Home

Add to Favorites

 

Lamsa Bible:

 

 

 

RCL Websites:

All One Charity

iGod Book

Pantheism Unites

Aramaic Peshitta Bible Repository

Lamsa Bible Online

 

 

Download "Was the New Testament Really Written in Greek?"

 

 

 

Aramaic/Dutch Peshitta Translation - Acts

 

Hoofdstuk 1

1

 

Het vorige boek dat ik schreef, o Theofilus over alles wat onze Heer Jezus, de Gezalfde, begon te doen en te leren,

2

 

tot de dag waarop hij werd opgenomen nadat hij de Apostelen opdracht gaf, die hij had gekozen met heilige adem,

3

 

degenen aan wie hij zichzelf levend openbaarde, nadat hij had geleden, door talloze wonderen. Tijdens veertig dagen werd hij door hen gezien en sprak hij over het koninkrijk van God.

4

 

Terwijl hij met hen brood at gaf hij hun opdracht dat zij niet uit Jeruzalem zouden vertrekken, maar dat zij zouden wachten op de belofte van de Vader, op Hem over wie jullie van mij hebben gehoord.

5

 

"Want Johannes doopte met water en jullie zullen na niet veel dagen met heilige adem worden gedoopt."

6

 

Nu waren zij vergaderd en vroegen hem en zeiden hem: "Heer, zult u in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?"

7

 

Hij zei hun: "Het is niet aan jullie de tijd of tijden te weten die de Vader onder de autoriteit van Zijn Persoon heeft geplaatst."

8

 

Maar wanneer de heilige adem op jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en zullen jullie getuigen voor mij zijn in Jeruzalem, heel Judea, en ook onder de Samaritanen en tot de einden van de aarde."

9

 

Nadat hij deze dingen had gesproken zagen zij hoe hij werd opgenomen. Een wolk ontving hem en hij werd onzichtbaar voor hun ogen.

10

 

Terwijl zij in de hemel tuurden terwijl hij vertrok, ontwaarde men twee mannen die vlakbij hen stonden in witte kleding.

11

 

En zij zeiden tot hen: "Mannen van Galilea, waarom staat u in de hemel te turen? Deze Jezus werd van u opgenomen in de hemel. Zo zal hij komen, net zoals u hem zag opstijgen naar de hemel."

12

 

Daarna keerden zij van de berg die de Olijfberg wordt genoemd en ongeveer anderhalf kilometer van Jeruzalem af ligt, terug naar Jeruzalem 7 stadiën, mijl. Volgens Griekse hss 'één Sabbatsreis'. Een Sabbatsreis was maximaal 1000 meter. Op de Sabbat, mocht men officieel niet reizen, maar 1000 meter was via presendent (Farizeeën) toegestaan.

13

 

Toen zij de stad binnenkwamen, gingen zij naar het bovenvertrek waar Petrus, Johannes, Andreas en ook Filippus, Thomas, Mattheus, Bartholomeus en Jakobus, de zoon van Alfeus en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus verbleven.

14

 

En zij allen waren één, vasthoudend in gebed met één doel, samen met de vrouwen en met Maria, de moeder van Jezus en zijn broers.

15

 

In die dagen stond Simon Petrus onder hen op, in het midden van de leerlingen (er was nu een gemeente van ongeveer honderd twintig mensen) en hij zei:

16

 

"Mannen, broeders, het was juist dat de tekst werd vervuld die door heilige adem voorzei door het woord van David over Judas die een gids was voor wie hem grepen.

17

 

want hij werd met ons geteld en hij had deel in deze bediening.

18

 

Hij is degene die zich een veld verkreeg uit de beloning voor zonde, en viel met zijn gezicht op de grond, brak in midden en zijn ingewanden kwamen eruit.

19

 

En dit werd bekend aan allen die in Jeruzalem leefden, en zo werd dat veld in het dialect van dat gebied Akeldama genoemd, wat 'bloedveld' betekent.

20

 

Want er staat geschreven in het boek van Psalmen: 'Laat zijn verblijfplaats verlaten zijn.' en 'laat er geen bewoner in haar wonen en laat een ander zijn dienst [over]nemen'.

21

 

Het is daarom juist dat één van deze mannen, die al die tijd onder ons waren waarin onze Heer Jezus kwam en van ons wegging,

22

 

die uitging van de doop van Johannes tot de dag dat hij van ons werd opgenomen, zodat hij met ons een getuige van zijn opstanding kon zijn."

23

 

Dus wezen zij er twee aan, Jozef die Barsabbas heette, bijgenaamd Justus en Matthias.

24

 

Na gebed zeiden zij: "U, Jah, kent alle harten. Openbaar [ons] één, degene die u hebt gekozen uit deze twee mannen, Peshitta 'mar-Jah'. (heer Jah). Omdat het een citaat uit het OT betreft, is het passend De Naam JHWH uit te schrijven.

25

 

zodat hij het aandeel van de bediening en apostelschap mocht ontvangen dat Judas verliet, en hij hem vervangt.

26

 

En zij wierpen loten en het viel op Mattias en zo werd hij bij de elf apostelen geteld.

Hoofdstuk 2

1

 

Nadat de dagen van Pinksteren waren voltooid waren allen als één vergaderd.

2

 

Ineens was er een geluid in de lucht als het geluid van een krachtige adem en het hele huis waar zij in zaten, raakte ermee gevuld. SHMaYaA

3

 

En tongen als vuur verschenen en verspreidden zich onder elk van hen.

4

 

Allen van hen werden gevuld met heilige adem en zij werden gedrongen om in verschillende talen te spreken, zoals de adem het hun gaf te spreken.

5

 

Nu waren er mannen die in Jeruzalem leefden die de God van de joden vreesden, uit alle natiën onder de hemel.

6

 

Toen dat geluid klonk, verzamelden zich alle mensen in tumult omdat zij elke man onder hen, hoorde spreken in hun eigen taal.

7

 

Zij waren nu allen verbijsterd en vroegen zich af: "Zie, zijn dat niet Galileeërs?

8

 

Hoe [kunnen] wij elkaar horen in de taal waarmee wij zijn opgegroeid?

9

 

Parthen, Meden, Elamieten, zij die verblijven in Mesapotamië, Judeeërs, Kappadociërs, die uit de gebieden van Pontus en uit Asia,

10

 

die uit Frygië, Pamfylië, Egypte, uit de gebieden rond Libië naast Cyrene en zij die uit Rome komen, joden en proselieten,

11

 

die uit Kreta en Arabieren, zie! We horen hen verkondigen in onze taal over de wonderen van God!

12

 

En zij allen waren verbijsterd en verbaasd en zij bleven elkaar zeggen: "Wat gebeurt hier?"

13

 

Maar anderen bleven spotten en zij zeiden: "Dezen hebben nieuwe wijn gedronken en zijn dronken!"

14

 

Daarna stond Simon Petrus onder de elf apostelen op, verhief zijn stem en zei hun: "Mannen, joden, en allen die in Jeruzalem verblijven. Laat u allen dit bekend worden en let op mijn woorden!

15

 

Want het is niet, zoals u denkt, 'deze mannen zijn dronken', want zie, het is tot nu tot [maar] negen uur in de morgen!

16

 

maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:

17

 

'In de laatste dagen', zei God, 'zal ik mijn adem over alle personen uitstorten, en al uw zonen en dochters zullen profeteren, jonge mannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen zien.

18

 

op mijn knechten en en dienstmaagden zal ik mijn adem uitstorten. In die dagen zullen zij profeteren.

19

 

En ik zal tekenen in de hemel veroorzaken, en machtige daden op de aarde van bloed, vuur en rookkolommen.

20

 

De zon zal in duisternis veranderen en de maan in bloed, voordat de grote machtige dag van Jah zal komen.

21

 

En het zal zijn dat wie de naam van Jah aanroepen, gered zullen worden.'

22

 

Mannen, zonen van Israël; luister naar deze woorden. Jezus de Nazarener, een man die door God aan u werd getoond door wonderen, tekenen en machtige daden. Deze deed God onder u door zijn hand zoals u allen weet.

23

 

Deze man werd hierom geheiligd door zijn voorkennis en wil van God; u leverde hem in de handen van goddelozen en u hing en doodde hem.

24

 

Maar God wekte hem op en maakte de koorden van het dodenrijk los omdat het onmogelijk was dat hij in het dodenrijk zou worden vastgehouden. In griekse hss verkeerd vertaald met 'pijn'. 2 Samuël 22:6

25

 

Want David sprak over hem: 'Ik zag mijn Heer altijd vóór mij, want hij is aan mijn rechterhand, zodat ik niet verschrikt zou raken.

26

 

Daarom is mijn hart getroost, en mijn eer groot gemaakt. Zelfs mijn lichaam zal in stilte hopen,

27

 

want u zult mijn leven niet in het dodenrijk verlaten, of zult u uw Onschuldige ontbinding zien lijden. Psalmen 16 hebreeuws Khesidakh aramees Khasaykh betekent puur, onschuldig.

28

 

U hebt mij de levensweg geopenbaard, u zult mij vervullen met vreugde door uw tegenwoordigheid.'

29

 

Mannen, broeders, sta me toe vrij met u te spreken over de Patriarch David die gestorven is en ook begraven en van wie het graf tot vandaag bij ons is.

30

 

Want hij was een profeet, en hij wist dat God hem een eed had gezworen: "Uit de vrucht van uw lendenen zal ik een koning op uw troon verzekeren."

31

 

En hij voorzag en sprak over de opstanding van de Gezalfde dat hij niet in het dodenrijk zou worden gelaten of dat zijn lichaam ontbinding zou zien.

32

 

Deze Jezus werd door God opgewekt en wij zijn allen zijn getuigen.

33

 

Hij is degene die tot de rechterhand van God is verheven en heeft van de Vader de belofte ontvangen van de geest van heiligheid en hij heeft deze gift uitgestort. Zie! U ziet en hoort het!

34

 

Want het was niet David die tot de hemel opsteeg, want hij zei: "Jah zei tot mijn Heer: 'zet u aan mijn rechterhand,

35

 

totdat ik uw vijanden tot een voetbank aan uw voeten stel.'

36

 

Amen, laten daarom allen van het huis van Israël weten dat Jah God deze Jezus de Gezalfde heeft gemaakt, die u hebt gehangen."

37

 

Toen zij deze dingen hoorden waren zij verstomd: "Broeders, wat moeten we doen?"

38

 

Simon zei hun: "Keer u om en wordt gedoopt, elk van u, in de naam van Jah, van Jezus tot vergeving van zonden zodat u de gift van heilige adem mag ontvangen.

39

 

Want aan u en uw kinderen en allen die ver weg waren, was de belofte, dat God hen zal roepen.

40

 

En met vele andere woorden zou hij tot hen getuigen en hen smeken terwijl hij zei: 'Red uzelf van deze kromme generatie.'"

41

 

Sommigen van hen ontvingen zijn woord graag en geloofden en werden gedoopt. En op die dag sloten zich ongeveer drieduizend mensen aan. Lett. Zielen

42

 

En zij volhardden in het onderwijs van de apostelen en bleven gezamelijk bidden en brood breken, en alle mensen toonden respect. Grieks artos ongezuurd, matzes. Aramees 'D'eAOK,aRiS+iYaA'

43

 

Tekenen en grote daden werden verricht door de handen van de apostelen in Jeruzalem.

44

 

En allen die gingen geloven, waren als één en alles wat zij hadden, deelden zij gemeenschappelijk.

45

 

Zij die iets bezaten verkochten het en verdeelden het onder ieder naar behoefte.

46

 

Dagelijks waren zij volhardend in eenheid in de tempel. En thuis braken zij broden en ontvingen zij voedsel met vreugde en een zuiver hart,

47

 

terwijl zij God eerden en gunst vonden bij alle mensen. En onze Heer bleef dagelijks toevoegen aan wie leefden onder de gemeente.

Hoofdstuk 3

1

 

Dit gebeurde toen Simon Petrus en Johannes samen opgingen naar de tempel tijdens het gebed om drie uur.

2

 

Zie! een zekere man, verlamd van de schoot van zijn moeder, werd gedragen door mannen die hem gewoon waren hem te brengen en hem bij de poort van de tempel te zetten, die 'De Schone' werd genoemd zodat hij om gaven kon bedelen aan wie de tempel binnen gingen.

3

 

Toen deze man Simon en Johannes de tempel binnen zag gaan, vroeg hij hen iets te geven. letterlijk, aalmoezen, weldaad.

4

 

Simon en Johannes bekeken hem en zeiden hem: "Kijk naar ons!"

5

 

En terwijl hij naar hen keek verwachtte hij iets van hen te ontvangen.

6

 

Simon zei hem: "Goud en zilver heb ik niet, maar wat ik heb zal ik u geven in naam van Jezus, de Gezalfde, de Nazarener; Sta op, loop!"

7

 

En hij nam hem bij zijn rechterhand en deed hem opstaan, en meteen werden zijn voeten en zijn enkels heel,

8

 

en sprong hij op, stond en liep en ging met hen de tempel binnen terwijl hij liep, sprong en God eerde.

9

 

En alle mensen zagen hem terwijl hij liep en God eerde.

10

 

Zij herkenden dat hij die bedelaar was die de hele dag zat te vragen om giften bij de poort die 'De Schone' werd genoemd. En zij waren vol verbazing en vroegen zich af wat er was gebeurd.

11

 

Terwijl hij Simon en Johannes vasthield, renden alle verbaasde mensen naar de zuilengang die naar Salomo was genoemd.

12

 

Zodra Simon dit zag antwoordde hij en zei hun: "Mannen, zonen van Israël, waarom verbaast u zich over die man of over ons? Waarom kijkt u alsof het onze eigen kracht is of we het deden door onze autoriteit dat deze man kon lopen?

13

 

Hij, de God van Abraham en van Isaäk en van Jakob, de God van onze voorvaders heeft zijn Zoon groots gemaakt, Jezus, die u overleverde en ontkende in het gezicht van Pilatus, nadat hij reden zag hem te laten gaan.

14

 

Maar u ontkende de Heilige en de Rechtvaardige en u verzocht om u een moordenaar te worden [vrij]gegeven.

15

 

En de Prins van Leven die u doodde, [hem] heeft God opgewekt uit de doden en wij zijn allen zijn getuigen. of 'leider'

16

 

Geloof in zijn naam heeft deze man genezen die u ziet en kent, en het heeft hem sterk gemaakt. Het is het geloof in hem dat hem zijn genezing gaf voor u allen.

17

 

En nu, broeders, ik weet dat u deze onwetendheid deed net als uw leiders deden.

18

 

Maar die dingen die God heeft verkondigd door de mond van alle profeten dat zijn Gezalfde moest leiden, heeft hij aldus vervuld.

19

 

Heb daarom spijt, en keert u om zodat uw zonden worden uitgewist en tijden van rust voor u zullen komen van Jah.

20

 

Hij zond tot u wat hij voor u had voorbereid, Jezus de Gezalfde.

21

 

Die de hemel moest ontvangen totdat de voltooiing van de tijden van deze [dingen] moesten komen, gesproken door God via zijn heilige profeten uit de oudheid.

22

 

Want Mozes zei: 'Jah zal een profeet zoals ik opwekken uit het midden van uw broeders, luister naar hem in alles wat hij u zal zeggen.

23

 

En het zal zijn dat iedere persoon die niet naar die profeet luistert, zijn leven zal verliezen van zijn volk.' Ziel

24

 

En al hun profeten, vanaf Samuël en wie na hem kwamen, spraken en verkondigden over die dagen.

25

 

U bent de zonen van de profeten en van het verbond dat God sloot met onze voorvaders toen hij tegen Abraham zei: 'door uw zaad zullen alle stammen van de aarde worden gezegend.'

26

 

Nu was het eerst voor u dat God zijn Zoon aanstelde en zond om u te zegenen als u spijt hebt en omkeert van kwaad."

Hoofdstuk 4

1

 

Terwijl zij deze woorden tot de mensen spraken stonden de priesters en de Sadduceeën en de tempelleiders tegen hen op.

2

 

Want zij waren woedend op hen omdat zij de mensen onderwezen en de opstanding van de Gezalfde uit de doden verkondigden.

3

 

Dus grepen zij hen en bewaakten hen tot de volgende dag omdat de avond naderde.

4

 

En velen die deze woorden hoorden gingen geloven en zij waren ongeveer vijfduizend mensen in getal.

5

 

De volgende dag vergaderden de leiders, de ouderlingen en de Schriftgeleerden,

6

 

ook Annas, Kajafas de Hogepriester, Johannes en Alexander en een groepje overpriesters.

7

 

Nadat zij hen in hun midden hadden gesteld bleven zij hen vragen: "Door welke kracht of in welke naam hebt u dit gedaan?"

8

 

Daarop zei Simon Petrus (die vol van heilige adem was) hun: "Leiders van het volk en ouderlingen van het huis van Israël, luister;

9

 

Als wij vandaag werden geoordeeld door u over het goede dat de zieke man overkwam, hoe werd deze man dan genezen?

10

 

Laat dit u allen en de mensen van Israël bekend worden; dat in de naam van Jezus Christus, de Nazarener, degene die u hing, die God heeft doen opstaan uit de doden, door deze zelfde, zie! Deze man staat gezond voor u! Hier gebruikte Petrus Gezalfde als een naam en niet als een titel. compleet, volmaakt

11

 

Dit is de Steen die u, bouwlieden, hebt verworpen. En hij is de hoofdhoeksteen geworden. Fundamentsteen, in antieke tijden was dat de basis voor het huis.

12

 

En er is in niemand anders redding want er is geen andere naam onder de hemel gegeven die geschikt is om leven te ontvangen."

13

 

Toen zij de woorden van Simon en Johannes hoorden die zij vrijuit spraken, merkten zij dat zij de geschriften niet kenden en dat zij eenvoudig waren, waren zij verbaasd over hen en zij herkenden dat zij met Jezus te maken hadden gehad.

14

 

En zij zagen de verlamde man met hen staan die was genezen, maar zij konden niets tegen hen inbrengen.

15

 

Daarop gaven zij opdracht dat ze uit het joods gerechtshof werden verwijderd en bleven elkaar zeggen: Griekse tekst 'Sanhedrin', peshitta 'vergadering'

16

 

"Wat moeten we moeten met deze mannen doen? Want zie, een zichtbaar wonder is gebeurd door hun handen. Aan alle inwoners van Jeruzalem is [het] bekend en wij kunnen het niet ontkennen.

17

 

Maar, zodat dit zich niet verder verspreidt onder de mensen; laten we hen bedreigen zodat ze niet opnieuw tot iemand onder de mensenzonen zouden spreken in die naam."

18

 

Dus riepen zij hen en gaven hun opdracht dat zij absoluut niet tot iemand zouden spreken of onderwijzen in de naam van Jezus.

19

 

Simon Petrus en Johannes antwoordden en zeiden hun: "Als het juist is voor God dat wij u meer gehoorzamen dan God, oordeel zelf;

20

 

want wij kunnen niet over wat we hebben gezien en gehoord zwijgen."

21

 

Dus bedreigden zij hen en lieten hen gaan want zij konden geen aanklacht tegen hen indienen vanwege de mensen. Want iedereen eerde God om wat er was gebeurd,

22

 

want die man, met wie dat genezingswonder was gebeurd, was meer dan veertig jaar oud.

23

 

Toen zij werden vrijgelaten gingen zij naar hun broederschap en vertelden hen alles wat de priesters en ouderlingen hadden gezegd.

24

 

Zodra zij [dit] hoorden, verhieven zij als één hun stem tot God en zij zeiden: "Jah, u bent God, degene die hemel en aarde heeft gemaakt, en alles wat erin is.

25

 

En u bent degene die door heilige adem sprak door de mond van uw knecht David: 'Waarom zijn de natiën en de mensen woedend en maken zij loze plannen?

26

 

De koningen van de aarde zijn opgestaan, en regeerders hebben samengespannen als één tegen Jah en tegen zijn Gezalfde.'

27

 

Want in deze stad waren [zij] vergaderd tegen de Heilige, uw Zoon Jezus, degenen die u hebt Gezalfd; Herodus en Pilatus met de heidenen en de gemeente van Israël,

28

 

om alles te doen dat uw hand en uw wil hebben afgekondigd.

29

 

En zelfs nu, Jah, kijk en zie hun bedreigingen en geef uw knechten dat zij vrijuit uw woord zullen verkondigen.

30

 

Dat uw hand zich uitstrekt voor genezingen, machtige daden en er wonderen kunnen zijn in de naam van uw Zoon de Heilige, Jezus."

31

 

En nadat zij hadden gevraagd en gesmeekt, schudde de plaats waar zij waren vergaderd en werden allen gevuld met heilige adem zodat zij het woord van God vrijuit spraken.

32

 

Nu was de gemeente van gelovigen het eens in kracht en rede. Niemand van hen sprak van eigendom als ware het als van hem, maar alles wat zij hadden deelden zij.

33

 

Met grote overtuiging getuigden de apostelen van de opstanding van Jezus de Gezalfde. En zij genoten veel sympathie van allen.

34

 

En niemand onder hen kwam iets tekort, want wie huizen en velden bezaten verkochten ze en brachten de prijs van wat was verkocht

35

 

aan de voeten van de apostelen en het werd aan een ieder gegeven naar wat hij nodig zou hebben.

36

 

Jozef nu (die Barnabas werd genoemd door de apostelen, wat 'zoon van vertroosting' betekent, een leviet uit de buurt van Cyprus)

37

 

had een veld, verkocht het en bracht haar prijs op, en legde het aan de voeten van de apostelen.

Hoofdstuk 5

1

 

Er was een bepaalde man die Ananias heette, met zijn vrouw die Safira heette, die zijn veld verkocht. Khanan-Yah (aramees) Mooi

2

 

En hij nam de opbrengst, verborg het terwijl zijn vrouw ervan wist en bracht wat van het geld met zich mee en legde het aan de voeten van de apostelen. zilver

3

 

Maar Simon zei hem: "Ananias, waarom heeft de Tegenstander je hart zo gevuld dat je moet liegen tegen de heilige adem en wat geld van de opbrengst van het veld moest verbergen?

4

 

Wat het niet van jou vóór de verkoop en na de verkoop, had je niet opnieuw controle over haar opbrengst? Waarom heb je besloten om dit toneelstuk op te voeren? Heb je niet gelogen tegen God?"

5

 

Nadat Ananias deze woorden hoorde viel hij neer en stierf. En er ontstond een grote angst onder degenen die dit hoorden.

6

 

En enkele jongeren onder hen stonden op en namen hem naar buiten en begroeven hem.

7

 

Nadat er drie uur waren voorbijgegaan kwam ook zijn vrouw binnen terwijl zij niet wist wat er was gebeurd.

8

 

Simon zei haar: "Zeg me of je voor deze opbrengsten het veld hebt verkocht." En ze zei: "Ja, voor deze opbrengsten!"

9

 

Simon zei haar: "Omdat je moedwillig de adem van Jah hebt getest, zie! De voeten van de grafdelvers van je echtgenoot zijn aan de deur en zij zullen je naar buiten nemen!"

10

 

Op dat moment viel ze voor hun voeten neer en stierf. En de jongemannen kwamen binnen, vonden haar dood, pakten haar op en namen haar weg en begroeven haar naast haar echtgenoot.

11

 

En er was een grote angst in heel de gemeente en in allen die dit hoorden.

12

 

En er gebeurden door de handen van de apostelen grote tekenen en veel machtige daden onder de mensen terwijl zij samen waren in de zuilengang van Salomo.

13

 

Maar niemand durfde hen aan te raken want de mensen keken tegen hen op. Woordspeling tussen raken en groots maken. Het grieks heeft verkeerd vertaald met 'aansluiten' want dat deed men juist wèl (zie vs 14). Het aram. basiswoord betekent zowel aansluiten of aanraken.

14

 

En meer mensen werden toegevoegd aan hen die geloofden in Jah, een gemeente van mannen en vrouwen.

15

 

Zij brachten zelfs de zieken in de straten en legden ze op draagbedden zodat wanneer Simon zou komen, ten minste zijn schaduw over hen kon komen.

16

 

Nu kwamen velen uit andere steden rond Jeruzalem naar hen al hun zieken brengen en degenen die onreine geesten hadden. En allen werden genezen.

17

 

Daarop raakten de Hogepriester en allen die met hem waren, die van de sekte van de Sadduceeën waren, vol jaloezie,

18

 

grepen, arresteerden en sloten hen in de gevangenis.

19

 

In de nacht opende een boodschapper van Jah de deur van de gevangenis, liet hen naar buiten en zei hen:

20

 

"Ga in de tempel staan en spreek tot de mensen al deze woorden van leven!"

21

 

En bij zonsopgang gingen zij naar buiten en de tempel binnen en gingen onderwijzen. De Hogepriester nu en zij die met hen waren riepen hun collega's en de ouderlingen van Israël en stuurden [iemand] naar de gevangenis met de opdracht de apostelen naar hen te brengen.

22

 

Toen zij die door hen werden gezonden gingen, vonden zij hen niet in de gevangenis en keerden terug.

23

 

Zij zeiden: "Wij vonden de gevangenis veilig op slot, en ook de bewakers die voor de deur stonden. Zodra we de deur openden vonden we daar niemand!"

24

 

Toen de overpriesters en tempelleiders deze woorden hoorden waren zij sprakeloos over hen en dachten: "Wat is dit!"

25

 

En een man kwam en informeerde hen: "Degenen die u in de gevangenis sloot, zie, zij staan in de tempel en onderwijzen de mensen!"

26

 

Daarna vertrokken de leiders samen met de bewakers om hen zonder geweld mee te brengen want zij waren bang dat de mensen hen zouden stenigen.

27

 

Toen zij hen brachten en opstelden voor de hele vergadering begon de Hogepriester hun te zeggen:

28

 

"Hebben we niet werkelijk bevolen dat niemand van u mocht onderwijzen in deze naam? Maar zie, u hebt Jeruzalem gevuld met uw leer en u wilt de bloedschuld van deze man over ons brengen!"

29

 

Simon, met de apostelen, antwoordde en zei hun: "Men dient eerder God gehoorzamen dan mensen!

30

 

De God van onze voorouders deed Jezus opstaan, degene die u hebt opgehangen aan het hout. Aramees (Qaisa), Grieks (xulon) betekent rechtopstaand stuk hout.

31

 

Deze is door God als Prins en Redder aangesteld en hij heeft hem opgeheven met zijn rechterhand zodat hij vergeving door [hun] berouw aan de zonen van Israël mocht geven.

32

 

En wij zijn getuigen van deze woorden van de heilige adem, die God geeft aan wie in hem geloven."

33

 

Toen zij deze woorden hoorden ontstaken zij in woede en bedachten ze [iets] om hen te doden.

34

 

Maar er stond een zekere man op in het joodse gerechtshof, uit de Farizeeën die Gamaliël heette, een leraar van de Thora en gerespecteerd door alle mensen. En hij gaf opdracht dat zij de apostelen even naar buiten namen. Werd Rabban, hoger dan Rabbi en ook genoemd in Sotah 9:15, de Misjna. Deze snede mist in de peshitta.

35

 

En hij zei hun: "Mannen, zonen van Israël. Wees voorzichtig en bepaal wat voor uzelf juist is te doen met deze mensen.

36

 

Vorige eeuw stond Theudas op, die van zichzelf zei dat hij belangrijk was en ongeveer vierhonderd mensen volgden hem. Toen hij werd vermoord raakten degenen die hem volgden verstrooid en werden als niets. Tawda. Niet dezelfde theudas als valse Messias Theudas die in 46GT een opstand tegen Rome leidde. (Joodsche Oudheden 20.97-98)

37

 

Na hem stond Judas de Galileeër op in de dagen dat mensen werden geregistreerd voor de hoofdelijke belasting en hij zorgde dat veel mensen hem volgden. Toen hij stierf raakten allen die hem volgden verstrooid. Matheus 2:1 Herodus de grote schijnt meerdere inschrijvingen te hebben verordend. Judas de Gaulonieter, 6 AD Joodsche oudheden, XVIII, i, 1

38

 

Nu zeg ik u; houdt u van deze mannen af en laat hen met rust want als dit denken en werken uit mensen is zal het ontbinden en verdwijnen.

39

 

Als het echter van God is, is het ondoenlijk het te stoppen met uw handen, erger nog, u zult ontdekken dat u tegen God opstaat!"

40

 

Zij luisterden naar hem en riepen de apostelen, lieten hen met de zweep slaan en gaven opdracht niet te spreken in naam van Jezus en lieten hen gaan.

41

 

En zij vertrokken uit het joods gerechtshof, terwijl zij blij waren dat zij waardig waren om te worden veracht om De Naam. Aramees (ha-shem) Peshitta, van hen

42

 

Zij zouden niet ophouden de hele dag in de tempel en thuis te onderwijzen en te prediken over onze Heer Jezus, de Gezalfde.

Hoofdstuk 6

1

 

En in die dagen toen de leerlingen toenamen mopperden de Griekse leerlingen tegen de Hebreeuwse die hun weduwen negeerden tijdens de dagelijkse verdeling.

2

 

Daarop riepen de twaalf apostelen de hele gemeente en zij zeiden hun: "Het is niet goed dat we het woord van God zouden negeren en tafels bedienen.

3

 

Onderzoek daarom, broeders, en kies zeven mannen onder u, die goed bekend staan, en vol van de adem van Jah zijn en van wijsheid. En we zullen hen aanstellen over deze zaak.

4

 

Maar wij zullen volharden in gebed en de bediening van het woord."

5

 

En deze uitspraak beviel alle mensen en zij kozen Stefanus, een man die vol geloof en heilige adem was, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en Nikolaüs, een Antiochische proseliet.

6

 

Zij stonden voor de apostelen en nadat zij baden, legden zij handen op hen.

7

 

En het woord van God verspreidde zich, en het aantal leerlingen nam geweldig toe in Jeruzalem. En veel Judeese mensen waren gehoorzaam aan het geloof.

8

 

Stefanus nu, was vol gunst en kracht en verrichtte tekenen en wonderen onder het volk.

9

 

Maar er stonden mannen op van de gemeente die de Libertijnen wordt genoemd, en de Cyreneeërs, Alexandrijnen, die van Cilicië en van Azië, die gingen twisten met Stefanus.

10

 

Maar zij waren niet opgewassen tegen de wijsheid en de adem die door hem sprak.

11

 

Toen stuurden zij mannen en gaven hen instructies te zeggen: "We hebben hem blasfemische woorden horen spreken tegen Mozes en God!"

12

 

En de ouderlingen en de Schriftgeleerden stookten het volk op en kwamen en stonden hem tegen, grepen hem en brachten hem midden in hun vergadering.

13

 

Daarna brachten zij valse getuigen die zeiden: "Deze man houdt niet op woorden te spreken tegen de Thora en tegen deze heilige plaats,

14

 

want we hebben hem horen zeggen dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal vernietigen en de tradities zal veranderen die Mozes u had overgeleverd!"

15

 

En allen die in de vergadering zaten tuurden naar hem en zij zagen zijn gezicht als het gezicht van een boodschapper.

Hoofdstuk 7

1

 

En de Hogepriester vroeg hem of deze dingen zo waren.

2

 

Hij zei daarop: "Mannen, broeders en vaders; luister! De glorieuze God verscheen aan onze Vader Abraham toen hij in Mesapotamië was voordat hij in Haran ging wonen. Aramees; Beth-Nahrain

3

 

En hij zei hem: 'Vertrek uit je land en van je bloedverwanten en ga naar het land dat ik je zal tonen.'

4

 

Toen vertrok Abraham van het land van de Chaldeeën, kwam en ging wonen in Haran. Nadat zijn vader daar was gestorven, deed God hem verhuizen en wonen in dit land waar u vandaag woont.

5

 

Maar hij gaf hem er geen erfdeel in en zelfs geen voetstap. Toch beloofde hij dat hij het aan hem en zijn nazaten als een erfenis zou geven terwijl hij geen zoon had.

6

 

En God sprak met hem en zei hem: 'Jouw zaad zal buitenlander in een vreemd land zijn en het zal onderworpen zijn en zij zullen het vierhonderd jaar slecht behandelen.

7

 

En de mensen zullen hen geboeid dienen en ik zal hen oordelen.' En God zei na deze dingen: 'Zij zullen uittrekken en mij in dit land dienen.'

8

 

En hij gaf hem het verbond van de besnijdenis, verwekte Isaäk, en besneed hem op de achtste dag. En Isaäk verwekte Jakob, terwijl Jakob twaalf van onze vaders verwekte.

9

 

Die vaders werden jaloers op Jozef, en verkochten aan in Egypte maar God was met hem. Misrayin (aramees)

10

 

En hij bevrijdde hem uit al zijn beproevingen, gaf hem aanzien en wijsheid voor Farao, koning van Egypte en stelde hem aan als regeerder over Egypte en over zijn huishouden.

11

 

Maar er kwam een hongersnood en grote verdrukking in heel Egypte en het land van Kanaän. En zij, onze vaders, hadden niets om haar te doorstaan.

12

 

En nadat Jakob hoorde dat er levensonderhoud in Egypte was, zond hij de eerste van onze vaders.

13

 

Toen zij voor de tweede keer gingen, maakte Jozef zichzelf bekend aan zijn broeders en werd de nationaliteit van Jozef bekend aan Farao.

14

 

Dus liet Jozef zijn vader Jakob en heel zijn familie komen. En zij telden vijfenzeventig levens. Masoretische tekst en Peshitta noteren zeventig. Stefanus citeerde de Septuaginta.

15

 

Dus daalde Jakob af naar Egypte en stierven hij en onze vaders daar.

16

 

Toen hij werd verplaatst naar Sichem werd hij in het graf gelegd dat Abraham met zilver had gekocht van de zonen van Hemor. Khamor

17

 

Toen het moment nabij was gekomen voor de dingen die God met [diverse] eden had beloofd aan Abraham nam het volk toe en werd sterk in Egypte.

18

 

Tot er een andere koning over Egypte [kwam] die Jozef niet kende,

19

 

en spande hij samen tegen onze bloedverwanten en handelde hij slecht met onze vaders en gaf opdracht dat mannelijke kinderen werden weggeworpen zodat zij niet zouden leven.

20

 

In die tijd werd Mozes geboren en hij was aangenaam voor God. Hij werd drie maanden gevoed in zijn ouderlijk huis.

21

 

Toen hij van zijn moeder werd gescheiden vond de dochter van Farao hem en zij voedde hem zelf op als een zoon. letterlijk geworpen

22

 

En Mozes werd opgeleid in alle wijsheid van de Egyptenaren en hij werd voorbereid in zijn woorden evenals daden.

23

 

Zodra hij veertig jaar oud was, kwam het in zijn hart op om zijn broederschap, zonen van Israël te bezoeken.

24

 

En hij zag één van de zonen van zijn familie kwaad leiden en hij wraakte hem, en deed hem recht ervaren dus doodde hij de Egyptenaar die hem had mishandeld. Sharbteh. Eén van de 3 keren dat dit woord in de NT-peshitta voorkomt. Ook Lukas 2:4 Aramees, Maskel woorspeling met begrijpen Mestakliyn

25

 

En hij hoopte dat zijn broeders van de zonen van Israël hem zouden begrijpen dat God hen door zijn hand redding zou schenken, maar zij begrepen [het] niet.

26

 

De volgende dag zag hij hem terwijl hij ruziede met een ander dus overtuigde hij hen vrede te sluiten door te zeggen: 'Mannen, broeders, waarom doen jullie elkaar kwaad?'

27

 

Maar degene die zijn kameraad kwaad deed duwde hem weg en zij: 'Wie heeft u als een regeerder en rechter over ons aangesteld?

28

 

Zoekt u mij soms ook doden zoals u de Egyptenaar gisteren doodde?'

29

 

Dus vluchtte Mozes na dit woord en werd een vreemdeling in het land van Midean. En hij had twee zonen.

30

 

Nadat hem veertig jaar waren voorbijgegaan verscheen hem in de wildernis van de berg Sinaï een engel van Jah in een vuur dat brandde in een doornbos. Aramees Sanya, woordspeling met Sinaï

31

 

Toen Mozes [het] zag was hij verbaasd over de aanblik maar zodra hij naderde om [het] te zien zei Jah hem met een stem:

32

 

'Ik ben de God van uw vaders, de God van Abraham, van Isaäk, van Jakob!' Terwijl Mozes beefde durfde hij niet te turen naar de aanblik.

33

 

En Jah zei hem: 'Doe uw sandalen van uw voeten, want de grond waarop u staat is heilig!

34

 

Ik heb inderdaad de verdrukking van mijn volk gezien dat in Egypte is, en het zucht, ik heb gehoord en ben afgedaald om hen te bevrijden en nu, kom! Ik zal u naar Egypte zenden.'

35

 

Het is Mozes die zij ontkenden door te zeggen: 'Wie heeft u als een heerser en rechter over ons aangesteld!' Deze God stuurde hun een bevrijder en regeerder door een boodschapper degene die aan hem verscheen in een doornbos.

36

 

Dit is degene die hen naar buiten bracht nadat hij tekenen, wonderen en machtige daden gaf in het land Egypte, in de Rode Zee en veertig jaar in de wildernis.

37

 

Het is Mozes die de zonen van Israël zei: 'Een profeet zoals ik zal Jah God voor u doen opstaan uit uw broeders. Luister naar hem.'

38

 

Hij is degene die in de vergadering met de boodschapper in de wildernis was, die met hem sprak en met onze vaders op de berg Sinaï. En hij is degene die de levende woorden ontving om aan ons te geven.

39

 

Maar zij wilden hem niet gehoorzamen. Onze voorvaders gingen liever weg, dus keerden zij in gedachten terug naar Egypte, in hun hart.

40

 

door Aäron te zeggen: 'Maak goden voor ons die ons voorgaan, want deze Mozes die ons uit het land Egypte heeft gebracht; we weten niet wat met hem is gebeurd!'

41

 

Dus maakten zij zichzelf in die dagen een kalf. En zij offerden offers aan de beelden, en zij waren blij met het werk van hun handen.

42

 

En God keerde zich om en gaf hen over om de krachten van de hemel te dienen, zoals is geschreven in de boeken van de profeten. 'Waarom offerde u veertig jaar lang een dier of een offer? Mijn zonen van Israël?'

43

 

Maar u hebt het altaar van Molech genomen en van de ster van de god van Refan hebt u beelden gemaakt om te worden aanbeden. Ik zal u verwijderen, ja, verder dan Babylon. Amos 5:26,27 Grieks voor Hebreeuws Ki-Joen en Akkadisch Kaimanoe, ook Saturnus

44

 

Zie, het altaar van het verbond van onze vaders in de wildernis, was zoals hij opdroeg, degene die met Mozes sprak om het te maken naar het voorbeeld dat hij liet zien.

45

 

En ditzelfde altaar brachten onze vaders ook inderdaad met Jozua naar het land dat God hen tot erfenis gaf van die natiën die hij voor hen wegdreef. En het werd gedragen tot de dagen van David.

46

 

Hij vond genade bij God, en vroeg of hij een tempel voor de God van Jakob mocht vinden.

47

 

Maar Salomo bouwde het huis.

48

 

Maar de Allerhoogste woont niet in het werk van handen, zoals de profeet zei. Jesaja 66:1

49

 

'De hemel is mijn troon en de aarde een voetbank onder mijn voeten. Wat is het huis dat u voor mij bouwt?' Zegt Jah. 'Wat is mijn plaats van rust?'

50

 

Zie! Heeft mijn hand niet al deze dingen gemaakt?

51

 

O, stijfkoppen, zonder besnijdenis in het hart en gehoor! Jullie staan de heilige adem altijd tegen. Zoals uw voorvaders waren, bent ook u.

52

 

Want welke van de profeten hebt u níet vervolgd en gedood? Uw voorvaders die voorzeiden over de komende, de Rechtvaardige, degene die u hebt opgepakt en gedood.

53

 

En u hebt de Torah van boodschappers ontvangen, maar u hebt het niet gehouden."

54

 

Toen zij deze dingen hadden gehoord, raakten zij vervuld met innerlijke woede, en zij tandenknarsten tegen hem.

55

 

Terwijl hij vol van geloof en heilige adem was tuurde hij naar de hemel en zag de glorie van God en Jezus rechts van God staan.

56

 

En hij zei: "Zie! Ik zie de geopende hemel en de Mensenzoon rechts van God staan!"

57

 

Zij riepen met een luide stem, stopten hun oren dicht en bestormden hem allen!

58

 

En zij grepen hem en namen hem buiten de stad en gingen hem stenigen. En degenen die tegen hem getuigden legden hun kleding aan de voeten van een zekere jongeman die Saulus heette. Saul

59

 

Zij bleven hem stenigen, terwijl Stefanus bad en zei: "Heer Jezus, ontvang mijn adem!"

60

 

Nadat hij knielde riep hij met een luide stem en zei: "Heer, reken hen deze zonde niet aan!" Nadat hij dit had gezegd stierf hij.

Hoofdstuk 8

1

 

Saulus nu, stemde in, en nam deel aan zijn moord. Er was in die tijd een grote vervolging tegen de gemeente die in Jeruzalem was. En zij allen werden verspreid, onder de steden van Judea en onder de Samaritanen, behalve de apostelen.

2

 

En gelovige mannen haalden hem op en begroeven Stefanus, en zij gingen heftig om hem rouwen.

3

 

Saulus nu, vervolgde de gemeente van God, terwijl hij huizen binnenging en mannen en vrouwen wegsleepte en hen aan de gevangenis uitleverde.

4

 

Maar zij die rondom verspreid waren, reisden en verkondigden het woord van God.

5

 

Filippus nu, daalde af naar een stad van de Samaritanen en hij verkondigde aan hen de Gezalfde.

6

 

Zodra de mensen zijn woorden hoorden, schonken men daar aandacht aan en werd overtuigd door alles wat hij zei omdat ze de tekenen zagen die hij deed.

7

 

Want velen waren door onreine geesten gegrepen, die met een luide stem riepen en van hen uitgingen. En anderen; epileptici en verlamden werden genezen.

8

 

En er was grote vreugde in die stad.

9

 

Er was een zekere man die Simon heette, die al lang in die stad woonde, en met zijn magie de mensen van Samaria misleidde terwijl hij zichzelf groot maakte en zei: "Ik ben belangrijk!"

10

 

En zij allen, groot en klein, bleven hem aanbidden, en zeiden: "Dit is de grote kracht van God!"

11

 

En zij allen overtuigden hem, want hij had hen een lange tijd overtuigd met zijn magie. Dat hij groots was.

12

 

Toen zij Filippus geloofden, die het koninkrijk van God verkondigde in de naam van onze Heer Jezus Christus, werden zowel mannen als vrouwen gedoopt.

13

 

Zelfs Simon geloofde en werd gedoopt en bleef plakken aan Filippus toen hij de tekenen en grote wonderen zag die gebeurden door diens hand, want hij was zeer verbaasd.

14

 

Toen de apostelen in Jeruzalem hoorden dat de mensen van Samaria het woord van God hadden ontvangen stuurden zij Simon Petrus en Johannes naar hen toe.

15

 

Dus daalden zij af en baden over hen zodat zij heilige adem mochten ontvangen,

16

 

want het was nog op geen van hen, maar zij waren alleen maar gedoopt in de naam van onze Heer Jezus.

17

 

Toen legden zij de hand op hen dus ontvingen zij de heilige adem.

18

 

Toen Simon zag dat door het opleggen van de hand van de apostelen heilige adem werd gegeven, bood hij hen geld aan,

19

 

en zei: "Geef mij ook deze autoriteit dat ik op wie dan ook de hand zou leggen en hij heilige adem zal ontvangen!"

20

 

Simon Petrus zei hem: "Laat uw geld met u vergaan, want u dacht dat de gave van God met eigendommen van de wereld zou kunnen kopen?

21

 

U hebt geen greintje geloof omdat uw hart niet recht voor God is.

22

 

Maar heb spijt van uw slechtheid en smeek God, misschien zal de dwaling van uw hart vergeven worden.

23

 

Want ik zie dat uw hart vol bittere woede is en dat u in de ban van onrechtvaardigheid bent."

24

 

Simon antwoordde en zei: "Smeekt u God voor mijn zaak dat niets van wat u hebt gesproken over mij komt."

25

 

Toen Simon [Petrus] en Johannes hadden getuigd en zij het woord van God hadden onderwezen keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden in vele Samaritaanse steden.

26

 

En een engel van Jah sprak met Filippus en zei hem: "Sta op, ga naar het zuiden op de woestijnweg die van Jeruzalem naar Gaza afdaalt."

27

 

En hij stond op, ging en ontmoette en zekere gelovige die uit Ethiopië was gekomen, een ambtenaar van koninging Candace van de Ethiopiërs. En hij was verantwoordelijk over haar schatten en was gekomen om te aanbidden in Jeruzalem. Het woord mhymna kan zowel eunuch of gelovige betekenen. Koninklijke titel overeenkomend met Farao of Ceasar.

28

 

Terwijl hij terug ging, zat hij in een wagen en zat de profeet Jesaja te lezen.

29

 

En de geest zei tot Filippus: "Nader en volg de wagen."

30

 

Toen hij was genaderd hoorde hij dat hij de profeet Jesaja las, en hij zei hem: "Begrijpt u wat u leest?"

31

 

En hij zei: "Hoe kan ik begrijpen, behalve als iemand me onderwijst?" En hij vroeg of Filippus instapte en bij hem ging zitten.

32

 

Nu was het gedeelte van de Schriften dat hij las het volgende: "Als een lam werd hij naar de slacht gebracht, en als een ooi [dat] voor de scheerder zwijgt, zo opende hij zijn mond niet. Jesaja 53:7

33

 

Hij werd in vernederd, door gevangenneming en veroordeling; en zijn generatie zal het vertellen, omdat zijn leven van de aarde werd genomen."

34

 

En die gelovige zei tot Filippus: "Ik vraag u, over wie sprak deze profeet? Over zichzelf of over een andere man?"

35

 

Toen opende Filippus zijn mond en begon over deze schriftplaats te verkondigen over de Heer Jezus.

36

 

Zij gingen op weg en kwamen bij een bepaalde plaats dat water had en de gelovige zei: "Zie, water! Wat verhindert mijn doop?"

37

 

* Niet in aramese tekst.

38

 

En hij gaf opdracht dat de wagen stopte, en beiden daalden af in het water.

39

 

Nadat zij uit het water opkwamen, voerde de adem van Jah Filippus weer weg, en die gelovige zag hem niet meer. Maar hij vervolgde zijn weg met vreugde.

40

 

Men trof Filippus in Asdod aan waar hij rondreisde en in alle steden verkondigde tot hij in Cesarea aankwam. Azotus

Hoofdstuk 9

1

 

Saulus nu, was nog vol dreiging en moordlust tegen de leerlingen van onze Heer.

2

 

Dus vroeg hij aan de overpriesters om brieven mee te geven naar de Synagogen van Damaskus zodat hij degenen kon vinden die De Weg volgden, mannen en vrouwen, ze kon arresteren en naar Jeruzalem brengen. Zo noemden Christenen zich eerst. Jesaja 40:3

3

 

Zodra hij op reis was en Damaskus naderde, scheen ineens een licht uit de hemel rondom hem.

4

 

En hij werd op de grond geworpen en hoorde een stem die hem zei:

5

 

"Saulus, Saulus, waarom vervolg je mij? Het moet zwaar voor je zijn om tegen de stroom in te zwemmen." Letterlijk 'de stekels te trappen'. Dit stuk staat niet in griekse HSS.

6

 

En hij antwoordde en zei: "Wie bent u, mijn Heer?" Onze Heer zei: "Ik ben Jezus de Nazarener die jij vervolgt.

7

 

Sta op, ga de stad in en daar zal men je zeggen wat je moet doen."

8

 

De mannen die met hem reisden, stonden op de weg en waren verbaasd, want zij hoorden alleen een geluid, maar zagen geen zichtbare man.

9

 

Dus stond Saulus op van de grond maar hij kon niets door zijn open ogen zien. Dus bracht men hem aan de hand naar Damaskus.

10

 

En hij kon drie dagen niets zien en at niet.

11

 

Nu was er in Damaskus een zekere leerling die Ananias heette. En Jah zei hem in een visioen: "Ananias!" En hij zei: "Zie, hier ben ik mijn Heer!" Khanan-Jah betekent 'Jah is vergevingsgezind'

12

 

Onze Heer zei hem: "Sta op, ga naar de straat die 'De Rechte' wordt genoemd en informeer bij het huis van Juda naar Saulus die uit de stad Tarsis komt. En zie! Terwijl hij bad,

13

 

zag hij in een visioen een man die Ananias heette die binnenkwam en een hand op hem legde zodat zijn ogen geopend werden."

14

 

En zie, zelfs hier heeft hij autoriteit van de overpriesters om allen die uw naam aanroepen te arresteren!"

15

 

Jah zei hem: "Sta op en ga, want deze man is mijn verkozen instrument om mijn naam te dragen onder de niet-joden, koningen en de zonen van Israël. letterlijk 'vat'

16

 

want ik zal hem openbaren hoeveel hij zal leiden in mijn naam."

17

 

Toen ging Ananias naar het huis, naar hem en legde een hand op hem en zei hem: "Saulus, mijn broeder, onze Heer Jezus heeft mij gezonden, degene die aan je was verschenen toen je op weg was. Dat je ogen geopend mogen worden en je gevuld mag zijn met heilige adem!"

18

 

Opeens viel iets van zijn ogen dat op aanslag leek en zijn ogen werden geopend. Hij stond op en werd gedoopt.

19

 

En hij ontving voedsel en werd een aantal dagen gesterkt met de leerlingen die in Damaskus waren.

20

 

Onmiddellijk begon hij te verkondigen in de gemeente van joden over Jezus, dat hij de Zoon van God was.

21

 

En allen die hem hoorden, waren verbaasd en zeiden: "Was hij niet degene die allen vervolgde die deze naam aanriepen in Jeruzalem en zelfs hier om dezelfde reden werd gezonden om hen te boeien en mee te nemen naar de overpriesters?"

22

 

Saulus nu, werd sterker en schokte die joden die in Damaskus verbleven omdat hij bleef onthullen: "Dit is de Gezalfde!"

23

 

En nadat hem daar [vele] dagen voorbijgingen, spanden de joden tegen hem samen om hem te doden.

24

 

Maar het complot dat zij met hem zochten te doen werd aan Saulus verteld, want ze hielden dag en nacht wacht de poorten van de stad in de gaten om hem te doden.

25

 

Toen lieten de leerlingen hem in de nacht, van de stadsmuur in een mand neerzakken.

26

 

En hij ging naar Jeruzalem en wilde zich bij de leerlingen aansluiten maar zij allen waren bang van hem en geloofden niet dat hij een leerling was.

27

 

Maar Barnabas nam hem en bracht hem naar de apostelen en legde hen uit hoe hij onderweg de Heer had gezien en hoe die met hem sprak en hoe hij moedig in Damaskus sprak in naam van Jezus. In de Peshitta staat mar-jah. Echter, volgens Griekse HSS Kurios. Het laatste klopt met de context. Zoon van vertroosting.

28

 

Dus ging hij in en uit met hen in Jeruzalem.

29

 

En hij sprak moedig in de naam van Jezus en discussieerde met de Judeeërs die Grieks spraken, maar die wilden hem doden.

30

 

Toen de broeders het wisten brachten zij hem in de nacht naar Cesarea en vandaar uit zonden zij hem naar Tarsus.

31

 

Daarop was de gemeente die in heel Judea en Galilea en Samaria in vrede, en werd opgebouwd en onderwezen in de eerbied voor God en de troost van de heilige adem en ze groeide. Bdekhlat, vrees of eerbied/respect.

32

 

Op een dag, terwijl Simon onderweg was tussen de steden, hij ook afdaalde naar de heiligen die in de stad Lydda verbleven. Lud

33

 

En hij ontmoette een zekere man die Eneas heette die op een draagbed lag en acht jaar verlamd was. Anya

34

 

En Simon zei hem: "Eneas, Jezus, de Gezalfde geneest je! Sta op en maak je bed op!" En onmiddellijk stond hij op.

35

 

En iedereen die in Lydda en Saron woonde keerde tot God.

36

 

Nu was er een zekere leerlinge in de stad Joppe die Tabitha heette. Zij was rijk in goede daden en weldaad die ze deed.

37

 

Zij werd ziek op een zeker moment en stierf. Men waste haar en legde haar in een bovenkamer.

38

 

Maar de leerlingen hoorden dat Simon in de stad Lydda was, die naast Joppe ligt. En twee mannen gingen naar hem toe om te vragen dat hij zonder vertraging naar hen toe zou komen.

39

 

Dus stond Simon op en ging met hen mee. Toen hij kwam werd hij naar de bovenkamer gebracht. Daar stonden rondom hem alle weduwen te huilen en zij toonden hem de kleding en de mantels die Tabitha hen had gegeven toen ze nog leefde.

40

 

Maar Simon liet alle mensen naar buiten, boog zich neer op zijn knieën en bad. En hij richte zich naar het lichaam en zei: "Tabitha, sta op!" En ze opende haar ogen. Toen ze Simon zag ging ze zitten.

41

 

En hij reikte haar de hand, richtte haar op, riep de heiligen en de weduwen en toonde haar levend aan hen.

42

 

Dit dit raakte bekend in heel de stad en velen geloofden in onze Heer.

43

 

En hij verbleef een niet gering aantal dagen in Joppe, in het huis van Simon, een leerlooier.

Hoofdstuk 10

1

 

Nu was er in Cesarea een man, een zekere Centurion, die Cornelius heette, van een regiment dat 'De Italiaan' heette. Cohort, 500 man.

2

 

En hij was rechtvaardig en vreesde God samen met zijn huisgezin. En hij deed vele weldaden onder de mensen en smeekte altijd tot God.

3

 

Deze [man] zag een boodschapper van God in een helder visioen, rond drie uur in de middag, die naar hem toe kwam en tot hem zei: "Cornelius!"

4

 

En hij keek naar hem en was bang: "Wat, mijn heer?" En de boodschapper zei hem: "Uw weldaad en uw gebeden zijn opgestegen tot aandenken van God!

5

 

Stuur nu mannen naar de stad Joppe en haal Simon die Petrus wordt genoemd.

6

 

Zie, hij verblijft in het huis van Simon die leerlooier is, dat vlaak aan de zeekust ligt."

7

 

Toen de boodschapper die met hem sprak was weggegaan, riep hij twee zonen van zijn gezin en een zekere knecht, die God respecteerde, iemand die gehoorzaamde.

8

 

En hij vertelde hun alles wat hij had gezien en stuurde hen naar Joppe.

9

 

De volgende dag, toen zij op weg waren en de stad naderden, ging Simon om twaalf uur op het dak bidden.

10

 

En hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl men iets voor hem klaarmaakte raakte hij in trance.

11

 

En hij zag de hemel geopend worden en een zeker kleed dat aan vier hoeken werd vastgehouden en het leek op een groot linnen kledingstuk dat neerdaalde vanuit de hemel naar de aarde.

12

 

Daarin waren allemaal viervoetige schepselen, en kruipende dingen van de aarde en vogels van de hemel.

13

 

En een stem kwam tot hem die zei: "Simon, sta op, slacht en eet!"

14

 

Simon zei: "God verbiede, Heer, want nooit heb ik iets gegeten dat ontheiligd en onrein is!"

15

 

Opnieuw, een tweede keer kwam een stem tot hem: "Wat God heeft gereinigd moet je niet als onrein beschouwen."

16

 

Dit gebeurde drie keer en het kleed werd opgenomen in de hemel.

17

 

Terwijl Simon zich afvroeg wat het visioen dat hij had gezien betekende, kwamen die mannen door Cornelius waren gestuurd en informeerden naar het huis waar Simon in verbleef. En zij kwamen en stonden aan de poort van het binnenhof.

18

 

En zij riepen daar en vroegen: "Verblijft Simon die Petrus wordt genoemd hier?"

19

 

Terwijl Petrus over het visioen nadacht zei de adem tot hem: "Zie, drie mannen zoeken je!

20

 

Ga naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee want ik ben degene die hen heeft gezonden." Letterlijk 'zonder verdeeldheid van gedachten.'

21

 

Toen daalde Simon af naar die mannen en zei hun: "Ik ben degene die u zoekt. Wat is de reden dat u bent gekomen?"

22

 

Ze zeiden hem: "Een zekere man die Cornelius heet, een centurion, een rechtvaardig man die God respecteert, en over wie alle joden van het volk getuigenis geven. Hem werd verteld in een visioen door een heilige boodschapper om iemand aan u te sturen en u naar zijn huis te brengen zodat hij het woord van u kan horen."

23

 

En Petrus liet hen naar naar binnen en ontving hen daar waar hij verbleef. En hij stond aan het einde van de dag op en vertrok en ging met hen mee en enkele broeders uit Joppe gingen mee.

24

 

De volgende dag ging hij Cesarea binnen en Cornelius verwachtte hen terwijl met hem zijn hele familie was verzameld en ook zijn geliefde vrienden die hij had.

25

 

Toen Simon naar binnen ging, ging Cornelius naar hem toe, viel neer aan zijn voeten en eerde hem.

26

 

Maar Simon deed hem opstaan en zei hem: "Sta op, ook ik ben een man!"

27

 

Terwijl hij met hem sprak ging hij naar binnen en vond velen die daar waren gekomen.

28

 

En hij zei hun: "Jullie weten dat het niet toegestaan is voor een jood zich te associëren met een buitenlander die niet uit de zonen van zijn stam zijn, maar God toonde me dat men niet moet zeggen over een persoon [dat hij] onrein of verontreinigd is.

29

 

Daarom ben ik meteen gekomen toen u mij liet roepen, maar ik vraag u waarom u mij liet roepen?"

30

 

Cornelius zei hem: "Vier dagen geleden was ik aan het vasten, en zie, om drie uur in de middag bad ik en stond een zekere man in wit gekleed in mijn huis voor mij!

31

 

En hij zei me: 'Cornelius, uw gebed is gehoord en uw weldaad is een aandenken voor God.

32

 

Stuur iemand naar Joppe en breng Simon die Petrus wordt genoemd, zie, hij verblijft in het huis van Simon de leerlooier aan de zeekust. Hij zal komen en met u spreken.'

33

 

Onmiddellijk stuurde ik iemand naar u, en u deed goed te komen! Zie, wij allen staan voor u en willen alles horen wat God aan u opgedragen heeft."

34

 

En Simon opende zijn mond en zei: "Werkelijk, ik zie dat God niet partijdig is!

35

 

Maar onder alle mensen die hem respecteren en rechtvaardig werken zijn voor hem acceptabel.

36

 

Want hij heeft het Woord naar de zonen van Israël gezonden en gaf hen hoop, vrede en rust door Jezus, de Gezalfde. Hij is de Heer van allen.

37

 

En weet ook dat het woord in heel Judea was, het ging uit van Galilea na de doop die Johannes predikte,

38

 

over Jezus die uit Nazareth was; God zalfde hem met heilige adem en met kracht. En hij is degene die rondreisde en hen genas die verdrukt waren door kwaad, want God was met hem.

39

 

En wij zijn de getuigen van hem van elk ding dat hij deed en heel het land van Judea en Jeruzalem. Deze zelfde hingen de Judeeërs aan een hout en zij doodden hem.

40

 

En God wekte hem op, op de derde dag en stond hem toe dat hij openlijk werd gezien,

41

 

maar niet aan alle mensen maar aan ons, die waren verkozen door God om getuigen met hem te zijn, want wij aten en dronken met hem na zijn opstanding uit de doden.

42

 

En hij gaf ons opdracht om te prediken en te getuigen aan alle mensen dat hij degene is die was aangesteld door God om rechter te zijn van de levenden en van de doden.

43

 

Over hem getuigden alle profeten, dat wie in zijn naam geloven vergeving van zonden zullen ontvangen."

44

 

Terwijl Simon deze woorden sprak, daalde de heilige adem op hen allen neer die het woord aanhoorden.

45

 

En de besneden broeders die met hem meekwamen waren verbaasd en sprakeloos, dat zelfs de gave van heilige adem op niet-joden werd uitgestord.

46

 

Want zij hoorden hen spreken in verschillende talen en zij maakten God groots. En Simon zei:

47

 

Waarom zou iemand water onthouden zodat zij die de heilige adem hebben ontvangen zoals wij niet worden gedoopt?

48

 

Toen gaf hij hen opdracht gedoopt te worden in de naam van onze Heer Jezus, de Gezalfde en zij vroegen hem om enkele dagen bij hen te blijven.

Hoofdstuk 11

1

 

En het werd gehoord door de apostelen en de broeders die in Judea waren dat zelfs de niet-joden het woord van God hadden ontvangen.

2

 

Terwijl Simon opging naar Jeruzalem gingen de besnedenen die met hem waren argumenteren.

3

 

En zij bleven zeggen dat hij bij onbesnedenen naar binnen was gegaan en met hen had gegeten.

4

 

Maar Simon bleef hen herhaaldelijk uiteenzetten en zei:

5

 

"Toen ik in Joppe aan het bidden was, zag ik in een droom een bepaald kledingstuk neerdalen dat op een linnen kleed leek. En het werd vastgehouden aan zijn vier hoeken en helemaal naar mij uit de hemel neergelaten.

6

 

En ik keek ernaar en zag dat er dieren in zaten; viervoeters en insecten uit de aarde en zelfs vogels uit de hemel.

7

 

En ik hoorde een stem die me zei: 'Simon, sta op, slacht en eet!'

8

 

En ik zei: 'God verbiede, Heer, want nooit is mijn mond iets onreins en onheiligs binnengegaan!'

9

 

Opnieuw zei de stem uit de hemel tegen mij: 'Wat God heeft gereinigd moet je niet als onrein beschouwen!'

10

 

Dit gebeurde drie keer en alles werd opgenomen in de hemel.

11

 

En op dat moment stonden drie mannen die door Cornelius uit Cesarea waren gestuurd voor de poort van het binnenhof waar ik verblijf hield.

12

 

En de adem zei me om zonder aarzelen met hen mee te gaan. Ook kwamen ook zes andere broeders met me mee en we gingen in het huis van die man.

13

 

En hij vertelde ons hoe hij een boodschapper in zijn huis zag staan die hem zei: 'Stuur iemand naar de stad Joppe en breng Simon die Petrus wordt genoemd,

14

 

en hij zal met u spreken waardoor u en heel uw huisgezin zullen leven.

15

 

Zodra ik wegging om er te spreken, rustte de heilige adem op hen zoals het op ons voorheen deed.

16

 

En ik herinnerde me het woord van onze Heer toen hij zei: 'Johannes doopte jullie met water, maar jullie zullen dopen met de heilige adem.'

17

 

Als God daarom de gave evenredig geeft aan de niet-joden die in onze Heer Jezus de Gezalfde geloofden als aan ons, wie ben ik dat ik God zou kunnen tegenstaan?"

18

 

Toen ze deze woorden hoorden, kalmeerden ze en eerden God en zeiden: "Misschien heeft God ook de niet-joden vergeving tot leven gegeven!" Letterlijk 'werden ze stil'

19

 

En degenen die waren verstrooid door vervolging die gebeurde vanwege Stefanus bereikten zelfs helemaal Fenicië, zelfs het land van Cyprus en Antiochië terwijl zij met niemand behalve de joden een woord spraken.

20

 

Nu waren er mannen onder hen van Cyprus en van Cyrene die Antiochië binnenkwamen en met Grieken spraken en onze Heer Jezus verkondigden.

21

 

De hand van Jah was met hen en velen gingen geloven en keerden hun gezicht tot Jah.

22

 

En het werd bekend aan de zonen van de gemeente in Jeruzalem en zij zonden Barnabas naar Antiochië.

23

 

Toen hij daar aankwam en hij de genade van God zag verheugde hij zich en vroeg hen dat zij met heel hun hart volgelingen van onze Heer zouden zijn.

24

 

Omdat hij een goed man was, en vol van heilige adem en geloof was, werden veel mensen toegevoegd aan onze Heer.

25

 

En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken.

26

 

Toen hij hem vond bracht een heel jaar te Antiochië met hem door in eenheid. En zij waren deel van de gemeente en onderwezen veel mensen. Vanaf die tijd werden de leerlingen in Antiochië voor het eerst geroepen tot 'Christenen'. Griekse transliteratie. Zij kregen dus een Griekse naam. Aramees 'Krisjana' Aramees(Aetqriyo) noemen, lezen, uitnodigen (Johannes 2:2). Op twee plaatsen in het NT gebruikt.

27

 

In die dagen kwamen profeten uit Jeruzalem naar die plaats,

28

 

en onder hen stond iemand op die Agabus heette die hen door de adem voorzei dat een grote hongersnood zou gebeuren in het hele land. Deze hongersnood gebeurde in de dagen van Ceasar Claudius.

29

 

Daarop besloten de leerlingen, ieder naar zijn vermogen, om iets opzij te zetten voor hulp aan de broeders die in Judea woonden.

30

 

Dit deden zij, en zij verzonden het naar de ouderlingen daar, door Barnabas en Saulus.

Hoofdstuk 12

1

 

In die tijd werd de hand geslagen aan sommigen in de gemeente om hen te mishandelen door Herodus de koning die Agrippus werd genoemd.

2

 

En hij doodde Jakobus, de broer van Johannes met het zwaard.

3

 

Toen hij zag dat dit aangenaam voor de joden was ging hij door om ook Simon Petrus gevangen te nemen. Dit was in de dagen van de ongezuurde broden.

4

 

Hij liet hem oppakken en zette hem in de gevangenis en leverde zestien soldaten om hem te bewaken zodat hij hem na Pesach kon overdragen aan het volk van de joden.

5

 

Terwijl Simon werd bewaakt in de gevangenis zond de gemeente een langdurend gebed tot God voor zijn zaak.

6

 

Die zelfde nacht bij het gloren van de ochtend bereidde men voor om hem over te leveren terwijl Simon geboeid lag te slapen tussen twee soldaten en hij was geboeid met twee kettingen en anderen bewaakten de poort van de gevangenis.

7

 

Een boodschapper van Jah stond boven hem en licht scheen in heel het gebouw. Hij tikte hem op zijn zijde en maakte hem wakker en zei: "Sta snel op!" En de kettingen vielen van zijn handen.

8

 

De boodschapper zei hem: "Kleed je aan en doe je sandalen aan." En dat deed hij. Opnieuw zei hij: "Doe je mantel om en volg me."

9

 

Hij ging naar buiten en volgde hem maar hij wist niet dat het echt gebeurde.

10

 

Nadat zij de eerste en de tweede bewaking passeerden, kwamen zij uiteindelijk bij de ijzeren poort die uitzichzelf open ging, en daarna gingen zij naar buiten en liepen een straat uit. Daarna vertrok de boodschapper van hem.

11

 

Toen begreep Simon het en zei: "Nu weet ik werkelijk dat Jah zijn boodschapper heeft gezonden en me heeft bevrijd uit de handen van koning Herodus en van wat hij en de Judeeërs met me van plan waren."

12

 

Na dit begrip kwam hij bij het huis van Maria, de moeder van Johannes die Markus werd genoemd, omdat er veel broeders waren vergaderd die baden.

13

 

Toen hij klopte op de poort van het binnenhof kwam een meisje naar buiten om hem te antwoorden die Rodhé heette. Roda

14

 

En ze herkende de stem van Simon maar van vreugde opende ze de poort niet voor hem maar rende snel terug en zei hun: "Zie, aan de poort staat Simon!"

15

 

Zij zeiden haar: "Je bent in de war!" maar zij hield vol dat het zo was dus zeiden zei haar: "Misschien is het zijn boodschapper!"

16

 

En simon bleef kloppen aan de poort dus gingen zij naar buiten en zagen hem en zij waren verbaasd!

17

 

Hij gebaarde stilte met zijn hand, ging naar binnen en vertelde hun hoe Jah hem uit de gevangenis had gehaald en zei hun deze dingen door te spelen aan Jakobus en onze broeders. En hij ging naar buiten en vertrok naar een andere plek. Halfbroer van Jezus.

18

 

Nadat het ochtend was geworden, ontstond er een grote beroering onder de soldaten om Simon over wat er met hem was gebeurd.

19

 

Herodus nu zocht hem maar kon hem niet vinden, veroordeelde de bewakers tot de dood en vertrok uit Judea en verbleef in Cesarea.

20

 

Omdat hij kwaad was op de Tyriërs en de Sidoniërs vergaderden zij en kwamen bijeen en overtuigden zij Blastus, de kamerheer van de koning, en vroegen hem landgrond omdat de bevoorrading van hun gebied uit het koninkrijk van Herodus was. Griekse tekst 'vrede' maar dit is misvertaald. Het grondwoord SHaYNaA kan ook 'grond' betekenen. Zie Handelingen 11:28 en Jakobus 3:18

21

 

Op een bekende dag, was Herodus in koninklijke kleding gekleed en zat op zijn zetel en sprak met de menigten.

22

 

En de menigten riepen allen uit en bleven zeggen: "Deze uitspraken zijn van god en niet van mensen!"

23

 

Omdat hij geen eer aan God gaf op dat moment, sloeg de engel van Jah hem; met uitzaaiing van wormen stierf hij.

24

 

En het goede nieuws van God werd verkondigd en het bleef groeien.

25

 

Nu keerden Barnabas en Paulus terug van Jeruzalem naar Antiochië nadat zij hun dienst hadden voltooid en zij namen Johannes die Markus heette met zich mee.

Hoofdstuk 13

1

 

Nu waren in de gemeente van Antiochië profeten en leraren; Barnabas en Simeon die Niger werd genoemd, Lucius uit de stad Cyrene en Manaën, een zoon van de school van districtsregeerder Herodus en Saulus.

2

 

Toen zij vastten en smeekten tot God zei de heilige adem tot hen: "Stel me Saulus en Barnabas tot beschikking om te doen waarvoor ik hen heb geroepen."

3

 

Nadat zij hadden gevast en gebeden legden zij handen op hen en zonden zij hen uit.

4

 

Toen zij werden uitgezonden door de heilige adem daalden zij af naar Seleucië en vandaar uit reisden zij via de zee naar Cyprus.

5

 

Nadat zij de stad Salamis kwamen verkondigden zij het woord van de Heer in de gemeente van de joden en Johannes diende hen.

6

 

En nadat zij het hele eiland hadden doorgetrokken kwamen zij bij de stad Pafos. Zij vonden een zekere joodse magiër die een profeet was en Barjezus heette. bar-Shuma

7

 

Deze man was volgeling van een wijs man, de proconsul, die Sergius Paulus heette. En de de proconsul riep Saulus en Barnabbas en wilde meer van het woord van God van hen horen.

8

 

Nu ging deze magiër Barjezus (wat vertaald is van zijn naam Elymas) tegen hen opstaan omdat hij de proconsul van het geloof wilde afkeren. Arabisch 'Alumas'

9

 

En Saulus die Paulus werd genoemd werd gevuld met heilige adem en keek hem aan,

10

 

en zei: "O vol van bedrog en alle het kwaad van de Tegenstander en vijand van alle rechtvaardigheid! Zult u niet ophouden het rechte Paden van Jah te bederven? De weg voorzegd door Jesaja.

11

 

Nu is de hand van Jah op u en u zult blind zijn en de zon een tijdje niet zien!" Op dat moment viel een donkere mist op hem en ging hij rondtasten en zocht iemand die hem bij de handen zou leiden.

12

 

Nadat de proconsul het gebeurde had gezien, verbaasde hij zich en geloofde in de leer van Jah.

13

 

Paulus en Barnabbas reisden nu via de zee vanaf de stad Pafos en ze kwamen in Perge in Pamfilië terwijl Johannes zich afscheidde van hen en naar Jeruzalem ging. Markus

14

 

Maar zij vertrokken uit Perge en kwamen in Antiochië, een Pisidische stad, en zij gingen naar de vergadering en gingen zitten op de sabbatdag.

15

 

Nadat de Thora en de Profeten waren gelezen riepen de ouderlingen van de gemeente hen en zij zeiden: "Mannen, broeders, hebt u een vertroostend woord te delen met de mensen?"

16

 

En Paulus stond op, gebaarde met zijn hand en zei: "Mannen, zonen van Israël en wie God vrezen, luister;

17

 

De God van deze mensen koos onze voorvaders, deed hen uitblinken en maakte hen groot toen zij vreemdelingen in het land Egypte waren toen hij hen met een sterke arm naar buiten leidde.

18

 

En hij voedde hen veertig jaar in de wildernis.

19

 

Hij vernietigde zeven natiën in het land Kanaän en gaf aan hen hun land als erfgoed.

20

 

Vierhonderdvijftig jaar lang gaf hij hen rechters tot de profeet Samuël.

21

 

En zij vroegen hem een koning en God gaf hun veertig jaar Saul, de zoon van Kis, een man uit de stam Benjamin.

22

 

En hij nam hem weg en deed koning David opkomen en getuigde van hem en zei: 'Ik heb David, de zoon van Isaï, een man van mijn hart gevonden en hij zal mijn hele wil doen.'

23

 

Uit de nakomelingen van deze man deed de God van Israël zoals beloofd een man voortkomen, de redder Jezus.

24

 

En hij stuurde Johannes om zijn komst te verkondigen; de doop van berouw tot alle mensen van Israël.

25

 

Nadat Johannes zijn dienst voltooide zei hij: 'Wie verwacht u dat ik ben? Niet ik ben [het] maar zie! Van hem die na mij komt ben ik niet waardig de riemen van zijn sandalen los te maken.'

26

 

Mannen, broeders, zonen van de stam van Abraham en degenen onder u die God vrezen; aan U wordt het woord van redding verkondigd.

27

 

Want die bewoners van Jeruzalem en hun leiders begrepen en de boeken van de Profeten niet, die elke week worden gelezen, maar veroordeelden hem en vervulden alles wat is geschreven.

28

 

Terwijl zij geen reden konden vinden voor doodstraf, verzochten zij Pilatus hoe dan ook, zodat zij hem konden doden. letterlijk boom of hout (Grieks: xulou)

29

 

Nadat alles werd vervuld wat was geschreven over hem, namen zij hem van het hout af en legden hem in de graftombe.

30

 

Maar God wekte hem op uit de doden.

31

 

En hij werd vele dagen gezien door degenen die met hem opgingen van Galilea naar Jeruzalem en zij zijn nu zijn getuigen voor het volk.

32

 

Ook wij, zie! Wij prediken u de belofte die aan onze voorvaders werd gedaan.

33

 

Zie, God heeft heeft het voor ons, zijn kinderen, voltooid toen hij Jezus opwekte. Er stond geschreven in de tweede Psalm: 'Je bent mijn Zoon; vandaag heb ik je ontvangen.'

34

 

Dus wekte God hem uit de doden zodat hij niet meer verrotting zou zien zoals hij zei: 'Ik zal u de genade van de getrouwe David schenken.'

35

 

En ook zei hij op een andere plaats: 'U hebt uw loyale niet toegestaan verrotting te zien.'

36

 

Want David diende in zijn tijd, de wil van God, stierf en werd bij zijn voorvaders gelegd en zag verrotting. in zijn generatie

37

 

Maar deze man, die door God werd opgewekt, zag geen verrotting.

38

 

Begrijp daarom, mijn broeders, dat door deze man aan u de vergeving van zonden worden aangekondigd.

39

 

En allen die niet door de wet van Mozes konden worden gerechtvaardigd; hierbij is iedereen die in hem gelooft gerechtvaardigd!

40

 

Pas daarom op dat de dingen over u komen die zijn geschreven door de profeten:

41

 

'Pas op, jullie minachtenden, wees verbijsterd en verga want ik zal een werk doen in jullie dagen dat jullie niet zullen geloven, zelfs als iemand [het] u vertelt!'"

42

 

Terwijl zij van hun vandaan gingen verzochten zij hen op een andere sabbat deze woorden tot hen te spreken.

43

 

Nadat de vergadering naar huis was gegaan, gingen veel joden (zelfs proselieten die God respecteerden) achter hen aan en zij spraken en overtuigden hen om in de genade van God te blijven. Griekse HSS Paulus en Barnabbas. Waarsch. Is een voetnoot opgenomen in de tekst wat vaker gebeurde ter verduidelijking.

44

 

De volgende sabbat vergaderde de hele stad om het woord van God te horen.

45

 

Maar toen de joden de grote menigte zagen werden zij vol jalozie en weerstonden de woorden van Paulus beter en zij bleven kwaad spreken.

46

 

Toen zeiden Paulus en Barnabbas hen openlijk: "Eerst moest het woord van God tot u gesproken worden, maar omdat u het hebt verworpen, hebt u tegen uzelf besloten en bent u onwaardig voor het eeuwige leven, dus zie maar, wij keren ons tot de niet-joden!"

47

 

Want zo heeft onze Heer ons opgedragen zoals staat geschreven: 'Ik heb jullie voorbereid om een licht te zijn voor de niet-joden, dat jullie zullen zijn tot de grenzen van de aarde.'

48

 

Toen de niet-joden dit hoorden waren zij blij en eerden God. En zovelen zich aanbevolen voor eeuwig leven gingen geloven.

49

 

En het woord van Jah werd verkondigd door heel dat gebied.

50

 

Maar de joden stookten de leiders van de stad op en de rijke vrouwen die God met hen aanbaden zodat zij een vervolging veroorzaakten tegen Paulus en Barnabbas en zij joegen hen buiten hun grenzen.

51

 

Toen zij weggingen schudden zij het stof van hun voeten en kwamen in de stad Ikonium.

52

 

De leerlingen raakten vol vreugde en heilige adem.

Hoofdstuk 14

1

 

En zij kwamen en gingen de vergadering van joden binnen en spraken zo onder hen dat vele joden en Grieken gingen geloven.

2

 

Maar die joden die niet overtuigd raakten stookten de niet-joden op om de broeders te mishandelen.

3

 

Die dagen bleven velen openlijk verkondigen over Jah. En Hij getuigde van het woord van zijn vergeving met tekenen en met wonderen die hij liet verrichten door hun handen.

4

 

En alle mensen van de stad raakten verdeeld om hen. Er waren er met de joden en sommigen bleven bij de apostelen.

5

 

Nu kwam er een dreiging over hen vanuit de niet-joden en van de joden en hun leiders om hen te kunnen stenigen.

6

 

Nadat zij dit ontdekten vertrokken zij en vluchtten naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe en de dorpen eromheen.

7

 

En zij bleven daar prediken.

8

 

Een zekere man zat in de stad Lystra die ziek was. Zijn benen waren lam vanaf de geboorte door zijn moeder. En hij kon niet lopen.

9

 

Deze [man] luisterde naar Paulus toen hij sprak. Daarna zag Paulus hem en zag dat hij geloof had om te worden genezen.

10

 

Hij zei hem met een leide stem: "Ik zeg je in naam van de Heer Jezus de Gezalfde; sta op je benen!" En hij sprong op en liep!

11

 

Maar de menigte mensen zag wat Paulus deed en zij verhieven hun stem in de plaatselijke taal en zeiden: "De goden lijken op mensen en zijn naar ons afgedaald!"

12

 

En zij noemden Barnabbas 'de oppergod' en Paulus 'Hermes' omdat hij woordvoerder was. Zeus volgens Griekse HSS

13

 

En de priester van de oppergod, die van buiten de stad was, bracht stieren en kransen naar de de ingang van het hof waar zij verbleven en wilde hen een offer aanbieden.

14

 

Toen Barnabbas en Paulus [dit] hoorden scheurden zij hun mantels, sprongen op, en gingen naar buiten tussen de menigte en riepen uit,

15

 

en zeiden: "Mannen, wat doet u? Wij zijn ook gewone mensen zoals u die tot u prediken dat u zich van deze nutteloze dingen afkeert voor de levende God die hemel, aarde en de zee maakte en alle dingen die daarin zijn,

16

 

die alle niet-joden vroeger toestond dat ze hun eigen weg gingen,

17

 

Desondanks bleef hij niet zonder getuigenis dat hij veel voor hen deed, namelijk dat hij regen deed neervallen en hij vruchten in hun seizoenen deed groeien en vulde hun harten met met voedsel en blijheid." In Griekse HSS 'goed'

18

 

Toen hij deze dingen had gezegd, konden zij de mensen nog net weerhouden dat zij hen geen offer aanboden.

19

 

Nu kwamen daar joden uit Ikonium en Antiochië, en zij stookten de mensen tegen hen op en zij stenigden Paulus en sleepten hem weg uit de stad want ze dachten dat hij was gestorven.

20

 

En de leerlingen verzamelden zich rondom hem, maar hij stond op en ging de stad binnen. De volgende dag vertrok hij van daar met Barnabbas en kwam in de stad Derbe.

21

 

Toen zij gingen verkondigen tot de inwoners van die stad maakten zij vele leerlingen en keerden zij terug naar Lystra en de stad Ikonium en Antiochië.

22

 

Nadat zij de leerlingen hadden aangemoedigd smeekten zij hen om standvastig in het geloof te blijven en zeiden hun: "Door veel vervolging is het mogelijk het koninkrijk van God binnen te gaan."

23

 

En zij stelden in elke gemeente ouderlingen voor hen aan nadat zij met hen hadden gevast en gebeden en zij droegen hen op aan de Heer in wie zij geloofden.

24

 

Terwijl zij het land van Pisidië doortrokken kwamen ze in Pamfilië.

25

 

Nadat zij het woord van Jah in de stad Perge spraken daalden zij af naar Attalia.

26

 

Van daar reisden zij via zee en kwamen in Antiochië want daar waren zij toegewijd aan de genade van Jah en het werk dat zij hadden voltooid.

27

 

Nadat zij de hele gemeente hadden vergaderd, deelden zij alles mee wat God onder hen had gedaan en dat hij de deur van geloof had geopend voor de niet-joden.

28

 

Zij bleven daar een lange tijd bij de leerlingen.

Hoofdstuk 15

1

 

Nu daalden mannen van Judea af die de broeders leerden: "Behalve als jullie zijn besneden op de manier van Mozes, kunnen jullie niet worden gered."

2

 

En er ontstond grote commotie en een discussie tussen Paulus en Barnabbas met hen. Dus gingen Paulus en Barnabbas en de anderen met hen vanwege deze discussie naar de apostelen en de ouderlingen, die in Jeruzalem waren.

3

 

De gemeente stuurde en leidde hen en zij reisden door zowel heel Fenicië als Samaria terwijl zij uitlegden over de bekering van de niet-joden en zij maakten dat alle broeders grote vreugde hadden.

4

 

Toen zij in Jeruzalem kwamen, werden zij ontvangen door de gemeente en door de apostelen en de ouderlingen en zij vertelden hen alles wat God onder hen had gedaan.

5

 

Nu stonden diegenen uit de Farizeeërs op die gelovig waren geworden, en zij zeiden: "Jullie moeten hen besnijden en hen opdragen de wet van Mozes te onderhouden!"

6

 

Dus vergaderden de apostelen en de ouderlingen om deze zaak beter te bekijken.

7

 

Nadat een grote discussie was ontstaan, stond Simon op en zei hun: "Mannen broeders, jullie weten uit mijn woord in vroegere dagen die God koos, dat de niet-joden het woord van het goede nieuws zouden horen en zouden geloven.

8

 

God weet wat in harten leeft en getuigde over hen en gaf hen heilige adem zoals aan ons.

9

 

Niets doet ons verschillen tussen ons en hen, omdat hij hun harten heeft gereinigd vanwege geloof.

10

 

En nu, waarom testen jullie God door een last op de nek van de leerlingen te leggen die zelfs onze voorouders niet konden dragen? Juk

11

 

Maar dankzij de genade van onze Heer Jezus de Gezalfde geloven we dat we worden gered en zij ook.

12

 

Dus werd de hele menigte stil terwijl zij bleven luisteren naar Paulus en Barnabbas toen zij elk ding vertelden wat God via hun handen deed; tekenen en wonderen onder de niet-joden.

13

 

Nadat zij stil waren geworden, stond Jakobus op en zei: "Mannen, broeders, luister naar mij.

14

 

Simon vertelde u hoe God een volk voor zijn naam begon te kiezen uit de niet-joden.

15

 

Tot nu toe worden de woorden van de profeten vervuld zoals is geschreven:

16

 

'Na deze dingen zal ik terugkeren en de gevallen tabernakel van David oprichten, en ik zal wat er van af is gevallen weer bouwen en het oprichten,

17

 

zodat de overigen van de mensheid Jah mochten zoeken en ook alle niet-joodse geroepenen over wie mijn naam genoemd.' Deze dingen zei Jah die dit alles doet.

18

 

De werken van God zijn bekend vanaf het begin.

19

 

Daarom zeg ik; val degenen uit de natiën die zich tot God keren niet lastig,

20

 

maar laten wij hen ons woord zenden, dat zij zich onthouden van verontreiniging door offers aan afgoden, van hoererij en verstikte dieren en van bloed. Bloedschuld

21

 

Want Mozes, had vanaf de vroege eeuwen verkondigers in de gemeente in elke stad om zijn boeken te lezen op elke sabbat."

22

 

Toen kozen de apostelen en ouderlingen met de hele gemeente mannen uit hun midden en zonden hen naar Antiochië met Paulus en Barnabbas, namelijk Judas die Barsabbas en Silas wordt genoemd, mannen die leiders onder de broeders waren.

23