuis te onderwijzen en te prediken over onze Heer
Jezus, de Gezalfde. |
|
Hoofdstuk 6 |
|
1 |
|
En in die dagen toen de
leerlingen toenamen mopperden de Griekse leerlingen tegen de Hebreeuwse die
hun weduwen negeerden tijdens de dagelijkse verdeling. |
|
2 |
|
Daarop riepen de twaalf
apostelen de hele gemeente en zij zeiden hun: "Het is niet goed dat we het
woord van God zouden negeren en tafels bedienen. |
|
3 |
|
Onderzoek daarom, broeders,
en kies zeven mannen onder u, die goed bekend staan, en vol van de adem van
Jah zijn en van wijsheid. En we zullen hen aanstellen over deze zaak. |
|
4 |
|
Maar wij zullen volharden in
gebed en de bediening van het woord." |
|
5 |
|
En deze uitspraak beviel
alle mensen en zij kozen Stefanus, een man die vol geloof en heilige adem
was, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een
Antiochische proseliet. |
|
6 |
|
Zij stonden voor de
apostelen en nadat zij baden, legden zij handen op hen. |
|
7 |
|
En het woord van God
verspreidde zich, en het aantal leerlingen nam geweldig toe in Jeruzalem. En
veel Judeese mensen waren gehoorzaam aan het geloof. |
|
8 |
|
Stefanus nu, was vol gunst
en kracht en verrichtte tekenen en wonderen onder het volk. |
|
9 |
|
Maar er stonden mannen op
van de gemeente die de Libertijnen wordt genoemd, en de Cyreneeërs,
Alexandrijnen, die van Cilicië en van Azië, die gingen twisten met Stefanus. |
|
10 |
|
Maar zij waren niet
opgewassen tegen de wijsheid en de adem die door hem sprak. |
|
11 |
|
Toen stuurden zij mannen en
gaven hen instructies te zeggen: "We hebben hem blasfemische woorden horen
spreken tegen Mozes en God!" |
|
12 |
|
En de ouderlingen en de
Schriftgeleerden stookten het volk op en kwamen en stonden hem tegen, grepen
hem en brachten hem midden in hun vergadering. |
|
13 |
|
Daarna brachten zij valse
getuigen die zeiden: "Deze man houdt niet op woorden te spreken tegen de
Thora en tegen deze heilige plaats, |
|
14 |
|
want we hebben hem horen
zeggen dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal vernietigen en de
tradities zal veranderen die Mozes u had overgeleverd!" |
|
15 |
|
En allen die in de
vergadering zaten tuurden naar hem en zij zagen zijn gezicht als het gezicht
van een boodschapper. |
|
Hoofdstuk 7 |
|
1 |
|
En de Hogepriester vroeg hem
of deze dingen zo waren. |
|
2 |
|
Hij zei daarop: "Mannen,
broeders en vaders; luister! De glorieuze God verscheen aan onze Vader
Abraham toen hij in
Mesapotamië was voordat hij in Haran ging wonen. |
|
3 |
|
En hij zei hem: 'Vertrek uit
je land en van je bloedverwanten en ga naar het land dat ik je zal tonen.' |
|
4 |
|
Toen vertrok Abraham van het
land van de Chaldeeën, kwam en ging wonen in Haran. Nadat zijn vader daar
was gestorven, deed God hem verhuizen en wonen in dit land waar u vandaag
woont. |
|
5 |
|
Maar hij gaf hem er geen
erfdeel in en zelfs geen voetstap. Toch beloofde hij dat hij het aan hem en
zijn nazaten als een erfenis zou geven terwijl hij geen zoon had. |
|
6 |
|
En God sprak met hem en zei
hem: 'Jouw zaad zal buitenlander in een vreemd land zijn en het zal
onderworpen zijn en zij zullen het vierhonderd jaar slecht behandelen. |
|
7 |
|
En de mensen zullen hen
geboeid dienen en ik zal hen oordelen.' En God zei na deze dingen: 'Zij
zullen uittrekken en mij in dit land dienen.' |
|
8 |
|
En hij gaf hem het verbond
van de besnijdenis, verwekte Isaäk, en besneed hem op de achtste dag. En
Isaäk verwekte Jakob, terwijl Jakob twaalf van onze vaders verwekte. |
|
9 |
|
Die vaders werden jaloers op
Jozef, en verkochten aan in
Egypte maar God was met hem. |
|
10 |
|
En hij bevrijdde hem uit al
zijn beproevingen, gaf hem aanzien en wijsheid voor Farao, koning van Egypte
en stelde hem aan als regeerder over Egypte en over zijn huishouden. |
|
11 |
|
Maar er kwam een hongersnood
en grote verdrukking in heel Egypte en het land van Kanaän. En zij, onze
vaders, hadden niets om haar te doorstaan. |
|
12 |
|
En nadat Jakob hoorde dat er
levensonderhoud in Egypte was, zond hij de eerste van onze vaders. |
|
13 |
|
Toen zij voor de tweede keer
gingen, maakte Jozef zichzelf bekend aan zijn broeders en werd de
nationaliteit van Jozef bekend aan Farao. |
|
14 |
|
Dus liet Jozef zijn vader
Jakob en heel zijn familie komen. En zij telden
vijfenzeventig levens. |
|
15 |
|
Dus daalde Jakob af naar
Egypte en stierven hij en onze vaders daar. |
|
16 |
|
Toen hij werd verplaatst
naar Sichem werd hij in het graf gelegd dat Abraham met zilver had gekocht
van de zonen van
Hemor. |
|
17 |
|
Toen het moment nabij was
gekomen voor de dingen die God met [diverse] eden had beloofd aan Abraham
nam het volk toe en werd sterk in Egypte. |
|
18 |
|
Tot er een andere koning
over Egypte [kwam] die Jozef niet kende, |
|
19 |
|
en spande hij samen tegen
onze bloedverwanten en handelde hij slecht met onze vaders en gaf opdracht
dat mannelijke kinderen werden weggeworpen zodat zij niet zouden leven. |
|
20 |
|
In die tijd werd Mozes
geboren en hij was aangenaam voor God. Hij werd drie maanden gevoed in zijn
ouderlijk huis. |
|
21 |
|
Toen hij van zijn moeder
werd
gescheiden vond de dochter van Farao hem en zij voedde hem zelf op als
een zoon. |
|
22 |
|
En Mozes werd opgeleid in
alle wijsheid van de Egyptenaren en hij werd voorbereid in zijn woorden
evenals daden. |
|
23 |
|
Zodra hij veertig jaar oud
was, kwam het in zijn hart op om zijn broederschap, zonen van Israël te
bezoeken. |
|
24 |
|
En hij zag één van de zonen
van zijn
familie kwaad leiden en hij
wraakte hem, en deed hem recht ervaren dus doodde hij de Egyptenaar die
hem had mishandeld. |
|
25 |
|
En hij hoopte dat zijn
broeders van de zonen van Israël hem zouden begrijpen dat God hen door zijn
hand redding zou schenken, maar zij begrepen [het] niet. |
|
26 |
|
De volgende dag zag hij hem
terwijl hij ruziede met een ander dus overtuigde hij hen vrede te sluiten
door te zeggen: 'Mannen, broeders, waarom doen jullie elkaar kwaad?' |
|
27 |
|
Maar degene die zijn
kameraad kwaad deed duwde hem weg en zij: 'Wie heeft u als een regeerder en
rechter over ons aangesteld? |
|
28 |
|
Zoekt u mij soms ook doden
zoals u de Egyptenaar gisteren doodde?' |
|
29 |
|
Dus vluchtte Mozes na dit
woord en werd een vreemdeling in het land van Midean. En hij had twee zonen. |
|
30 |
|
Nadat hem veertig jaar waren
voorbijgegaan verscheen hem in de wildernis van de berg Sinaï een engel van
Jah in een vuur dat brandde in een doornbos. |
|
31 |
|
Toen Mozes [het] zag was hij
verbaasd over de aanblik maar zodra hij naderde om [het] te zien zei Jah hem
met een stem: |
|
32 |
|
'Ik ben de God van uw vaders,
de God van Abraham, van Isaäk, van Jakob!' Terwijl Mozes beefde durfde hij
niet te turen naar de aanblik. |
|
33 |
|
En Jah zei hem: 'Doe uw
sandalen van uw voeten, want de grond waarop u staat is heilig! |
|
34 |
|
Ik heb inderdaad de
verdrukking van mijn volk gezien dat in Egypte is, en het zucht, ik heb
gehoord en ben afgedaald om hen te bevrijden en nu, kom! Ik zal u naar
Egypte zenden.' |
|
35 |
|
Het is Mozes die zij
ontkenden door te zeggen: 'Wie heeft u als een heerser en rechter over ons
aangesteld!' Deze God stuurde hun een bevrijder en regeerder door een
boodschapper degene die aan hem verscheen in een doornbos. |
|
36 |
|
Dit is degene die hen naar
buiten bracht nadat hij tekenen, wonderen en machtige daden gaf in het land
Egypte, in de Rode Zee en veertig jaar in de wildernis. |
|
37 |
|
Het is Mozes die de zonen
van Israël zei: 'Een profeet zoals ik zal Jah God voor u doen opstaan uit uw
broeders. Luister naar hem.' |
|
38 |
|
Hij is degene die in de
vergadering met de boodschapper in de wildernis was, die met hem sprak en
met onze vaders op de berg Sinaï. En hij is degene die de levende woorden
ontving om aan ons te geven. |
|
39 |
|
Maar zij wilden hem niet
gehoorzamen. Onze voorvaders gingen liever weg, dus keerden zij in
gedachten terug naar Egypte, |
|
40 |
|
door Aäron te zeggen: 'Maak
goden voor ons die ons voorgaan, want deze Mozes die ons uit het land Egypte
heeft gebracht; we weten niet wat met hem is gebeurd!' |
|
41 |
|
Dus maakten zij zichzelf in
die dagen een kalf. En zij offerden offers aan de beelden, en zij waren blij
met het werk van hun handen. |
|
42 |
|
En God keerde zich om en gaf
hen over om de krachten van de hemel te dienen, zoals is geschreven in de
boeken van de profeten. 'Waarom offerde u veertig jaar lang een dier of
een offer? Mijn zonen van Israël?' |
|
43 |
|
Maar u hebt het altaar van Molech genomen en van de ster van de god van
Refan hebt u beelden gemaakt om te worden aanbeden. Ik zal u verwijderen,
ja, verder dan Babylon. |
|
44 |
|
Zie, het altaar van het
verbond van onze vaders in de wildernis, was zoals hij opdroeg, degene die
met Mozes sprak om het te maken naar het voorbeeld dat hij liet zien. |
|
45 |
|
En ditzelfde altaar brachten
onze vaders ook inderdaad met Jozua naar het land dat God hen tot erfenis
gaf van die natiën die hij voor hen wegdreef. En het werd gedragen tot de
dagen van David. |
|
46 |
|
Hij vond genade bij God, en
vroeg of hij een tempel voor de God van Jakob mocht vinden. |
|
47 |
|
Maar Salomo bouwde het huis. |
|
48 |
|
Maar de Allerhoogste
woont niet in
het werk van handen, zoals de profeet zei. |
|
49 |
|
'De hemel is mijn troon en
de aarde een voetbank onder mijn voeten. Wat is het huis dat u voor mij
bouwt?' Zegt Jah.
'Wat is mijn plaats van rust?' |
|
50 |
|
Zie! Heeft mijn hand niet al
deze dingen gemaakt? |
|
51 |
|
O, stijfkoppen, zonder
besnijdenis in het hart en gehoor! Jullie staan de heilige adem altijd tegen.
Zoals uw voorvaders waren, bent ook u. |
|
52 |
|
Want welke van de profeten
hebt u níet vervolgd en gedood? Uw voorvaders die voorzeiden over de komende,
de Rechtvaardige, degene die u hebt opgepakt en gedood. |
|
53 |
|
En u hebt de Torah van
boodschappers ontvangen, maar u hebt het niet gehouden." |
|
54 |
|
Toen zij deze dingen hadden
gehoord, raakten zij vervuld met innerlijke woede, en zij tandenknarsten
tegen hem. |
|
55 |
|
Terwijl hij vol van geloof
en heilige adem was tuurde hij naar de hemel en zag de glorie van God en
Jezus rechts van God staan. |
|
56 |
|
En hij zei: "Zie! Ik zie de
geopende hemel en de Mensenzoon rechts van God staan!" |
|
57 |
|
Zij riepen met een luide
stem, stopten hun oren dicht en bestormden hem allen! |
|
58 |
|
En zij grepen hem en namen
hem buiten de stad en gingen hem stenigen. En degenen die tegen hem
getuigden legden hun kleding aan de voeten van een zekere jongeman die
Saulus heette. |
|
59 |
|
Zij bleven hem stenigen,
terwijl Stefanus bad en zei: "Heer Jezus, ontvang mijn adem!" |
|
60 |
|
Nadat hij knielde riep hij
met een luide stem en zei: "Heer, reken hen deze zonde niet aan!" Nadat hij
dit had gezegd stierf hij. |
|
Hoofdstuk 8 |
|
1 |
|
Saulus nu, stemde in, en nam
deel aan zijn moord. Er was in die tijd een grote vervolging tegen de
gemeente die in Jeruzalem was. En zij allen werden verspreid, onder de
steden van Judea en onder de Samaritanen, behalve de apostelen. |
|
2 |
|
En gelovige mannen haalden
hem op en begroeven Stefanus, en zij gingen heftig om hem rouwen. |
|
3 |
|
Saulus nu, vervolgde de
gemeente van God, terwijl hij huizen binnenging en mannen en vrouwen
wegsleepte en hen aan de gevangenis uitleverde. |
|
4 |
|
Maar zij die rondom
verspreid waren, reisden en verkondigden het woord van God. |
|
5 |
|
Filippus nu, daalde af naar
een stad van de Samaritanen en hij verkondigde aan hen de Gezalfde. |
|
6 |
|
Zodra de mensen zijn woorden
hoorden, schonken men daar aandacht aan en werd overtuigd door alles wat hij
zei omdat ze de tekenen zagen die hij deed. |
|
7 |
|
Want velen waren door
onreine geesten gegrepen, die met een luide stem riepen en van hen uitgingen.
En anderen; epileptici en verlamden werden genezen. |
|
8 |
|
En er was grote vreugde in
die stad. |
|
9 |
|
Er was een zekere man die
Simon heette, die al lang in die stad woonde, en met zijn magie de mensen
van Samaria misleidde terwijl hij zichzelf groot maakte en zei: "Ik ben
belangrijk!" |
|
10 |
|
En zij allen, groot en klein,
bleven hem aanbidden, en zeiden: "Dit is de grote kracht van God!" |
|
11 |
|
En zij allen
overtuigden hem, want hij had hen een lange tijd overtuigd met zijn
magie. |
|
12 |
|
Toen zij Filippus geloofden,
die het koninkrijk van God verkondigde in de naam van onze Heer Jezus
Christus, werden zowel mannen als vrouwen gedoopt. |
|
13 |
|
Zelfs Simon geloofde en werd
gedoopt en bleef plakken aan Filippus toen hij de tekenen en grote wonderen
zag die gebeurden door diens hand, want hij was zeer verbaasd. |
|
14 |
|
Toen de apostelen in
Jeruzalem hoorden dat de mensen van Samaria het woord van God hadden
ontvangen stuurden zij Simon Petrus en Johannes naar hen toe. |
|
15 |
|
Dus daalden zij af en baden
over hen zodat zij heilige adem mochten ontvangen, |
|
16 |
|
want het was nog op geen van
hen, maar zij waren alleen maar gedoopt in de naam van onze Heer Jezus. |
|
17 |
|
Toen legden zij de hand op
hen dus ontvingen zij de heilige adem. |
|
18 |
|
Toen Simon zag dat door het
opleggen van de hand van de apostelen heilige adem werd gegeven, bood hij
hen geld aan, |
|
19 |
|
en zei: "Geef mij ook deze
autoriteit dat ik op wie dan ook de hand zou leggen en hij heilige adem zal
ontvangen!" |
|
20 |
|
Simon Petrus zei hem: "Laat
uw geld met u vergaan, want u dacht dat de gave van God met eigendommen van
de wereld zou kunnen kopen? |
|
21 |
|
U hebt geen greintje geloof
omdat uw hart niet recht voor God is. |
|
22 |
|
Maar heb spijt van uw
slechtheid en smeek God, misschien zal de dwaling van uw hart vergeven
worden. |
|
23 |
|
Want ik zie dat uw hart vol
bittere woede is en dat u in de ban van onrechtvaardigheid bent." |
|
24 |
|
Simon antwoordde en zei: "Smeekt
u God voor mijn zaak dat niets van wat u hebt gesproken over mij komt." |
|
25 |
|
Toen Simon [Petrus] en
Johannes hadden getuigd en zij het woord van God hadden onderwezen keerden
zij terug naar Jeruzalem en verkondigden in vele Samaritaanse steden. |
|
26 |
|
En een engel van Jah sprak
met Filippus en zei hem: "Sta op, ga naar het zuiden op de woestijnweg die
van Jeruzalem naar Gaza afdaalt." |
|
27 |
|
En hij stond op, ging en
ontmoette en zekere
gelovige die uit Ethiopië was gekomen, een ambtenaar van koninging
Candace van de Ethiopiërs. En hij was verantwoordelijk over haar
schatten en was gekomen om te aanbidden in Jeruzalem. |
|
28 |
|
Terwijl hij terug ging, zat
hij in een wagen en zat de profeet Jesaja te lezen. |
|
29 |
|
En de geest zei tot Filippus:
"Nader en volg de wagen." |
|
30 |
|
Toen hij was genaderd hoorde
hij dat hij de profeet Jesaja las, en hij zei hem: "Begrijpt u wat u leest?" |
|
31 |
|
En hij zei: "Hoe kan ik
begrijpen, behalve als iemand me onderwijst?" En hij vroeg of Filippus
instapte en bij hem ging zitten. |
|
32 |
|
Nu was het gedeelte van de
Schriften dat hij las het volgende: "Als
een lam werd hij naar de slacht gebracht, en als een ooi [dat] voor de
scheerder zwijgt, zo opende hij zijn mond niet. |
|
33 |
|
Hij werd in vernederd, door
gevangenneming en veroordeling; en zijn generatie zal het vertellen, omdat
zijn leven van de aarde werd genomen." |
|
34 |
|
En die gelovige zei tot
Filippus: "Ik vraag u, over wie sprak deze profeet? Over zichzelf of over
een andere man?" |
|
35 |
|
Toen opende Filippus zijn
mond en begon over deze schriftplaats te verkondigen over de Heer Jezus. |
|
36 |
|
Zij gingen op weg en kwamen
bij een bepaalde plaats dat water had en de gelovige zei: "Zie, water! Wat
verhindert mijn doop?" |
|
37 |
|
* |
|
38 |
|
En hij gaf opdracht dat de
wagen stopte, en beiden daalden af in het water. |
|
39 |
|
Nadat zij uit het water
opkwamen, voerde de adem van Jah Filippus weer weg, en die gelovige zag hem
niet meer. Maar hij vervolgde zijn weg met vreugde. |
|
40 |
|
Men trof Filippus in
Asdod aan waar hij rondreisde en in alle steden verkondigde tot hij in
Cesarea aankwam. |
|
Hoofdstuk 9 |
|
1 |
|
Saulus nu, was nog vol
dreiging en moordlust tegen de leerlingen van onze Heer. |
|
2 |
|
Dus vroeg hij aan de
overpriesters om brieven mee te geven naar de Synagogen van Damaskus zodat
hij degenen kon vinden die
De Weg volgden, mannen en vrouwen, ze kon arresteren en naar Jeruzalem
brengen. |
|
3 |
|
Zodra hij op reis was en
Damaskus naderde, scheen ineens een licht uit de hemel rondom hem. |
|
4 |
|
En hij werd op de grond
geworpen en hoorde een stem die hem zei: |
|
5 |
|
"Saulus, Saulus, waarom
vervolg je mij? Het moet zwaar voor je zijn om
tegen de stroom in te zwemmen." |
|
6 |
|
En hij antwoordde en zei: "Wie
bent u, mijn Heer?" Onze Heer zei: "Ik ben Jezus de Nazarener die jij
vervolgt. |
|
7 |
|
Sta op, ga de stad in en
daar zal men je zeggen wat je moet doen." |
|
8 |
|
De mannen die met hem
reisden, stonden op de weg en waren verbaasd, want zij hoorden alleen een
geluid, maar zagen geen zichtbare man. |
|
9 |
|
Dus stond Saulus op van de
grond maar hij kon niets door zijn open ogen zien. Dus bracht men hem aan de
hand naar Damaskus. |
|
10 |
|
En hij kon drie dagen niets
zien en at niet. |
|
11 |
|
Nu was er in Damaskus een
zekere leerling die
Ananias heette. En Jah zei hem in een visioen: "Ananias!" En hij zei: "Zie,
hier ben ik mijn Heer!" |
|
12 |
|
Onze Heer zei hem: "Sta op,
ga naar de straat die 'De Rechte' wordt genoemd en informeer bij het huis
van Juda naar Saulus die uit de stad Tarsis komt. En zie! Terwijl hij bad, |
|
13 |
|
zag hij in een visioen een
man die Ananias heette die binnenkwam en een hand op hem legde zodat zijn
ogen geopend werden." |
|
14 |
|
En zie, zelfs hier heeft hij
autoriteit van de overpriesters om allen die uw naam aanroepen te arresteren!" |
|
15 |
|
Jah zei hem: "Sta op en ga,
want deze man is mijn verkozen
instrument om mijn naam te dragen onder de niet-joden, koningen en de
zonen van Israël. |
|
16 |
|
want ik zal hem openbaren
hoeveel hij zal leiden in mijn naam." |
|
17 |
|
Toen ging Ananias naar het
huis, naar hem en legde een hand op hem en zei hem: "Saulus, mijn broeder,
onze Heer Jezus heeft mij gezonden, degene die aan je was verschenen toen je
op weg was. Dat je ogen geopend mogen worden en je gevuld mag zijn met
heilige adem!" |
|
18 |
|
Opeens viel iets van zijn
ogen dat op aanslag leek en zijn ogen werden geopend. Hij stond op en werd
gedoopt. |
|
19 |
|
En hij ontving voedsel en
werd een aantal dagen gesterkt met de leerlingen die in Damaskus waren. |
|
20 |
|
Onmiddellijk begon hij te
verkondigen in de gemeente van joden over Jezus, dat hij de Zoon van God
was. |
|
21 |
|
En allen die hem hoorden,
waren verbaasd en zeiden: "Was hij niet degene die allen vervolgde die deze
naam aanriepen in Jeruzalem en zelfs hier om dezelfde reden werd gezonden om
hen te boeien en mee te nemen naar de overpriesters?" |
|
22 |
|
Saulus nu, werd sterker en
schokte die joden die in Damaskus verbleven omdat hij bleef onthullen: "Dit
is de Gezalfde!" |
|
23 |
|
En nadat hem daar [vele]
dagen voorbijgingen, spanden de joden tegen hem samen om hem te doden. |
|
24 |
|
Maar het complot dat zij met
hem zochten te doen werd aan Saulus verteld, want ze hielden dag en nacht
wacht de poorten van de stad in de gaten om hem te doden. |
|
25 |
|
Toen lieten de leerlingen
hem in de nacht, van de stadsmuur in een mand neerzakken. |
|
26 |
|
En hij ging naar Jeruzalem
en wilde zich bij de leerlingen aansluiten maar zij allen waren bang van hem
en geloofden niet dat hij een leerling was. |
|
27 |
|
Maar Barnabas nam hem en
bracht hem naar de apostelen en legde hen uit hoe hij onderweg de
Heer had gezien en hoe die met hem sprak en hoe hij moedig in Damaskus
sprak in naam van Jezus. |
|
28 |
|
Dus ging hij in en uit met
hen in Jeruzalem. |
|
29 |
|
En hij sprak moedig in de
naam van Jezus en discussieerde met de Judeeërs die Grieks spraken, maar die
wilden hem doden. |
|
30 |
|
Toen de broeders het wisten
brachten zij hem in de nacht naar Cesarea en vandaar uit zonden zij hem naar
Tarsus. |
|
31 |
|
Daarop was de gemeente die
in heel Judea en Galilea en Samaria in vrede, en werd opgebouwd en
onderwezen in de
eerbied voor God en de troost van de heilige adem en ze groeide. |
|
32 |
|
Op een dag, terwijl Simon
onderweg was tussen de steden, hij ook afdaalde naar de heiligen die in de
stad
Lydda verbleven. |
|
33 |
|
En hij ontmoette een zekere
man die
Eneas heette die op een draagbed lag en acht jaar verlamd was. |
|
34 |
|
En Simon zei hem: "Eneas,
Jezus, de Gezalfde geneest je! Sta op en maak je bed op!" En onmiddellijk
stond hij op. |
|
35 |
|
En iedereen die in Lydda en
Saron woonde keerde tot God. |
|
36 |
|
Nu was er een zekere
leerlinge in de stad Joppe die Tabitha heette. Zij was rijk in goede daden
en weldaad die ze deed. |
|
37 |
|
Zij werd ziek op een zeker
moment en stierf. Men waste haar en legde haar in een bovenkamer. |
|
38 |
|
Maar de leerlingen hoorden
dat Simon in de stad Lydda was, die naast Joppe ligt. En twee mannen gingen
naar hem toe om te vragen dat hij zonder vertraging naar hen toe zou komen. |
|
39 |
|
Dus stond Simon op en ging
met hen mee. Toen hij kwam werd hij naar de bovenkamer gebracht. Daar
stonden rondom hem alle weduwen te huilen en zij toonden hem de kleding en
de mantels die Tabitha hen had gegeven toen ze nog leefde. |
|
40 |
|
Maar Simon liet alle mensen
naar buiten, boog zich neer op zijn knieën en bad. En hij richte zich naar
het lichaam en zei: "Tabitha, sta op!" En ze opende haar ogen. Toen ze Simon
zag ging ze zitten. |
|
41 |
|
En hij reikte haar de hand,
richtte haar op, riep de heiligen en de weduwen en toonde haar levend aan
hen. |
|
42 |
|
Dit dit raakte bekend in
heel de stad en velen geloofden in onze Heer. |
|
43 |
|
En hij verbleef een niet
gering aantal dagen in Joppe, in het huis van Simon, een leerlooier. |
|
Hoofdstuk 10 |
|
1 |
|
Nu was er in Cesarea een
man, een zekere Centurion, die Cornelius heette, van een
regiment dat 'De Italiaan' heette. |
|
2 |
|
En hij was rechtvaardig en
vreesde God samen met zijn huisgezin. En hij deed vele weldaden onder de
mensen en smeekte altijd tot God. |
|
3 |
|
Deze [man] zag een
boodschapper van God in een helder visioen, rond drie uur in de middag, die
naar hem toe kwam en tot hem zei: "Cornelius!" |
|
4 |
|
En hij keek naar hem en was
bang: "Wat, mijn heer?" En de boodschapper zei hem: "Uw weldaad en uw
gebeden zijn opgestegen tot aandenken van God! |
|
5 |
|
Stuur nu mannen naar de stad
Joppe en haal Simon die Petrus wordt genoemd. |
|
6 |
|
Zie, hij verblijft in het
huis van Simon die leerlooier is, dat vlaak aan de zeekust ligt." |
|
7 |
|
Toen de boodschapper die met
hem sprak was weggegaan, riep hij twee zonen van zijn gezin en een zekere
knecht, die God respecteerde, iemand die gehoorzaamde. |
|
8 |
|
En hij vertelde hun alles
wat hij had gezien en stuurde hen naar Joppe. |
|
9 |
|
De volgende dag, toen zij op
weg waren en de stad naderden, ging Simon om twaalf uur op het dak bidden. |
|
10 |
|
En hij kreeg honger en wilde
iets eten. Terwijl men iets voor hem klaarmaakte raakte hij in trance. |
|
11 |
|
En hij zag de hemel geopend
worden en een zeker kleed dat aan vier hoeken werd vastgehouden en het leek
op een groot linnen kledingstuk dat neerdaalde vanuit de hemel naar de aarde. |
|
12 |
|
Daarin waren allemaal
viervoetige schepselen, en kruipende dingen van de aarde en vogels van de
hemel. |
|
13 |
|
En een stem kwam tot hem die
zei: "Simon, sta op, slacht en eet!" |
|
14 |
|
Simon zei: "God verbiede,
Heer, want nooit heb ik iets gegeten dat ontheiligd en onrein is!" |
|
15 |
|
Opnieuw, een tweede keer
kwam een stem tot hem: "Wat God heeft gereinigd moet je niet als onrein
beschouwen." |
|
16 |
|
Dit gebeurde drie keer en
het kleed werd opgenomen in de hemel. |
|
17 |
|
Terwijl Simon zich afvroeg
wat het visioen dat hij had gezien betekende, kwamen die mannen door
Cornelius waren gestuurd en informeerden naar het huis waar Simon in
verbleef. En zij kwamen en stonden aan de poort van het binnenhof. |
|
18 |
|
En zij riepen daar en
vroegen: "Verblijft Simon die Petrus wordt genoemd hier?" |
|
19 |
|
Terwijl Petrus over het
visioen nadacht zei de adem tot hem: "Zie, drie mannen zoeken je! |
|
20 |
|
Ga naar beneden en ga zonder
aarzelen met hen mee want ik ben degene die hen heeft gezonden." |
|
21 |
|
Toen daalde Simon af naar
die mannen en zei hun: "Ik ben degene die u zoekt. Wat is de reden dat u
bent gekomen?" |
|
22 |
|
Ze zeiden hem: "Een zekere
man die Cornelius heet, een centurion, een rechtvaardig man die God
respecteert, en over wie alle joden van het volk getuigenis geven. Hem werd
verteld in een visioen door een heilige boodschapper om iemand aan u te
sturen en u naar zijn huis te brengen zodat hij het woord van u kan horen." |
|
23 |
|
En Petrus liet hen naar naar
binnen en ontving hen daar waar hij verbleef. En hij stond aan het einde van
de dag op en vertrok en ging met hen mee en enkele broeders uit Joppe gingen
mee. |
|
24 |
|
De volgende dag ging hij
Cesarea binnen en Cornelius verwachtte hen terwijl met hem zijn hele familie
was verzameld en ook zijn geliefde vrienden die hij had. |
|
25 |
|
Toen Simon naar binnen ging,
ging Cornelius naar hem toe, viel neer aan zijn voeten en eerde hem. |
|
26 |
|
Maar Simon deed hem opstaan
en zei hem: "Sta op, ook ik ben een man!" |
|
27 |
|
Terwijl hij met hem sprak
ging hij naar binnen en vond velen die daar waren gekomen. |
|
28 |
|
En hij zei hun: "Jullie
weten dat het niet toegestaan is voor een jood zich te associëren met een
buitenlander die niet uit de zonen van zijn stam zijn, maar God toonde me
dat men niet moet zeggen over een persoon [dat hij] onrein of verontreinigd
is. |
|
29 |
|
Daarom ben ik meteen gekomen
toen u mij liet roepen, maar ik vraag u waarom u mij liet roepen?" |
|
30 |
|
Cornelius zei hem: "Vier
dagen geleden was ik aan het vasten, en zie, om drie uur in de middag bad ik
en stond een zekere man in wit gekleed in mijn huis voor mij! |
|
31 |
|
En hij zei me: 'Cornelius,
uw gebed is gehoord en uw weldaad is een aandenken voor God. |
|
32 |
|
Stuur iemand naar Joppe en
breng Simon die Petrus wordt genoemd, zie, hij verblijft in het huis van
Simon de leerlooier aan de zeekust. Hij zal komen en met u spreken.' |
|
33 |
|
Onmiddellijk stuurde ik
iemand naar u, en u deed goed te komen! Zie, wij allen staan voor u en
willen alles horen wat God aan u opgedragen heeft." |
|
34 |
|
En Simon opende zijn mond en
zei: "Werkelijk, ik zie dat God niet partijdig is! |
|
35 |
|
Maar onder alle mensen die
hem respecteren en rechtvaardig werken zijn voor hem acceptabel. |
|
36 |
|
Want hij heeft het Woord
naar de zonen van Israël gezonden en gaf hen hoop, vrede en rust door Jezus,
de Gezalfde. Hij is de Heer van allen. |
|
37 |
|
En weet ook dat het woord in
heel Judea was, het ging uit van Galilea na de doop die Johannes predikte, |
|
38 |
|
over Jezus die uit Nazareth
was; God zalfde hem met heilige adem en met kracht. En hij is degene die
rondreisde en hen genas die verdrukt waren door kwaad, want God was met hem. |
|
39 |
|
En wij zijn de getuigen van
hem van elk ding dat hij deed en heel het land van Judea en Jeruzalem. Deze
zelfde hingen de Judeeërs aan een hout en zij doodden hem. |
|
40 |
|
En God wekte hem op, op de
derde dag en stond hem toe dat hij openlijk werd gezien, |
|
41 |
|
maar niet aan alle mensen
maar aan ons, die waren verkozen door God om getuigen met hem te zijn, want
wij aten en dronken met hem na zijn opstanding uit de doden. |
|
42 |
|
En hij gaf ons opdracht om
te prediken en te getuigen aan alle mensen dat hij degene is die was
aangesteld door God om rechter te zijn van de levenden en van de doden. |
|
43 |
|
Over hem getuigden alle
profeten, dat wie in zijn naam geloven vergeving van zonden zullen ontvangen." |
|
44 |
|
Terwijl Simon deze woorden
sprak, daalde de heilige adem op hen allen neer die het woord aanhoorden. |
|
45 |
|
En de besneden broeders die
met hem meekwamen waren verbaasd en sprakeloos, dat zelfs de gave van
heilige adem op niet-joden werd uitgestord. |
|
46 |
|
Want zij hoorden hen spreken
in verschillende talen en zij maakten God groots. En Simon zei: |
|
47 |
|
Waarom zou iemand water
onthouden zodat zij die de heilige adem hebben ontvangen zoals wij niet
worden gedoopt? |
|
48 |
|
Toen gaf hij hen opdracht
gedoopt te worden in de naam van onze Heer Jezus, de Gezalfde en zij vroegen
hem om enkele dagen bij hen te blijven. |
|
Hoofdstuk 11 |
|
1 |
|
En het werd gehoord door de
apostelen en de broeders die in Judea waren dat zelfs de niet-joden het
woord van God hadden ontvangen. |
|
2 |
|
Terwijl Simon opging naar
Jeruzalem gingen de besnedenen die met hem waren argumenteren. |
|
3 |
|
En zij bleven zeggen dat hij
bij onbesnedenen naar binnen was gegaan en met hen had gegeten. |
|
4 |
|
Maar Simon bleef hen
herhaaldelijk uiteenzetten en zei: |
|
5 |
|
"Toen ik in Joppe aan het
bidden was, zag ik in een droom een bepaald kledingstuk neerdalen dat op een
linnen kleed leek. En het werd vastgehouden aan zijn vier hoeken en helemaal
naar mij uit de hemel neergelaten. |
|
6 |
|
En ik keek ernaar en zag dat
er dieren in zaten; viervoeters en insecten uit de aarde en zelfs vogels uit
de hemel. |
|
7 |
|
En ik hoorde een stem die me
zei: 'Simon, sta op, slacht en eet!' |
|
8 |
|
En ik zei: 'God verbiede,
Heer, want nooit is mijn mond iets onreins en onheiligs binnengegaan!' |
|
9 |
|
Opnieuw zei de stem uit de
hemel tegen mij: 'Wat God heeft gereinigd moet je niet als onrein beschouwen!' |
|
10 |
|
Dit gebeurde drie keer en
alles werd opgenomen in de hemel. |
|
11 |
|
En op dat moment stonden
drie mannen die door Cornelius uit Cesarea waren gestuurd voor de poort van
het binnenhof waar ik verblijf hield. |
|
12 |
|
En de adem zei me om zonder
aarzelen met hen mee te gaan. Ook kwamen ook zes andere broeders met me mee
en we gingen in het huis van die man. |
|
13 |
|
En hij vertelde ons hoe hij
een boodschapper in zijn huis zag staan die hem zei: 'Stuur iemand naar de
stad Joppe en breng Simon die Petrus wordt genoemd, |
|
14 |
|
en hij zal met u spreken
waardoor u en heel uw huisgezin zullen leven. |
|
15 |
|
Zodra ik wegging om er te
spreken, rustte de heilige adem op hen zoals het op ons voorheen deed. |
|
16 |
|
En ik herinnerde me het
woord van onze Heer toen hij zei: 'Johannes doopte jullie met water, maar
jullie zullen dopen met de heilige adem.' |
|
17 |
|
Als God daarom de gave
evenredig geeft aan de niet-joden die in onze Heer Jezus de Gezalfde
geloofden als aan ons, wie ben ik dat ik God zou kunnen tegenstaan?" |
|
18 |
|
Toen ze deze woorden hoorden,
kalmeerden ze en eerden God en zeiden: "Misschien heeft God ook de
niet-joden vergeving tot leven gegeven!" |
|
19 |
|
En degenen die waren
verstrooid door vervolging die gebeurde vanwege Stefanus bereikten zelfs
helemaal Fenicië, zelfs het land van Cyprus en Antiochië terwijl zij met
niemand behalve de joden een woord spraken. |
|
20 |
|
Nu waren er mannen onder hen
van Cyprus en van Cyrene die Antiochië binnenkwamen en met Grieken spraken
en onze Heer Jezus verkondigden. |
|
21 |
|
De hand van Jah was met hen
en velen gingen geloven en keerden hun gezicht tot Jah. |
|
22 |
|
En het werd bekend aan de
zonen van de gemeente in Jeruzalem en zij zonden Barnabas naar Antiochië. |
|
23 |
|
Toen hij daar aankwam en hij
de genade van God zag verheugde hij zich en vroeg hen dat zij met heel hun
hart volgelingen van onze Heer zouden zijn. |
|
24 |
|
Omdat hij een goed man was,
en vol van heilige adem en geloof was, werden veel mensen toegevoegd aan
onze Heer. |
|
25 |
|
En hij vertrok naar Tarsus
om Saulus te zoeken. |
|
26 |
|
Toen hij hem vond bracht een
heel jaar te Antiochië met hem door in eenheid. En zij waren deel van de
gemeente en onderwezen veel mensen. Vanaf die tijd werden de leerlingen in
Antiochië voor het eerst
geroepen tot 'Christenen'. |
|
27 |
|
In die dagen kwamen profeten
uit Jeruzalem naar die plaats, |
|
28 |
|
en onder hen stond iemand op
die Agabus heette die hen door de adem voorzei dat een grote hongersnood zou
gebeuren in het hele land. Deze hongersnood gebeurde in de dagen van Ceasar
Claudius. |
|
29 |
|
Daarop besloten de
leerlingen, ieder naar zijn vermogen, om iets opzij te zetten voor hulp aan
de broeders die in Judea woonden. |
|
30 |
|
Dit deden zij, en zij
verzonden het naar de ouderlingen daar, door Barnabas en Saulus. |
|
Hoofdstuk 12 |
|
1 |
|
In die tijd werd de hand
geslagen aan sommigen in de gemeente om hen te mishandelen door Herodus de
koning die Agrippus werd genoemd. |
|
2 |
|
En hij doodde Jakobus, de
broer van Johannes met het zwaard. |
|
3 |
|
Toen hij zag dat dit
aangenaam voor de joden was ging hij door om ook Simon Petrus gevangen te
nemen. Dit was in de dagen van de ongezuurde broden. |
|
4 |
|
Hij liet hem oppakken en
zette hem in de gevangenis en leverde zestien soldaten om hem te bewaken
zodat hij hem na Pesach kon overdragen aan het volk van de joden. |
|
5 |
|
Terwijl Simon werd bewaakt
in de gevangenis zond de gemeente een langdurend gebed tot God voor zijn
zaak. |
|
6 |
|
Die zelfde nacht bij het
gloren van de ochtend bereidde men voor om hem over te leveren terwijl Simon
geboeid lag te slapen tussen twee soldaten en hij was geboeid met twee
kettingen en anderen bewaakten de poort van de gevangenis. |
|
7 |
|
Een boodschapper van Jah
stond boven hem en licht scheen in heel het gebouw. Hij tikte hem op zijn
zijde en maakte hem wakker en zei: "Sta snel op!" En de kettingen vielen van
zijn handen. |
|
8 |
|
De boodschapper zei hem: "Kleed
je aan en doe je sandalen aan." En dat deed hij. Opnieuw zei hij: "Doe je
mantel om en volg me." |
|
9 |
|
Hij ging naar buiten en
volgde hem maar hij wist niet dat het echt gebeurde. |
|
10 |
|
Nadat zij de eerste en de
tweede bewaking passeerden, kwamen zij uiteindelijk bij de ijzeren poort die
uitzichzelf open ging, en daarna gingen zij naar buiten en liepen een straat
uit. Daarna vertrok de boodschapper van hem. |
|
11 |
|
Toen begreep Simon het en
zei: "Nu weet ik werkelijk dat Jah zijn boodschapper heeft gezonden en me
heeft bevrijd uit de handen van koning Herodus en van wat hij en de Judeeërs
met me van plan waren." |
|
12 |
|
Na dit begrip kwam hij bij
het huis van Maria, de moeder van Johannes die Markus werd genoemd, omdat er
veel broeders waren vergaderd die baden. |
|
13 |
|
Toen hij klopte op de poort
van het binnenhof kwam een meisje naar buiten om hem te antwoorden die
Rodhé heette. |
|
14 |
|
En ze herkende de stem van
Simon maar van vreugde opende ze de poort niet voor hem maar rende snel
terug en zei hun: "Zie, aan de poort staat Simon!" |
|
15 |
|
Zij zeiden haar: "Je bent in
de war!" maar zij hield vol dat het zo was dus zeiden zei haar: "Misschien
is het zijn boodschapper!" |
|
16 |
|
En simon bleef kloppen aan
de poort dus gingen zij naar buiten en zagen hem en zij waren verbaasd! |
|
17 |
|
Hij gebaarde stilte met zijn
hand, ging naar binnen en vertelde hun hoe Jah hem uit de gevangenis had
gehaald en zei hun deze dingen door te spelen aan
Jakobus en onze broeders. En hij ging naar buiten en vertrok naar een
andere plek. |
|
18 |
|
Nadat het ochtend was
geworden, ontstond er een grote beroering onder de soldaten om Simon over
wat er met hem was gebeurd. |
|
19 |
|
Herodus nu zocht hem maar
kon hem niet vinden, veroordeelde de bewakers tot de dood en vertrok uit
Judea en verbleef in Cesarea. |
|
20 |
|
Omdat hij kwaad was op de
Tyriërs en de Sidoniërs vergaderden zij en kwamen bijeen en overtuigden zij
Blastus, de kamerheer van de koning, en vroegen hem
landgrond omdat de bevoorrading van hun gebied uit het koninkrijk van
Herodus was. |
|
21 |
|
Op een bekende dag, was
Herodus in koninklijke kleding gekleed en zat op zijn zetel en sprak met de
menigten. |
|
22 |
|
En de menigten riepen allen
uit en bleven zeggen: "Deze uitspraken zijn van god en niet van mensen!" |
|
23 |
|
Omdat hij geen eer aan God
gaf op dat moment, sloeg de engel van Jah hem; met uitzaaiing van wormen
stierf hij. |
|
24 |
|
En het goede nieuws van God
werd verkondigd en het bleef groeien. |
|
25 |
|
Nu keerden Barnabas en
Paulus terug van Jeruzalem naar Antiochië nadat zij hun dienst hadden
voltooid en zij namen Johannes die Markus heette met zich mee. |
|
Hoofdstuk 13 |
|
1 |
|
Nu waren in de gemeente van
Antiochië profeten en leraren; Barnabas en Simeon die Niger werd genoemd,
Lucius uit de stad Cyrene en Manaën, een zoon van de school van
districtsregeerder Herodus en Saulus. |
|
2 |
|
Toen zij vastten en smeekten
tot God zei de heilige adem tot hen: "Stel me Saulus en Barnabas tot
beschikking om te doen waarvoor ik hen heb geroepen." |
|
3 |
|
Nadat zij hadden gevast en
gebeden legden zij handen op hen en zonden zij hen uit. |
|
4 |
|
Toen zij werden uitgezonden
door de heilige adem daalden zij af naar Seleucië en vandaar uit reisden zij
via de zee naar Cyprus. |
|
5 |
|
Nadat zij de stad Salamis
kwamen verkondigden zij het woord van de Heer in de gemeente van de joden en
Johannes diende hen. |
|
6 |
|
En nadat zij het hele eiland
hadden doorgetrokken kwamen zij bij de stad Pafos. Zij vonden een zekere
joodse magiër die een profeet was en
Barjezus heette. |
|
7 |
|
Deze man was volgeling van
een wijs man, de proconsul, die Sergius Paulus heette. En de de proconsul
riep Saulus en Barnabbas en wilde meer van het woord van God van hen horen. |
|
8 |
|
Nu ging deze magiër Barjezus
(wat vertaald is van zijn naam
Elymas) tegen hen opstaan omdat hij de proconsul van het geloof wilde
afkeren. |
|
9 |
|
En Saulus die Paulus werd
genoemd werd gevuld met heilige adem en keek hem aan, |
|
10 |
|
en zei: "O vol van bedrog en
alle het kwaad van de Tegenstander en vijand van alle rechtvaardigheid! Zult
u niet ophouden het rechte
Paden van Jah te bederven? |
|
11 |
|
Nu is de hand van Jah op u
en u zult blind zijn en de zon een tijdje niet zien!" Op dat moment viel een
donkere mist op hem en ging hij rondtasten en zocht iemand die hem bij de
handen zou leiden. |
|
12 |
|
Nadat de proconsul het
gebeurde had gezien, verbaasde hij zich en geloofde in de leer van Jah. |
|
13 |
|
Paulus en Barnabbas reisden
nu via de zee vanaf de stad Pafos en ze kwamen in Perge in Pamfilië terwijl
Johannes zich afscheidde van hen en naar Jeruzalem ging. |
|
14 |
|
Maar zij vertrokken uit
Perge en kwamen in Antiochië, een Pisidische stad, en zij gingen naar de
vergadering en gingen zitten op de sabbatdag. |
|
15 |
|
Nadat de Thora en de
Profeten waren gelezen riepen de ouderlingen van de gemeente hen en zij
zeiden: "Mannen, broeders, hebt u een vertroostend woord te delen met de
mensen?" |
|
16 |
|
En Paulus stond op, gebaarde
met zijn hand en zei: "Mannen, zonen van Israël en wie God vrezen, luister; |
|
17 |
|
De God van deze mensen koos
onze voorvaders, deed hen uitblinken en maakte hen groot toen zij
vreemdelingen in het land Egypte waren toen hij hen met een sterke arm naar
buiten leidde. |
|
18 |
|
En hij voedde hen veertig
jaar in de wildernis. |
|
19 |
|
Hij vernietigde zeven natiën
in het land Kanaän en gaf aan hen hun land als erfgoed. |
|
20 |
|
Vierhonderdvijftig jaar lang
gaf hij hen rechters tot de profeet Samuël. |
|
21 |
|
En zij vroegen hem een
koning en God gaf hun veertig jaar Saul, de zoon van Kis, een man uit de
stam Benjamin. |
|
22 |
|
En hij nam hem weg en deed
koning David opkomen en getuigde van hem en zei: 'Ik heb David, de zoon van
Isaï, een man van mijn hart gevonden en hij zal mijn hele wil doen.' |
|
23 |
|
Uit de nakomelingen van deze
man deed de God van Israël zoals beloofd een man voortkomen, de redder Jezus. |
|
24 |
|
En hij stuurde Johannes om
zijn komst te verkondigen; de doop van berouw tot alle mensen van Israël. |
|
25 |
|
Nadat Johannes zijn dienst
voltooide zei hij: 'Wie verwacht u dat ik ben? Niet ik ben [het] maar zie!
Van hem die na mij komt ben ik niet waardig de riemen van zijn sandalen los
te maken.' |
|
26 |
|
Mannen, broeders, zonen van
de stam van Abraham en degenen onder u die God vrezen; aan U wordt het woord
van redding verkondigd. |
|
27 |
|
Want die bewoners van
Jeruzalem en hun leiders begrepen en de boeken van de Profeten niet, die
elke week worden gelezen, maar veroordeelden hem en vervulden alles wat is
geschreven. |
|
28 |
|
Terwijl zij geen reden
konden vinden voor doodstraf, verzochten zij Pilatus hoe dan ook, zodat zij
hem konden doden. |
|
29 |
|
Nadat alles werd vervuld wat
was geschreven over hem, namen zij hem van het hout af en legden hem in de
graftombe. |
|
30 |
|
Maar God wekte hem op uit de
doden. |
|
31 |
|
En hij werd vele dagen
gezien door degenen die met hem opgingen van Galilea naar Jeruzalem en zij
zijn nu zijn getuigen voor het volk. |
|
32 |
|
Ook wij, zie! Wij prediken u
de belofte die aan onze voorvaders werd gedaan. |
|
33 |
|
Zie, God heeft heeft het
voor ons, zijn kinderen, voltooid toen hij Jezus opwekte. Er stond
geschreven in de tweede Psalm: 'Je bent mijn Zoon; vandaag heb ik je
ontvangen.' |
|
34 |
|
Dus wekte God hem uit de
doden zodat hij niet meer verrotting zou zien zoals hij zei: 'Ik zal u de
genade van de getrouwe David schenken.' |
|
35 |
|
En ook zei hij op een andere
plaats: 'U hebt uw loyale niet toegestaan verrotting te zien.' |
|
36 |
|
Want David diende
in zijn tijd, de wil van God, stierf en werd bij zijn voorvaders gelegd
en zag verrotting. |
|
37 |
|
Maar deze man, die door God
werd opgewekt, zag geen verrotting. |
|
38 |
|
Begrijp daarom, mijn
broeders, dat door deze man aan u de vergeving van zonden worden
aangekondigd. |
|
39 |
|
En allen die niet door de
wet van Mozes konden worden gerechtvaardigd; hierbij is iedereen die in hem
gelooft gerechtvaardigd! |
|
40 |
|
Pas daarom op dat de dingen
over u komen die zijn geschreven door de profeten: |
|
41 |
|
'Pas op, jullie minachtenden,
wees verbijsterd en verga want ik zal een werk doen in jullie dagen dat
jullie niet zullen geloven, zelfs als iemand [het] u vertelt!'" |
|
42 |
|
Terwijl zij van hun vandaan
gingen verzochten zij hen op een andere sabbat deze woorden tot hen te
spreken. |
|
43 |
|
Nadat de vergadering naar
huis was gegaan, gingen veel joden (zelfs proselieten die God respecteerden)
achter hen aan en
zij spraken en overtuigden hen om in de genade van God te blijven. |
|
44 |
|
De volgende sabbat
vergaderde de hele stad om het woord van God te horen. |
|
45 |
|
Maar toen de joden de grote
menigte zagen werden zij vol jalozie en weerstonden de woorden van Paulus
beter en zij bleven kwaad spreken. |
|
46 |
|
Toen zeiden Paulus en
Barnabbas hen openlijk: "Eerst moest het woord van God tot u gesproken
worden, maar omdat u het hebt verworpen, hebt u tegen uzelf besloten en bent
u onwaardig voor het eeuwige leven, dus zie maar, wij keren ons tot de
niet-joden!" |
|
47 |
|
Want zo heeft onze Heer ons
opgedragen zoals staat geschreven: 'Ik heb jullie voorbereid om een licht te
zijn voor de niet-joden, dat jullie zullen zijn tot de grenzen van de aarde.' |
|
48 |
|
Toen de niet-joden dit
hoorden waren zij blij en eerden God. En zovelen zich aanbevolen voor eeuwig
leven gingen geloven. |
|
49 |
|
En het woord van Jah werd
verkondigd door heel dat gebied. |
|
50 |
|
Maar de joden stookten de
leiders van de stad op en de rijke vrouwen die God met hen aanbaden zodat
zij een vervolging veroorzaakten tegen Paulus en Barnabbas en zij joegen hen
buiten hun grenzen. |
|
51 |
|
Toen zij weggingen schudden
zij het stof van hun voeten en kwamen in de stad Ikonium. |
|
52 |
|
De leerlingen raakten vol
vreugde en heilige adem. |
|
Hoofdstuk 14 |
|
1 |
|
En zij kwamen en gingen de
vergadering van joden binnen en spraken zo onder hen dat vele joden en
Grieken gingen geloven. |
|
2 |
|
Maar die joden die niet
overtuigd raakten stookten de niet-joden op om de broeders te mishandelen. |
|
3 |
|
Die dagen bleven velen
openlijk verkondigen over Jah. En Hij getuigde van het woord van zijn
vergeving met tekenen en met wonderen die hij liet verrichten door hun
handen. |
|
4 |
|
En alle mensen van de stad
raakten verdeeld om hen. Er waren er met de joden en sommigen bleven bij de
apostelen. |
|
5 |
|
Nu kwam er een dreiging over
hen vanuit de niet-joden en van de joden en hun leiders om hen te kunnen
stenigen. |
|
6 |
|
Nadat zij dit ontdekten
vertrokken zij en vluchtten naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe en
de dorpen eromheen. |
|
7 |
|
En zij bleven daar prediken. |
|
8 |
|
Een zekere man zat in de
stad Lystra die ziek was. Zijn benen waren lam vanaf de geboorte door zijn
moeder. En hij kon niet lopen. |
|
9 |
|
Deze [man] luisterde naar
Paulus toen hij sprak. Daarna zag Paulus hem en zag dat hij geloof had om te
worden genezen. |
|
10 |
|
Hij zei hem met een leide
stem: "Ik zeg je in naam van de Heer Jezus de Gezalfde; sta op je benen!" En
hij sprong op en liep! |
|
11 |
|
Maar de menigte mensen zag
wat Paulus deed en zij verhieven hun stem in de plaatselijke taal en zeiden:
"De goden lijken op mensen en zijn naar ons afgedaald!" |
|
12 |
|
En zij noemden Barnabbas 'de
oppergod' en Paulus 'Hermes' omdat hij woordvoerder was. |
|
13 |
|
En de priester van de
oppergod, die van buiten de stad was, bracht stieren en kransen naar de de
ingang van het hof waar zij verbleven en wilde hen een offer aanbieden. |
|
14 |
|
Toen Barnabbas en Paulus [dit]
hoorden scheurden zij hun mantels, sprongen op, en gingen naar buiten tussen
de menigte en riepen uit, |
|
15 |
|
en zeiden: "Mannen, wat doet
u? Wij zijn ook gewone mensen zoals u die tot u prediken dat u zich van deze
nutteloze dingen afkeert voor de levende God die hemel, aarde en de zee
maakte en alle dingen die daarin zijn, |
|
16 |
|
die alle niet-joden vroeger
toestond dat ze hun eigen weg gingen, |
|
17 |
|
Desondanks bleef hij niet
zonder getuigenis dat hij
veel voor hen deed, namelijk dat hij regen deed neervallen en hij
vruchten in hun seizoenen deed groeien en vulde hun harten met met voedsel
en blijheid." |
|
18 |
|
Toen hij deze dingen had
gezegd, konden zij de mensen nog net weerhouden dat zij hen geen offer
aanboden. |
|
19 |
|
Nu kwamen daar joden uit
Ikonium en Antiochië, en zij stookten de mensen tegen hen op en zij
stenigden Paulus en sleepten hem weg uit de stad want ze dachten dat hij was
gestorven. |
|
20 |
|
En de leerlingen verzamelden
zich rondom hem, maar hij stond op en ging de stad binnen. De volgende dag
vertrok hij van daar met Barnabbas en kwam in de stad Derbe. |
|
21 |
|
Toen zij gingen verkondigen
tot de inwoners van die stad maakten zij vele leerlingen en keerden zij
terug naar Lystra en de stad Ikonium en Antiochië. |
|
22 |
|
Nadat zij de leerlingen
hadden aangemoedigd smeekten zij hen om standvastig in het geloof te blijven
en zeiden hun: "Door veel vervolging is het mogelijk het koninkrijk van God
binnen te gaan." |
|
23 |
|
En zij stelden in elke
gemeente ouderlingen voor hen aan nadat zij met hen hadden gevast en gebeden
en zij droegen hen op aan de Heer in wie zij geloofden. |
|
24 |
|
Terwijl zij het land van
Pisidië doortrokken kwamen ze in Pamfilië. |
|
25 |
|
Nadat zij het woord van Jah
in de stad Perge spraken daalden zij af naar Attalia. |
|
26 |
|
Van daar reisden zij via zee
en kwamen in Antiochië want daar waren zij toegewijd aan de genade van Jah
en het werk dat zij hadden voltooid. |
|
27 |
|
Nadat zij de hele gemeente
hadden vergaderd, deelden zij alles mee wat God onder hen had gedaan en dat
hij de deur van geloof had geopend voor de niet-joden. |
|
28 |
|
Zij bleven daar een lange
tijd bij de leerlingen. |
|
Hoofdstuk 15 |
|
1 |
|
Nu daalden mannen van Judea
af die de broeders leerden: "Behalve als jullie zijn besneden op de manier
van Mozes, kunnen jullie niet worden gered." |
|
2 |
|
En er ontstond grote
commotie en een discussie tussen Paulus en Barnabbas met hen. Dus gingen
Paulus en Barnabbas en de anderen met hen vanwege deze discussie naar de
apostelen en de ouderlingen, die in Jeruzalem waren. |
|
3 |
|
De gemeente stuurde en
leidde hen en zij reisden door zowel heel Fenicië als Samaria terwijl zij
uitlegden over de bekering van de niet-joden en zij maakten dat alle
broeders grote vreugde hadden. |
|
4 |
|
Toen zij in Jeruzalem kwamen,
werden zij ontvangen door de gemeente en door de apostelen en de ouderlingen
en zij vertelden hen alles wat God onder hen had gedaan. |
|
5 |
|
Nu stonden diegenen uit de
Farizeeërs op die gelovig waren geworden, en zij zeiden: "Jullie moeten hen
besnijden en hen opdragen de wet van Mozes te onderhouden!" |
|
6 |
|
Dus vergaderden de apostelen
en de ouderlingen om deze zaak beter te bekijken. |
|
7 |
|
Nadat een grote discussie
was ontstaan, stond Simon op en zei hun: "Mannen broeders, jullie weten uit
mijn woord in vroegere dagen die God koos, dat de niet-joden het woord van
het goede nieuws zouden horen en zouden geloven. |
|
8 |
|
God weet wat in harten leeft
en getuigde over hen en gaf hen heilige adem zoals aan ons. |
|
9 |
|
Niets doet ons verschillen
tussen ons en hen, omdat hij hun harten heeft gereinigd vanwege geloof. |
|
10 |
|
En nu, waarom testen jullie
God door een
last op de nek van de leerlingen te leggen die zelfs onze voorouders
niet konden dragen? |
|
11 |
|
Maar dankzij de genade van
onze Heer Jezus de Gezalfde geloven we dat we worden gered en zij ook. |
|
12 |
|
Dus werd de hele menigte
stil terwijl zij bleven luisteren naar Paulus en Barnabbas toen zij elk ding
vertelden wat God via hun handen deed; tekenen en wonderen onder de
niet-joden. |
|
13 |
|
Nadat zij stil waren
geworden, stond Jakobus op en zei: "Mannen, broeders, luister naar mij. |
|
14 |
|
Simon vertelde u hoe God een
volk voor zijn naam begon te kiezen uit de niet-joden. |
|
15 |
|
Tot nu toe worden de woorden
van de profeten vervuld zoals is geschreven: |
|
16 |
|
'Na deze dingen zal ik
terugkeren en de gevallen tabernakel van David oprichten, en ik zal wat er
van af is gevallen weer bouwen en het oprichten, |
|
17 |
|
zodat de overigen van de
mensheid Jah mochten zoeken en ook alle niet-joodse geroepenen over wie mijn
naam genoemd.' Deze dingen zei Jah die dit alles doet. |
|
18 |
|
De werken van God zijn
bekend vanaf het begin. |
|
19 |
|
Daarom zeg ik; val degenen
uit de natiën die zich tot God keren niet lastig, |
|
20 |
|
maar laten wij hen ons woord
zenden, dat zij zich onthouden van verontreiniging door offers aan afgoden,
van hoererij en verstikte dieren en van
bloed. |
|
21 |
|
Want Mozes, had vanaf de
vroege eeuwen verkondigers in de gemeente in elke stad om zijn boeken te
lezen op elke sabbat." |
|
22 |
|
Toen kozen de apostelen en
ouderlingen met de hele gemeente mannen uit hun midden en zonden hen naar
Antiochië met Paulus en Barnabbas, namelijk Judas die Barsabbas en Silas
wordt genoemd, mannen die leiders onder de broeders waren. |
|
23 |
|
|