Home

Add to Favorites

 

Lamsa Bible:

 

 

 

RCL Websites:

All One Charity

iGod Book

Pantheism Unites

Aramaic Peshitta Bible Repository

Lamsa Bible Online

 

 

Download "Was the New Testament Really Written in Greek?"

 

 

 

Aramaic/Dutch Peshitta Translation - John

 

Hoofdstuk 1

1

 

In het begin was het Woord, en dat Woord was met God, en dat Woord was god. (hebr: miltha) instantie, woord, substantie, manifestatie God met kapitalisatie (ho-theos), in tegenstelling tot onbepaald theos (god) aan het einde

2

 

Hij was in het begin bij God.

3

 

Alles is ontstaan door zijn handen, en zelfs niet één [ding] van wat bestaat en het leven zijn ontstaan zonder hem.

4

 

Door hem was leven en het leven was het licht van mensen.

5

 

En dat licht schijnt in de duisternis en de duisternis kreeg het [licht] niet uit.

6

 

Er was een man die was gezonden door God; zijn naam was Johannes.

7

 

Deze [man] kwam tot een getuigenis zodat hij mocht getuigen over het licht zodat allen mochten geloven door zijn hand.

8

 

Hij was niet het licht [zelf] maar zou getuigen over het licht.

9

 

Want het licht van waarheid schijnt op allen die in de wereld komen.

10

 

In de wereld kwam hij en de wereld bestond door zijn handen maar de wereld kende hem niet. kosmos

11

 

Hij kwam tot wie van hem waren maar zij ontvingen hem niet.

12

 

Maar zij die hem ontvingen gaf hij autoriteit zodat zij, die in zijn naam geloofden, zonen van God mochten zijn.

13

 

Zij werden niet door bloed of door de wil van het lichaam of de wil van een mens, maar door God ontvangen.

14

 

En het Woord werd lichaam en begaf zich onder ons. En we zagen zijn glorie als de glorie van de eniggeborene die van de Vader is, die vol van gratie en waarheid is.

15

 

Over hem getuigde Johannes en hij zei: "Dit is degene over wie ik zei dat hij ná mij zou komen. En toch was hij vóór mij want hij bestond eerder dan ik."

16

 

En door zijn complement hebben we allen zelfs gratie op gratie ontvangen. aanvulling, letterlijk "dat wat vult, vullen" zie Matteus 9:16.

17

 

Want de Thora werd door Mozes gegeven, maar waarheid en gratie was door de Gezalfde Jezus.

18

 

Geen mens heeft God ooit gezien. De eniggeborene van God, hij die aan de boezem van zijn Vader is, hij heeft hem verklaard.

19

 

En dit is het getuigenis van Johannes toen de Schriftgeleerden, priesters en levieten van de Judeeërs aan hem vroegen: "Wie bent u?" Er was een groot verschil in mentaliteit tussen Galileeërs en Judeeërs. De eersten stelden groot belang in ‘naam’ en prestige. De laatsten in ceremoniën en het navolgen hiervan. 11 apostelen waren Galileërs. Handelingen 1:11; Mattheus 4:15

20

 

Daarop gaf hij toe en ontkende niet en verklaarde: "Niet ik ben de Messias."

21

 

En zij vroegen hem weer: "Bent u dan Elia?" Hij zei dan: "Nee, dat ben ik niet." "Bent u dan de Profeet?" en hij zei: "Nee!" Zij zeiden hem daarop: "Wie bent u dan zodat we

22

 

een antwoord kunnen geven aan wie ons zonden. Wat zegt u over u zelf?"

23

 

Hij zei: "Ik ben de roepende stem in de wildernis: 'Maak de weg van Jah recht' zoals de profeet Jesaja heeft gezegd. Jesaja 40:3. Deze roep, was ook in eerste instantie de naam van volgelingen van Jezus namelijk: “zij die tot ‘De Weg’ behoorden (Handelingen 9:2)”

24

 

Zij die waren gestuurd, waren van de Farizeeën.

25

 

Zij ondervroegen en zeiden hem: "Waarom doopt u als u zelf niet de Gezalfde of Elia of de Profeet bent?"

26

 

Johannes antwoordde en zei tot hen: "Ik doop met water, onder u staat iemand die u niet kent.

27

 

Hij is degene die ná mij zal komen, maar toch hij is [van] vóór mij zodat ik niet waardig ben de riem van zijn sandalen los te maken."

28

 

Deze dingen gebeurden in Bethanië op het oversteken van de Jordaan waar Johannes doopte.

29

 

En op de dag daarna zag Johannes Jezus naar hem komen en zei: "Zie, het Lam van God. Hij neemt de zonden van de wereld [weg]!

30

 

Hij is degene van wie ik sprak dat ná mij een man zal komen maar hij was mij vóór, want hij was [er] eerder dan ik."

31

 

En ik kende hem niet maar dat hij [eerst] bekend gemaakt zou worden aan Israël, daarom ben ik gekomen dat ik zou dopen met water."

32

 

Johannes getuigde ook en zei: "Ik zag de adem als een duif neerdalen uit de hemel en het rustte op hem." Aramees: Lruokha; grieks: πνευμα (pneuma)

33

 

En ik kende hem niet maar Hij die mij zond om met water te dopen tot mij zei: "Degene op wie u de adem ziet neerdalen en op hem rusten, hij zal dopen met de Heilige Adem.

34

 

En ik zag en getuigde dat hij de Zoon van God is."

35

 

De volgende dag stond Johannes met twee van zijn leerlingen.

36

 

En hij tuurde naar Jezus terwijl deze liep en hij zei: "Zie, het lam van God!"

37

 

En zijn beide leerlingen hoorden het toen hij dit zei en zij volgden Jezus.

38

 

Daarop draaide Jezus zich en zag degenen die achter hem kwamen en hij zei hun: "Wat wilt u?" Zij zeiden hem: "Heer, waar verblijft u?"

39

 

Hij zei hun: "Kom en jullie zullen zien." En zij kwamen en zagen waar hij woonde en zij bleven vanaf die dag bij hem. En het was ongeveer het tiende uur.

40

 

En één van hen die van Johannes had gehoord om Jezus te volgen was Andreas, de broer van Simon.

41

 

Deze ontmoette eerst zijn broer Simon en zei hem: "Ik heb de Gezalfde gevonden!"

42

 

En hij bracht hem bij Jezus. Jezus bestudeerde hem en zei: "Simon, jij bent de zoon van Jona en je zult Petrus worden genoemd." Aramees voor 'rots', Cefas of Petrus

43

 

De volgende dag wilde Jezus naar Galilea vertrekken en hij vond Filippus en zei hem: "Volg mij!"

44

 

Filippus nu kwam uit Bethsaïda de stad van Andreas en Simon. Vissersstad

45

 

En Filippus vond Nathanaël en zei hem: "Over wie Mozes (in de Thora) en de Profeten schreven, die hebben we gevonden! Hij is Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth"

46

 

Nathanaël zei hem: "Kan uit Nazareth [iets] wat goed is zijn?" Filippus zei hem: "Kom en je zult zien."

47

 

En Jezus keek terwijl Nathanaël naar hem toe kwam en zei over hem: "Zie, een ware zoon van Israël in wie geen bedrog is!"

48

 

Nathanaël zei hem: "Van waar kent u mij?" Jezus zei hem: "Ik zag u zitten onder de vijgenboom terwijl Filippus u hiervoor riep."

49

 

Nathanaël antwoordde en zei hem: "Leraar, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!"

50

 

Jezus zei hem: "Omdat ik zei dat ik u onder de vijgenboom zag geloofde u? Grotere dingen dan deze zult u zien."

51

 

Hij zei hem: "Amen, amen zeg ik dat u van nu [af] de hemel geopend zult zien terwijl de boodschappers van God afdalen naar de Mensenzoon."

Hoofdstuk 2

1

 

Op de derde dag was er een receptie in Kana, een stad in Galilea en de moeder van Jezus was daar,

2

 

En ook Jezus en zijn leerlingen waren uitgenodigd voor de receptie.

3

 

Toen de wijn opraakte zei zijn moeder tot Jezus: "Ze hebben geen wijn."

4

 

Jezus zei tot haar: "Wat wil je van me? Vrouw, mijn tijd is nog niet gekomen." Hebreeuws idioom letterlijk Wat is er voor mij en voor jou?

5

 

Zijn moeder zei tot de bedienden: "Wat hij u ook zegt, doe dat."

6

 

Er waren daar zes stenen waterkruiken die waren geplaatst voor de reiniging van de Judeeërs, met elk tachtig of honderdtwintig liter inhoud. Amfora's. letterlijk, met elk twee of drie metretras inhoud. Eén metreta (┼) was 39,4 liter.

7

 

Jezus zei tot hen: "Vul de kruiken met water." En zij vulden hen tot de rand.

8

 

Hij zei tot hen: "Schenk nu iets [in] en neem het naar de ceremoniemeester." En zij namen het.

9

 

Toen de ceremoniemeester het water dat wijn was geworden had geproefd terwijl hij niet wist vanwaar het was, behalve de bedienden wisten [het] want zij hadden het water gevuld, riep de ceremoniemeester de bruidegom,

10

 

en hij zei hem: "Iedereen serveert eerst de goede wijn, en als ze dronken zijn dat wat inferieur is. Maar u hebt de goede wijn tot nu bewaard."

11

 

Dit was het eerste wonder dat Jezus deed, in Kana van Galilea. En hij maakte zijn faam bekend en zijn leerlingen geloofden in hem.

12

 

Daarna daalde hij af naar Kapernaüm en zijn moeder en zijn broers en zijn leerlingen bleven daar een paar dagen.

13

 

En Pesach van de joden naderde en Jezus ging op naar Jeruzalem.

14

 

En hij trof in de tempel diegenen aan die runderen, schapen en duiven verkochten en de geldwisselaars die [daar] zaten.

15

 

Daarop maakte hij voor zichzelf een zweep van touw en dreef hen allen en zelfs de schapen en runderen en geldwisselaars uit de tempel. En hij verstrooide hun wisselgeld en gooide hun tafels omver.

16

 

En tot de duivenverkopers zei hij: "Neem ze en maak het huis van mijn Vader niet tot een marktplaats."

17

 

Daarop herinnerden zijn leerlingen dat werd geschreven: "De ijver voor uw huis heeft mij verteerd." Psalmen 69:9

18

 

Maar de Judeeërs antwoordden en zeiden hem: "Wat voor teken kunt u ons tonen dat u deze dingen doet?" Bewijs ons met welke autoriteit u deze dingen doet!

19

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Breek deze tempel af en na drie dagen zal ik haar weer herstellen." herrijzen, opstaan

20

 

De Judeeërs zeiden tot hem: "De tempel was gebouwd in zesenveertig jaar en u herstelt haar in drie dagen?"

21

 

Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam.

22

 

Toen hij opstond uit de doden herinnerden zijn leerlingen dat hij dit had gezegd, en zij geloofden de Schriften en het woord dat Jezus had gezegd. grieks nekros, (νεκρων), zie ook Openbaring 20:5,6 eerste opstanding.

23

 

Terwijl Jezus op Pesach in Jeruzalem was geloofden velen in hem toen zij de wonderen zagen die hij tijdens het feest deed.

24

 

Maar Jezus vertrouwde zichzelf niet toe aan hen want hij kende elk mens,

25

 

en hij leunde niet op mensen om over hem te getuigen tot wie dan ook want hij wist wat in mensen leefde. Doelend op een verkeerd begrip van de Messias en zijn koningschap.

Hoofdstuk 3

1

 

Er was daar een zekere man uit de Farizeeën. Nikodemus was zijn naam, een joodse regeerder.

2

 

Deze man kwam in de nacht naar Jezus en zei tot hem: "Leraar, we weten dat u werd gezonden door God, want een leraar kan deze wonderen die u doet niet doen, behalve hij met wie God is."

3

 

Jezus antwoordde hem: "Ik verzeker je werkelijk dat als iemand niet herboren is, deze het koninkrijk van God niet kan zien."

4

 

Nikodemus zei hem: "Hoe kan een oude man weer geboren worden? Hoe kan [men] voor de tweede keer de schoot van zijn moeder binnengaan en geboren worden?" Aramees 'gawra'

5

 

Jezus antwoordde en zei hem: "Amen, amen; ik zeg u dat als een mens niet is geboren uit adem en water, hij het koninkrijk van God niet kan binnengaan. Roeach, geest

6

 

Dat wat is geboren uit het lichaam is lichaam en dat wat is geboren uit adem is adem. Roeach, geest

7

 

Verbaas u niet dat ik u heb gezegd dat het voor u nodig is weer geboren te worden.

8

 

Wind zal waaien waar het wil en u hoort zijn stem, maar u weet niet waar het vandaan komt of waar [het] naartoe gaat, zo is iedereen die uit adem is geboren." Roeach stem

9

 

Nikodemus antwoordde en zei hem: "Hoe kunnen deze dingen bestaan?"

10

 

Jezus antwoordde en zei hem: "U bent een leraar van Israël, maar u begrijpt deze dingen niet?

11

 

Ik zeg u werkelijk dat we de dingen bespreken die we weten, en we getuigen van de dingen die we zien. En ons getuigenis zou u niet accepteren.

12

 

Als ik u over de wereld had verteld, geloofde u toch niet. Zou u ooit geloven als ik zou spreken over de hemel?

13

 

Niemand is opgestegen naar de hemel, behalve hij die neerdaalde uit de hemel, de Mensenzoon [die in de hemel is]. volgens Peshitta en Vulgaat maar niet volgens griekse afschriften. Jezus spreekt in tegenwoordige tijd, terwijl hij feitelijk nog moet terugkeren. Vandaar dat 'die in de hemel is' niet tegenstrijdig is.

14

 

Zoals Mozes de slang in de wildernis heeft opgeheven, zo staat de Mensenzoon op het punt te worden opgeheven.

15

 

Dus iedereen die in hem gelooft zal niet vergaan maar zal eeuwig leven hebben. worden vernietigd

16

 

Want God heeft de wereld zo liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon zou geven, zodat wie ook in hem zou geloven niet zou vergaan maar eeuwig leven zou hebben.

17

 

God heeft zijn zoon niet naar de wereld gestuurd om de wereld te veroordelen maar om door zichzelf leven aan de wereld te geven.

18

 

Hij die in hem gelooft, zal niet geoordeeld worden. Hij die niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.

19

 

Dit is nu [de basis van] het oordeel want het licht is in de wereld gekomen, maar men heeft de duisternis meer lief dan het licht want hun werken zijn slecht.

20

 

Want iedereen die lage dingen doet, haat het licht en komt niet tot het licht want zijn daden zullen verborgen zijn.

21

 

Maar wie doet wat waar is komt tot het licht zodat bekend zou worden dat zijn werken in God zijn gedaan."

22

 

Na deze dingen kwamen Jezus en zijn leerlingen naar het gebied van Judea waar hij met hen zou verblijven en dopen.

23

 

Ook Johannes doopte nu; in Enon dat vlak bij Salim is want er was daar voldoende water en men kwam en werd daar gedoopt,

24

 

want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25

 

En er was een vraag gerezen aan van de leerlingen van Johannes van een zekere Judeeër over de reiniging. Aramees (Tadkiyta) ceremoniele reiniging doelend op de doop.

26

 

En zij kwamen naar Johannes en zeiden hem: "Meester, hij die met u was bij de oversteekplaats van de Jordaan, over wie u getuigde, zie, hij doopt ook en velen komen naar hem!" doelend op Bethanië.

27

 

Johannes antwoordde en zei hun: "Men kan niet uit zijn eigen wil iets ontvangen behalve [als] het hem gegeven wordt uit de Hemel.

28

 

U was mijn getuige dat ik zei dat niet ik de Gezalfde ben maar een boodschapper die vóór hem is.

29

 

Hij die de bruid heeft is de bruidegom maar de vriend van de bruidegom is degene die [stil]staat en naar hem luistert en [met] veel vreugde zich verheugt om de stem van de bruidegom. Daarom is mijn vreugde volmaakt!

30

 

Hij zal moeten toenemen en ik moet afnemen.

31

 

Want hij die van boven is gekomen, is groter dan allen. Hij die van de aarde is, is van de aarde en spreekt aardse dingen. Hij die uit de hemel is gekomen, is groter dan allen. Letterlijk: spreekt van de aarde. Letterlijk: boven, op

32

 

En van wat hij heeft gezien en gehoord getuigt hij, maar niemand aanvaardt zijn getuigenis.

33

 

Wie zijn getuigenis heeft aanvaard, weet zich verzekerd dat God loyaal is. Aramees: Verzegeld (KHT,aM ). Zie Mattheus 27:66ook impress Aramees: SHaRiYRaA

34

 

Want wie ook door God is uitgezonden, spreekt de woorden van God, want God geeft de adem niet in kleine beetjes. letterlijk 'met mate'.

35

 

De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gegeven.

36

 

Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven en wie die de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien, maar de woede van God zal tegen hem opstaan."

Hoofdstuk 4

1

 

Nu wist Jezus dat de Farizeeën hadden gehoord dat hij veel leerlingen maakte en meer doopte dan Johannes. Volgens Griekse HSS ‘Heer (Kurios)’

2

 

Terwijl niet hij, Jezus, doopte maar vooral zijn leerlingen.

3

 

En hij verliet Juda en deed Galilea weer aan. Aramees (OeAT,aA) betrekking op een zeer kort bezoek.

4

 

Maar hij moest door Samaria trekken.

5

 

En hij kwam bij een stad van Samaria die Sichar werd genoemd. Langs een veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.

6

 

Daar was ook een waterbron [van] Jakob. En Jezus was vermoeid van de reis en hij ging zitten op de bron en het was het zesde uur.

7

 

En een vrouw uit Samaria kwam om water te putten en Jezus zei tot haar: "Geef water te drinken."

8

 

Want zijn leerlingen waren de stad binnengegaan om voedsel voor zichzelf te kopen.

9

 

Deze Samaritaanse vrouw zei hem: "Hoe kan het zijn dat u, een jood bent en u mij iets te drinken vraagt want ik ben een Samaritaanse vrouw en de joden onderhouden geen sociale contacten met de Samaritanen.

10

 

Jezus antwoordde en zei haar: "Als u eens de gave van God had gekend en wie degene is die tot u zegt: Geef me te drinken zou u hebben hem gevraagd en hij zou u levend water gegeven hebben."

11

 

Deze vrouw zei tot hem: "Mijn Heer, u hebt geen emmer en de put is diep, waar zijn uw levende wateren?

12

 

Waarom bent u groter dan onze vader Jakob die ons deze bron gaf, en die uit haar dronk, en zijn zonen en zijn schapen [ook]?"

13

 

Jezus antwoordde en zei haar: "Allen die drinken van deze wateren zullen weer dorst krijgen,

14

 

maar wie die drinkt van de wateren die ik hem geef zal nooit meer dorst hebben, want de wateren die ik hem geef, zullen in zichzelf een waterbron worden die eeuwig leven zullen opborrelen."

15

 

Deze vrouw zei tot hem: "Mijn Heer, geef me van deze wateren zodat ik nooit meer dorst zal hebben of hier moet komen en putten."

16

 

Jezus zei tot haar: "Ga, roep uw echtgenoot en kom hier!"

17

 

Ze zei tot hem: "Ik heb geen echtgenoot." Jezus zei tot haar: "U hebt juist gezegd: ik heb geen echtgenoot,

18

 

want vijf echtgenoten hebt u gehad en degene die u nu hebt is niet uw echtgenoot. Het is waar wat u hebt gezegd."

19

 

Die vrouw zei hem: "Mijn Heer, ik zie dat u een profeet bent;

20

 

Onze voorvaders bogen zich neer op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de plaats voor aanbidding is." aanbaden

21

 

Jezus zei haar: "Geloof me vrouw, dat het moment komt dat men niet op deze berg of in Jeruzalem de vader zal aanbidden. zich neerbuigen

22

 

Jullie aanbidden iets dat jullie niet kennen, maar wij aanbidden wat we kennen want 'leven is door de Joden.'

23

 

Maar het moment komt en is nu dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in spiritualiteit en in waarheid. Wat de Vader betreft; Hij zoekt inderdaad deze aanbidders.

24

 

Want God is Geest, en wie Hem aanbidden moeten hem in spiritualiteit en waarheid aanbidden."

25

 

Die vrouw zei hem: "Ik weet dat de Gezalfde komt, en als hij komt zal hij ons alles leren."

26

 

Jezus zei haar: "Ik ben diegene; met wie u spreekt!" Aramees: 'Aena aena, dammalel eamek'

27

 

Terwijl hij sprak, kwamen zijn leerlingen verbaasd, dat hij sprak met een vrouw, maar niemand zei: "Wat of waarom spreekt u met haar?"

28

 

Daarop liet de vrouw de waterkruik in de steek, ging naar de stad en vertelde [het aan] de mensen.

29

 

"Kom kijken [naar] de man die me alles vertelde wat ik heb gedaan. Is hij de Gezalfde?"

30

 

En alle mensen gingen uit de stad en kwamen bij hem.

31

 

Tijdens deze dingen verzochten zijn leerlingen hem en zeiden hem: "Eet, Heer!"

32

 

Maar hij zei hun: "Ik heb voedsel te eten dat u niet kent."

33

 

Zijn leerlingen zeiden onderling: "Welke persoon heeft hem iets te eten gegeven?"

34

 

Jezus zei hun: "Mijn voedsel is dat ik de wil doe van hem die mij heeft gezonden en dat ik zijn werk voltooi.

35

 

Zeggen jullie niet dat over vier maanden de oogst komt? Zie, ik zeg jullie, open je ogen en zie dat de velden wit zijn en [nu] al gerijpt zijn voor de oogst!

36

 

En de oogster ontvangt loon en verzamelt vruchten van eeuwig leven en de zaaier en de oogster zullen samen blij zijn.

37

 

Want dit is een waar woord: 'De één zaait en de ander oogst.' of 'Gezegde, spreekwoord' (Aram: Miltha) zie Johannes 1 vs 1, "Woord"

38

 

Ik heb jullie gezonden om te oogsten, niet iets waarvoor jullie werk moesten doen, want anderen zwoegden, en jullie hebben hun werk voortgezet." Letterlijk: Jullie zijn hun werk binnengegaan

39

 

In die stad geloofden vele Samaritanen in hem vanwege het woord van die vrouw die getuigde: "Hij had me alles verteld wat ik heb gedaan."

40

 

Toen die Samaritanen naar hem kwamen verzochten zij hem om bij hen te blijven en hij blijf twee dagen bij hen.

41

 

En velen geloofden in hem door zijn woord. Zie johannes 1:1

42

 

Zij bleven zeggen tot die vrouw: "Niet vanwege uw woord geloven we in hem, want wij hebben hem gehoord en nu; dit is werkelijk de Gezalfde, de levengever van de wereld!"

43

 

En na twee dagen ging Jezus vandaar weg naar Galilea.

44

 

Want Jezus zelf getuigde dat een profeet in zijn eigen stad niet wordt geëerd. Volgens griekse HSS 'land'; volgens Peshitta 'stad', zie Lukas 4 vs 16 Gezien op de kaart, passeerde Jezus Nazareth en liep door naar Kana en Kapernaum. Vanuit die context is deze uitspraak begrijpelijk.

45

 

Toen hij in Galilea kwam ontvingen hem de Galileeërs die al de wonderen zagen die Jezus deed in Jeruzalem tijdens het feest want zij waren ook naar het feest gekomen.

46

 

En Jezus kwam weer in Kana van Galilea waar hij water in wijn had veranderd. En in Kapernaüm was een zekere dienaar van een koning van wie zijn zoon ziek was.

47

 

Deze hoorde dat Jezus kwam vanuit Juda naar Galilea. Hij ging naar hem toe en verzocht hem om af te dalen en zijn zoon te genezen want hij stierf bijna.

48

 

Jezus zei hem: "Als jullie geen tekenen of wonderen zien zullen jullie niet geloven."

49

 

Die dienaar van de koning zei hem: "Mijn heer, daal af voordat de jongen sterft!"

50

 

Jezus zei hem: "Ga, uw zoon is levend!" En die man geloofde in het woord dat Jezus tot hem sprak en hij vertrok.

51

 

Terwijl hij afdaalde ontmoetten zijn knechten hem en brachten hoop en zeiden hem: "Uw zoon leeft!"

52

 

En hij vroeg hen: "Hoe laat werd hij beter?" Zij zeiden hem: "Gisteren, rond het zevende uur verliet de koorts hem."

53

 

En zijn vader wist dat in dat zelfde uur Jezus tot hem had gezegd: "Uw zoon leeft!". Daarop kwamen hij en zijn hele huisgezin tot geloof.

54

 

Dit was weer een teken, het tweede dat Jezus deed toen hij van Juda naar Galilea was gekomen.

Hoofdstuk 5

1

 

Na deze dingen was er een feest van de Judeeërs en Jezus ging op naar Jeruzalem.

2

 

Nu was daar in Jeruzalem een zekere doopgelegenheid die in het Hebreeuws Bethesda werd genoemd en daar waren vijf zuilengangen. Huis van weldaad. Alternatief Bethsaïda betekent 'vissershuis'

3

 

Daarin lagen veel mensen die ziek waren. En de blinden, verlamden en kreupelen reageerden op het golven van het water.

4

 

Want een boodschapper zou van tijd tot tijd afdalen tot de doopgelegenheid en zou het water roeren, en wie het eerste zou afdalen na de beweging van het water, zou worden genezen van elk pijn die hij had. Wordt weggelaten in Griekse HSS.

5

 

En er was daar een zekere man die achtendertig jaar ziekte leed.

6

 

Jezus zag deze man die daar lag en hij wist hoe lang hij [deze ziekte] leed. En hij zei hem: "Wil je gezond gemaakt worden?" letterlijk; 'compleet' zie ook het Hebreeuwse woord voor 'Volmaakt' dat ook 'compleet' betekent.

7

 

Die zieke man antwoordde en zei: "Ja, mijn Heer, maar ik heb niemand wanneer het water wordt geroerd om me in de doopgelegenheid te zetten want voor ik kom, daalt een ander me vóór me af."

8

 

Jezus zei hem: "Sta op, neem je draagbed en loop!"

9

 

En onmiddellijk was die man genezen, stond op en nam zijn draagbed en liep. Maar die dag was het sabbatdag.

10

 

Dus zeiden de Judeeërs tegen die man die was genezen: "Het is sabbat; de Thora staat u niet toe uw draagbed te dragen!"

11

 

En hij antwoordde en zei hun: "Degene die me genas zei me: 'Neem je draagbed en loop!'"

12

 

Zij vroegen hem: "Wie is deze man die tot u zei: 'Neem je draagbed en loop?'"

13

 

Maar de genezene wist niet wie Jezus was, want hij was omgeven door een grote menigte die op die plaats was.

14

 

Na een tijdje vond Jezus hem in de tempel en zei hem: "Zie, je bent weer gezond! Zondig niet weer zodat je niets overkomt dat erger is dan ervoor."

15

 

En die man ging naar de Judeeërs en zei dat Jezus degene was hem gezond had gemaakt.

16

 

Daarom vervolgden de Judeeërs Jezus en zochten hem om te doden omdat hij deze dingen op de sabbat zou doen.

17

 

Maar Jezus zei hun: "Mijn Vader werkt tot nu toe, dus werk ik ook."

18

 

En hierdoor zochten de Judeeërs hem nog meer te doden. Niet alleen omdat hij de sabbat had verbroken, maar ook dat hij zou zeggen dat God zijn Vader is en zich gelijkstellen met God zelf.

19

 

Maar Jezus antwoordde en zei hun: "Amen, amen; ik zeg u dat de Zoon niets kan doen door eigen wil maar hij doet de dingen die hij de Vader ziet doen. Want zoals de Vader doet, deze dingen doet de Zoon hetzelfde.

20

 

Want de Vader houdt van zijn Zoon en alles wat hij doet laat hij hem zien. Maar hij zal hem grotere werken dan deze laten zien en u zult zich verbazen.

21

 

Zoals de Vader de doden opwekt en hen leven geeft zo zal de Zoon wie wil hij doen herleven.

22

 

Want het is niet de Vader die alle mensen oordeelt, maar hij heeft het gehele oordeel gegeven aan de Zoon.

23

 

Zodat iedereen de Zoon zou eren zoals hij de Vader eert. Degene die de Zoon niet eert, eert ook de Vader niet die hem heeft gezonden.

24

 

Amen, amen, ik zeg u dat wie mijn woord hoort en in Hem gelooft die mij heeft gezonden, heeft eeuwig leven en zal niet in oordeel komen want hij heeft zich van de dood verwijderd tot leven.

25

 

Amen, amen, ik zeg u dat de tijd komt zelfs nu al, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die horen zullen leven.

26

 

Want wat de Vader betreft is er leven in hem en zo geeft hij ook de Zoon dat leven in hem mag zijn.

27

 

En hij heeft hem de autoriteit gegeven om het oordeel ook uit te voeren want hij is de Mensenzoon.

28

 

Wees hierover niet verbaasd want het moment komt dat allen die in de herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen. Aramees: Dabqab, rea; Grieks 'mnemneios (μνημειοις)' Zie ook Openbaring 20:13

29

 

Zij die goede dingen hebben gedaan zullen uitgaan tot een opstanding van leven. En zij die slechte dingen hebben gedaan tot een opstanding van oordeel. Opstaan, (aramees; onap'quon)

30

 

Ik kan niets uit mijzelf doen, maar zoals ik gehoorzaam zo oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig want ik zoek niet mijn eigen wil maar de wil van degene die mij heeft gezonden. Andere vertalingen; ‘zoals ik hoor’. Het Aramese grondwoord kan echter zowel horen als gehoorzamen betekenen. Jezus is gehoorzaam aan zijn Vader en oordeelt dus rechtvaardig.

31

 

Als ik over mijzelf getuig is mijn getuigenis niet waar.

32

 

Het is een ander die over mij getuigt en ik weet dat zijn getuigenis dat hij aflegt over mij waar is.

33

 

U stuurde [mensen] naar Johannes, en hij getuigde over de waarheid.

34

 

Echter niet van mensen neem ik getuigenis, maar ik zeg dit zodat u mag leven. In tegenstelling tot leiders die op basis van titel zoals Gezalfde, Rabbi enz, hun eer behalen.

35

 

Die man was een lamp die scheen en licht bracht, en u wilde zich voor een korte tijd in zijn licht verheugen. Letterlijk 'voor één uur'

36

 

Maar ik heb een getuigenis dat groter is dan [die] van Johannes. Want de werken die mijn Vader mij heeft gegeven om ze te voltooien, die werken die ik doe bewijzen over mij dat mijn Vader me gezonden heeft.

37

 

En de Vader die mij gezonden heeft getuigt over mij. Nooit hebt u zijn stem gehoord of hebt u zijn verschijning gezien.

38

 

En zijn woord leeft niet in u want in wie hij heeft gezonden stelt u geen geloof.

39

 

U onderzoekt de Schriften want daardoor gelooft dat u eeuwig leven hebt en zij getuigen over mij.

40

 

Toch wilt u niet tot mij komen zodat u eeuwig leven mag hebben.

41

 

Ik ontvang geen complimenten van de mensenzonen,

42

 

maar ik ken u wel; dat de liefde van God niet in u is.

43

 

Ik ben gekomen in naam van mijn Vader. U hebt mij niet ontvangen. Maar zou een ander komen in zijn eigen naam zou u hem ontvangen.

44

 

Hoe kunt u hen geloven die eer van elkaar ontvangen maar de eer die van de ene God komt niet zoeken?

45

 

Waarom denkt u dat ik u zal beschuldigen tegenover de Vader? Er is er [al] één die u beschuldigt, dat is Mozes op wie u hoopt.

46

 

Als u maar in Mozes had geloofd zou u ook in mij geloven, want Mozes schreef over mij.

47

 

En als u de geschriften van hem niet gelooft, hoe zult u mijn woorden geloven?"

Hoofdstuk 6

1

 

Na deze dingen ging Jezus naar de andere kant van de zee van Galilea, van Tiberias.

2

 

En een grote menigte mensen volgde hem want zij hadden de wonderen gezien die hij deed met de zieken.

3

 

En Jezus ging op een berg en daar ging hij zitten met zijn leerlingen.

4

 

Het Pesachfeest van de joden kwam nabij.

5

 

Jezus sloeg zijn ogen op en zag de grote menigte mensen die naar hem kwamen en hij zei tot Filippus: "Waar kunnen we brood kopen zodat deze mensen kunnen eten?"

6

 

Dit zei hij om hem te testen want hij wist wat hij op het punt stond te doen.

7

 

Filippus zei hem: "Tweehonderd denarii voor brood zou hen niet genoeg zijn maar ieder zou een klein stukje kunnen nemen." 200 werkdagen

8

 

Een van zijn leerlingen, Andreas de broer van Simon Petrus zei:

9

 

"Hier is een zekere jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft. Maar wat zijn deze [dingen] voor al die mensen?"

10

 

Jezus zei hun: "Laat alle mensen aanliggen." Nu was daar veel gras op die plaats en het aantal van de mensen dat aanlag was vijfduizend.

11

 

En Jezus nam het brood, zegende het en verdeelde het voor wie aanlagen en deed ook zo met de vis zoveel zij wensten.

12

 

Toen zij gevuld waren zei hij zijn leerlingen: "Verzamel de overgebleven stukken zodat niets verloren zal gaan."

13

 

En zij verzamelden en telden twaalf manden met wat was overgebleven van degenen die aten van de vijf gerstebroden.

14

 

Zij en degenen die het wonder zagen dat Jezus deed bleven zeggen: "Werkelijk, dit is de profeet die in de wereld komt!"

15

 

Maar Jezus wist dat zij op het punt stonden hem te grijpen en hem een koning te maken dus trok hij zich alleen terug op de berg.

16

 

Toen de avond kwam, daalden zijn leerlingen af naar de zee,

17

 

en stapten in een boot en gingen naar de andere kant, naar Kapernaüm. Terwijl het donker was geworden was Jezus nog niet bij hen gekomen.

18

 

Nu was de zee hevig tegen hen gekeerd want een sterke wind waaide.

19

 

En zij hadden ongeveer vijf of zes kilometer geroeid toen zij Jezus zagen terwijl hij op het meer liep. Toen hij hun boot naderde waren zij bang. vijfentwintig of dertig stadiën

20

 

Maar Jezus zei hun: "Ik ben het, wees niet bang!"

21

 

Dus wilden zij hem in de boot ontvangen en spoedig bereikte die boot het gebied waar zij naar toe gingen.

22

 

De volgende dag zag de menigte die op de andere kant van de oever was de andere boot behalve die in welke de leerlingen waren weggegaan, maar dat Jezus niet met zijn leerlingen in de boot was gestapt.

23

 

Maar andere boten waren gekomen van de plaats rond Tiberias, waar zij brood hadden gegeten terwijl Jezus het zegende.

24

 

Toen de menigte zag dat zowel Jezus als zijn leerlingen daar niet waren gingen zij in deze boten naar Kapernaüm [om te] zoeken waar Jezus was.

25

 

Zodra zij hem vonden aan de overkant van de zee zeiden zij hem: "Heer, wanneer kwam u hier?"

26

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Amen, amen; ik zeg u dat u niet mij zoekt. Het is omdat u voornamelijk wonderen zag en dat u brood at en gevuld raakte.

27

 

Werk niet voor voedsel dat vergaat maar voor voedsel houdbaar is tot eeuwig leven, wat de Mensenzoon u zal geven want dit heeft de Vader gegarandeerd." Aramees woordspeling met koninkrijk (Makultha; voedsel, koninkrijk; Malkutha). Doorgaans was voedsel weergegeven met 'Sebartha'.

28

 

Zij zeiden hem: "Wat moeten we doen om de werken van God te doen?"

29

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Dit is het werk van God, dat u dient te geloven in hem die hij heeft gezonden."

30

 

Zij zeiden hem: "Wat voor wonder kunt u tonen zodat we kunnen zien en in u geloven? Wat hebt u laten zien?

31

 

Onze voorvaders aten manna in de wildernis zoals is geschreven: "Hij gaf hen brood uit de hemel te eten." Aramees voor 'wat is het?'. De joden probeerden listig Jezus woorden te weerleggen door te zeggen dat JHWH wel letterlijk voedsel gaf, en dat als Jezus dus profeet was, hij ook maar voedsel moest geven. Psalmen 105:40

32

 

Jezus zei hun: "Amen, amen; ik zeg u dat het niet Mozes was die u brood uit de hemel gaf, maar mijn Vader die u waar brood uit de hemel geeft.

33

 

Want het brood dat van God is hij die neerdaalde uit de hemel en geeft leven aan de wereld."

34

 

Zij zeiden tot hem: "Heer, geef ons dit brood voor altijd!"

35

 

Jezus zei hun: "Ik ben het brood van leven; wie ook tot mij komt, zal geen honger hebben, en wie ook in mij gelooft zal nooit dorst hebben.

36

 

Maar ik heb u gezegd dat u mij hebt gezien en toch gelooft u niet.

37

 

Allen die mijn Vader me heeft gegeven zullen komen en wie ook tot mij komt zal ik niet buiten werpen.

38

 

Want ik kwam niet uit de hemel alsof het mijn eigen wil was maar om de wil van Hem te doen die me heeft gezonden.

39

 

Dit is zijn wil, die van hem die mij zond, dat allen die hij mij heeft gegeven niet verloren raken, maar dat ik dezen opwek op de laatste dag.

40

 

Want dit is de wil van mijn Vader dat allen die de Zoon zien en in hem geloven, eeuwig leven zullen hebben. En ik zal hem opwekken op de laatste dag."

41

 

Nu bleven de Judeeërs tegen hem murmureren omdat hij had gezegd: "Ik ben het Brood dat uit de hemel is neergedaald."

42

 

En zij bleven zeggen: "Is dit Jezus, de zoon van Jozef en zijn moeder die we kennen? En hoe kan deze man zeggen: 'ik ben neergedaald uit de hemel?'"

43

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Murmureer niet met elkaar.

44

 

Geen mens kan tot mij komen behalve wanneer de Vader hem leidt die mij heeft gezonden. En ik zal hem opwekken op de laatste dag,

45

 

want er staat geschreven in de Profeten dat allen onderwezen zullen zijn door Jah, elk die daarom van de Vader hoort en van hem leert komt tot mij. Jesaja 54:13

46

 

Men kan de Vader niet kan zien behalve hij die van God is; hij ziet de Vader.

47

 

Amen, amen; ik zeg u dat die wie ook in mij gelooft eeuwig leven heeft.

48

 

Ik ben het brood van leven.

49

 

Uw voorvaders aten manna in de wildernis maar zij stierven.

50

 

Maar dit is brood dat is neergedaald uit de hemel waarvan men mag eten en niet zal sterven.

51

 

Ik ben het levende brood dat is neergedaald uit de hemel. En als iemand van dit brood zou heten zal hij eeuwig leven. Het brood dat ik zal geven is mijn lichaam dat ik geef voor het leven van de wereld."

52

 

En de Judeeërs gingen redetwisten met elkaar en zeiden: "Hoe kan deze zijn lichaam aan ons te eten geven?"

53

 

Daarop zei Jezus tot hen: "Amen, amen, ik zeg dat behalve als u het lichaam van de Mensenzoon eet en zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf.

54

 

Hij die van mijn lichaam eet en drinkt van mijn bloed heeft eeuwig leven en ik zal hem opwekken op de laatste dag.

55

 

Want mijn lichaam is werkelijk voedsel en mijn bloed is werkelijk drank.

56

 

Hij die mijn lichaam eet en mijn bloed drinkt verblijft in mij en ik in hem.

57

 

Zoals de levende Vader mij heeft gezonden en ik leef om de Vader; en wie van mij eet zal ook leven om mij.

58

 

Dit is het brood dat is neergedaald uit de hemel. Het is niet zoals uw voorvaders manna aten en stierven. Wie dit brood eet zal eeuwig leven."

59

 

Hij zei deze dingen op de vergadering in Kapernaüm terwijl hij onderwees.

60

 

En velen van zijn leerlingen die het hoorden zeiden: "Dit is een lastige rede, wie kan er naar luisteren?"

61

 

Maar Jezus wist bij zichzelf dat zijn leerlingen erover murmureerden dus zei hij hun: "Dit shockeert u?

62

 

Als u daarom de Mensenzoon ziet opstijgen naar de plaats waar hij ervoor was?

63

 

Het is de adem die leven geeft. Het lichaam heeft geen enkel voordeel. De woorden die ik met u spreek zijn adem en leven.

64

 

Maar er zijn sommigen van u die niet geloven." Want Jezus had van het begin geweten wie hem niet geloofden en wie hem zou verraden.

65

 

Hij zei hun: "Daarom heb ik u dit gezegd; dat niemand tot mij kan komen behalve als het hem is gegeven door mijn Vader."

66

 

Vanwege deze rede draaiden veel van zijn leerlingen zich om en liepen niet met hem.

67

 

En Jezus zei tegen zijn twaalf: "Waarom willen ook jullie gaan?"

68

 

Simon Petrus antwoordde en zei: "Heer, tot wie moeten we gaan, u hebt woorden van eeuwig leven,

69

 

en we geloven en weten dat u de Messias bent, de Zoon van de levende God."

70

 

Jezus zei hun: "Heb niet ik twaalf van u gekozen? Eén van u is een tegenstander." volgens Peshitta 'satan' wat tegenstander betekent

71

 

Nu sprak hij over Judas de zoon van Simon Iskariot want hij, één van de twaalf, stond op het punt hem te verraden.

Hoofdstuk 7

1

 

Na deze dingen liep Jezus in Galilea hij wilde namelijk niet in Judea lopen want de Judeeërs zochten hem te doden.

2

 

Nu kwam het loofhuttenfeest van de joden nabij.

3

 

Dus zeiden de broers van Jezus: "Vertrek van hier en ga naar Judea zodat je leerlingen ook de werken mogen zien die je doet,

4

 

want niemand die openbaar wil zijn doet iets in het geheim. Als je deze dingen doet, toon jezelf dan aan de mensen!"

5

 

Want zelfs zijn broers hadden niet geloofd in Jezus.

6

 

Jezus zei hun: "Mijn tijd is tot nu nog niet gekomen, maar jullie hebben nog alle tijd!

7

 

De wereld kan jullie niet haten maar mij haten ze want ik getuig tegen haar dat haar werken slecht zijn.

8

 

Gaan jullie naar dit feest, ik zal niet naar dit feest gaan want mijn tijd is nog niet gekomen." letterlijk; opgaan want Jeruzalem lag hoger. letterlijk 'voltooid'

9

 

Deze dingen zei hij dus bleef hij in Galilea,

10

 

maar toen zijn broers naar het feest gingen ging hij toch, niet openlijk maar in het geheim. Johannes gebruikt hier een woordspel met het woord 'openlijk'; b b'Galeea en het woord 'Galilea'; b'Galeela.

11

 

Maar de Judeeërs zochten naar hem op het feest en bleven zeggen: "Waar is hij?"

12

 

En er was veel gemompel om hem onder de menigte daar want sommigen zeiden dat hij goed was en anderen zeiden: "Nee, want hij misleidt de mensen."

13

 

Maar niemand sprak openlijk over hem, vanwege angst voor de Judeeërs. Deze tekst bewijst dat de vertaling: "joden" religieus opgevat moet worden, daarom dus 'Judaïsten' ipv joden wat veel vertalingen doen.

14

 

Op de helft van het feest nu, ging Jezus op naar de tempel en hij ging onderwijzen.

15

 

En de Judeeërs verbaasden zich en zeiden: "Hoe kent deze de geschriften daar hij niet heeft gestudeerd?"

16

 

Jezus antwoordde en zei: "Mijn leringen zijn niet van mij maar van degene die mij heeft gezonden.

17

 

Degene die zijn wil wenst te doen kan begrijpen of mijn leringen van God zijn of door mijn eigen wil.

18

 

Wie voor eigen rekening spreekt, zoekt zijn eigen eer. Maar wie de eer zoekt van degene die hem heeft gezonden zoekt is waar, en er is geen onrecht in zijn hart.

19

 

Gaf Mozes u niet de Thora? Toch onderhoudt niemand onder u de Thora. Waarom wilt u mij doden?"

20

 

De menigte antwoordde en zei: "U hebt een demon, wie wil u doden?"

21

 

Jezus antwoordde en zei: "Ik heb een [bepaald] werk gedaan en allen verbazen zich,

22

 

daarom gaf niet Mozes de besnijdenis omdat het van Mozes was maar het was van de patriarchen. Toch besnijdt u iemand op de sabbat.

23

 

Als een man wordt besneden op de dag van de sabbat zodat de Thora van Mozes niet wordt veronachtzaamd, waarom murmureert u tegen mij omdat ik iemand gezond heb gemaakt op de sabbat?

24

 

Oordeel niet met hypocrisie maar met een recht oordeel.

25

 

En mannen van Jeruzalem bleven zeggen: "Is dit niet de man die zij willen doden?

26

 

En zie, hij spreekt openlijk. En zij zeggen hem niets. Waarom? Denken onze ouderlingen dat deze werkelijk de Gezalfde is?

27

 

Maar wij kennen deze man, van waar hij is; maar wanneer de Gezalfde komt weet niemand van waar hij is."

28

 

En Jezus verhief zijn stem terwijl hij onderwees in de tempel en zei: "Zowel u als ik weten van waar ik ben. U weet dat ik niet uit eigen wil ben gekomen, maar werkelijk; hij die mij heeft gezonden, hem kent u niet.

29

 

Maar ik ken hem want ik van hem kom ik, en hij heeft mij gezonden."

30

 

En zij wilden hem grijpen, toch deed niemand hem iets want zijn tijd was nog niet gekomen. letterlijk niemand sloeg de hand aan hem

31

 

En velen van de menigten geloofden in hem en zeiden: "Wanneer de Gezalfde komt, zou deze dan meer wonderen doen dan dat deze man doet?"

32

 

Maar de Farizeeën hoorden de menigten die over hem deze dingen zeiden dus zonden zij en de overpriesters bewakers zodat die hem zouden grijpen. Het werd joden toegestaan een eigen politiemacht voor de tempel te hebben. Volgens Romeinse gewoonte waren zulke soldaten deel van de Auxilia

33

 

En Jezus zei: "Een korte tijd ben ik met u en ik zal gaan naar hem die mij heeft gezonden.

34

 

U zult mij zoeken maar mij niet vinden; waar ik ben zult u niet kunnen komen."

35

 

De Judeeërs zeiden onder elkaar: "Waarheen staat deze man op het punt te gaan waar wij hem niet kunnen vinden? Hij zal wel straks naar de diaspora onder de natiën gaan en de niet-joden onderwijzen! Griekse HSS 'diaspora' Peshitta 'mensen' Griekse HSS: Grieken; Peshitta; 'heidenen'

36

 

Wat is dit voor uitspraak dat hij zei: 'U zult mij zoeken maar mij niet vinden en waarheen ik ga, kunt u niet komen?'"

37

 

Op de grote dag welke de laatste dag van het feest is, ging Jezus staan en hij riep uit en zei: "Als iemand dorst heeft, laat hij naar mij komen en drinken,

38

 

Wie ook in mij gelooft zoals de schriften hebben gezegd; rivieren van levend water zullen stromen uit zijn binnenste."

39

 

Want dit zei hij over de adem die zij die in hem geloofden op het punt stonden te ontvangen. Want de adem was nog niet gegeven omdat Jezus nog niet groots was gemaakt.

40

 

Daarop bleven velen van de menigten zeggen die zijn woorden horen: "Dit is werkelijk een profeet!"

41

 

Anderen bleven zeggen: "Dit is de Gezalfde!", anderen zeiden: "Waarom? Komt de Gezalfde uit Galilea?

42

 

Zeggen de Schriften niet dat door het zaad van David en uit het dorp Bethlehem van David, de Gezalfde komt?"

43

 

En er ontstond verdeeldheid in de menigte, om hem.

44

 

Sommigen onder hen hadden hem willen grijpen, maar niemand raakte hem aan.

45

 

En die bewakers gingen terug naar de overpriesters en de Farizeeën en de priesters zeiden hun: "Waarom hebben jullie hem niet gebracht?"

46

 

De bewakers zeiden hun: "Nooit heeft iemand zo gesproken als deze man!"

47

 

De Farizeeën zeiden hun: "Wat, zelfs jullie zijn misleid!

48

 

Heeft iemand van de leiders of de Farizeeën in hem geloofd?

49

 

Behalve deze mensen, die de Thora niet kennen, vervloekt zijn zij!"

50

 

Nikodemus, één van hen, die in de nacht naar Jezus was gegaan, zei hun:

51

 

Hoezo? Veroordeelt onze Thora iemand zonder dat ze het eerst van hem hoort en weet? Wat heeft hij gedaan?

52

 

Zij antwoordden en zeiden hem: "Waarom? Ben je ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat de Profeet niet zal verrijzen uit Galilea!"

53

 

*En iedereen ging naar huis. Vers 53 tot 8:11 is waarsch. niet authentiek of een latere toevoeging. Staat niet in de Aramese Peshitta wel in Griekse HSS.

Hoofdstuk 8

1

 

Daarop ging Jezus naar de Olijfberg.

2

 

In de morgen ging hij weer naar de tempel, en alle mensen kwamen naar hem, en hij ging zitten en onderwees hen.

3

 

Toen brachten de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw die was betrapt op overspel, en zij lieten haar in het midden staan.

4

 

Zij zeiden hem: "Leraar, deze vrouw was op heterdaad betrapt bij het bedrijven van overspel.

5

 

Nu is volgens de Thora van Mozes bevolen dat vrouwen als deze moeten worden gestenigd. Wat zegt u daarvan?

6

 

Zij zeiden dit om hem te testen zodat zij hem konden beschuldigen. Terwijl Jezus gebogen neerzat schreef hij op de grond.

7

 

Toen zij hem bleven ondervragen, ging Jezus rechtop staan en zei hun: "Degene onder u die zonder zonde is, laat hij de eerste steen naar haar werpen!"

8

 

En zodra hij weer ging zitten schreef hij op de grond.

9

 

Toen zij dit hoorden, vertrokken ze één voor één te beginnen met de ouderlingen; en de vrouw in het midden, bleef achter.

10

 

Zodra Jezus ging staan zei hij tot de vrouw: "Waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld?"

11

 

Ze antwoordde: "Niemand, Heer!" Daarop zei Jezus: "Ook ik veroordeel u niet, ga heen en zondig vanaf nu niet meer."

12

 

Weer sprak Jezus met hen en zei: "Ik ben het licht van de wereld. Wie ook mij volgt, zal niet in de duisternis lopen maar zal voor zich zelf het levenslicht vinden.

13

 

De Farizeeën zeiden hem: "U getuigt over uzelf, uw getuigenis is niet waar."

14

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Zelfs áls ik over mijzelf getuig, is mijn getuigenis waar want ik weet vanwaar ik ben gekomen en waarheen ik ga. Maar u weet niet vanwaar ik ben gekomen of waarheen ik ga.

15

 

U oordeelt naar het lichaam, ik oordeel niemand.

16

 

Mocht ik nu oordelen, is mijn oordeel waar want het is niet alleen ik [die oordeel] maar ik en mijn Vader, die mij heeft gezonden.

17

 

En er staat in uw eigen Thora geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is.

18

 

Dus ik getuig over mijzelf en mijn Vader die me heeft gezonden getuigt over mij."

19

 

Zij zeiden hem: "Waar is uw Vader?" Jezus antwoordde en zei hun: "U kent mij en mijn Vader niet. Als u mij had gekend, zou u ook mijn Vader hebben gekend."

20

 

Deze woorden sprak hij in de schatkamer van de tempel. Niemand greep hem want zijn tijd was nog niet gekomen.

21

 

Weer zei Jezus hun: "Ik ga weg terwijl u mij zult zoeken en u zult sterven in uw zonden. Waarheen ik ga kunt u niet komen."

22

 

De Judeeërs zeiden: "Wat! Zal hij zichzelf werkelijk doden dat hij zegt: waarheen ik zal gaan kunt u niet komen?"

23

 

En hij zei hun: "U bent van beneden terwijl ik van boven kom. U bent uit deze wereld maar ik kom niet uit deze wereld.

24

 

Ik vertelde u dat u zult sterven in zonde. Tenzij u gelooft dat ik hem ben zult u sterven in uw zonde." Sommigen geloven dat Jezus hier bedoelde dat hij de Vader zelf is vanwege de 'IK BEN' constructie. Als dat zo is, dan was ook de blinde man in Johannes 9:9god. Die zei ook "IK BEN".

25

 

De Judeeërs zeiden: "Wie bent u?" Jezus zei hun: "Als ik toch ik met u begin te spreken,

26

 

heb ik veel tegen u te zeggen en te oordelen, maar Hij die mij heeft gezonden is waar en die dingen die ik heb gehoord van hem, deze dingen zijn die ik in de wereld spreek."

27

 

En zij begrepen niet dat hij tot hen sprak over de Vader.

28

 

Weer zei Jezus tot hen: "Wanneer u de Mensenzoon zal hebben opgeheven, dan zult u begrijpen dat ik hem ben. Niets doe ik voor eigen rekening, maar ik doe zoals mijn Vader me heeft geleerd, dus spreek ik net als Hij."

29

 

Hij die mij heeft gezonden is met mij; en mijn Vader heeft me nooit alleen gelaten want ik doe altijd wat hem aangenaam is."

30

 

Toen hij deze woorden sprak, geloofden velen in hem.

31

 

Daarop zei Jezus tot de joden die in hem geloofden: "Als u in mijn woorden verblijft bent u werkelijk mijn leerlingen,

32

 

dan zult u de waarheid kennen en die waarheid zal u vrijmaken."

33

 

Zij zeiden hem: "Wij zijn de kinderen van Abraham, maar we zijn nooit in slavernij gebracht door iemand, wat bedoelt u met: u zult vrije mensen zijn?"

34

 

Jezus zei hun: "Amen, amen; ik zeg dat wie een zonde pleegt is een slaaf van zonde.

35

 

en een slaaf blijft niet eeuwig in het huisgezin, maar de zoon blijft er eeuwig.

36

 

Als daarom de Zoon u bevrijdt, zult u werkelijk vrij zijn.

37

 

Ik weet dat u de nakomelingen van Abraham bent, maar u wilt me nog steeds doden want u maakt geen plaats in uzelf voor mijn woord.

38

 

Ik spreek over wat ik heb gezien bij mijn Vader, en wat u ook doet hebt u gezien bij uw vader."

39

 

Zij antwoordden hem en zeiden: "Onze eigen vader is Abraham." Jezus zei hun: "Was u maar de zonen van Abraham, dan zou u de werken van Abraham doen.

40

 

Maar zie, nu wilt u mij doden, zelfs iemand die u de waarheid heeft verteld die ik van God heb gehoord. Zoiets zou Abraham niet doen.

41

 

Maar u doet de werken van uw vader. Zij zeiden hem: "Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij hebben één Vader, God."

42

 

Jezus zei hun: "Als God uw Vader was, zou u mij liefhebben, want ik ben uitgegaan van God en gekomen en het is niet door eigen wil dat ik ben gekomen, maar Hij heeft mij gezonden.

43

 

Waarom begrijpt u mijn woord niet? Omdat u mijn woorden niet kunt gehoorzamen! horen, Aramese grondwoord kan zowel horen als gehoorzamen betekenen.

44

 

U bent uit de vader van laster en u wilt de lusten van uw vader uitvoeren, want vanaf het begin vermoordde hij mensen en stond hij niet voor de waarheid want er is geen waarheid in hem. Wanneer hij spreekt, spreekt hij zijn eigen leugen, want hij is een leugenaar en zelfs de vader van de leugen. B'RiSHiYT zie genesis 1:1 Grieks diabolos duivel.

45

 

Omdat ik waarheid spreek gelooft u mij niet.

46

 

Wie onder u kan mij zonde aanrekenen? En als ik de waarheid spreek, waarom gelooft u mij dan niet?

47

 

Wie van God is, hoort Gods woorden, en daarom hoort u niet, want u bent niet van God."

48

 

De Judeeërs antwoordden en zeiden hem: "Hebben we niet duidelijk genoeg gezegd dat u een Samaritaan bent en gestoord bent?"

49

 

Jezus antwoordde en zei: "Ik ben niet gestoord maar ik eer mijn Vader terwijl u tegen mij vloekt.

50

 

Ik zoek niet mijn eigen eer; het is hij die onderzoekt en oordeelt.

51

 

Amen, amen; ik zeg u dat hij die mijn woorden gehoorzaamt; dood zal hij niet eeuwig zien." Veel vertalingen schrijven: "Hij zal de dood nooit zien." Echter er vanuitgaande dat Jezus niet liegt kan die vertaling niet kloppen. Er staat letterlijk: "Wie mijn woorden houdt; dood zal hij niet zien eeuwig". OW en LV zijn betekenisvol omgedraaid.

52

 

De Judeeërs zeiden tot hem: "Nu weten we [zeker] dat u gestoord bent! Abraham en de profeten zijn gestorven; toch zegt u: 'wie mijn woord gehoorzaamt, dood niet eeuwig zal smaken'.

53

 

Waarom bent u groter dan onze vader Abraham die is gestorven en dan de profeten die zijn gestorven. Wie denkt u wel te zijn?" Tot wie maakt u zichzelf?

54

 

Jezus zei hun: "Als ik mijzelf eer is mijn compliment waardeloos. Het is mijn Vader die mij eert van wie u zegt: 'hij is onze God'.

55

 

En u kent hem niet maar ik ken hem. Maar als ik zou zeggen: 'ik ken hem niet', zou ik een leugenaar zijn zoals u, maar ik ken hem en ik gehoorzaam zijn woord.

56

 

Uw vader Abraham verlangde ernaar mijn dag te zien. En hij zag [ernaar] uit en was verheugd." aoristus, onvoltooide handeling.

57

 

Maar de Judeeërs zeiden hem: "U bent niet vijftig jaar oud, maar toch hebt u Abraham gezien?"

58

 

Jezus zei hun: "Amen, amen; ik zeg u dat vóór Abraham bestond, was ik." zie verss 24

59

 

Daarop pakten zij stenen om hem te stenigen. Maar Jezus verborg zich, vertrok uit de tempel, ging tussen hen door en verliet hen.

Hoofdstuk 9

1

 

Toen hij overstak zag hij een man [die] blind [was] van zijn geboorte af.

2

 

Dus vroegen zijn leerlingen hem en zeiden: "Leraar, wie hebben gezondigd, deze [man] of zijn ouders zodat hij blind geboren moest worden?"

3

 

Jezus zei tot hen: "Hij en zijn ouders zondigden niet, maar dat door hem de werken van God gezien mogen worden, Aramees (PLKH) kan betekenen weken, dienen, aanbidden

4

 

Ik moet de werken van hem doen die mij heeft gezonden zolang het dag is. De nacht komt zodat men niet kan werken.

5

 

Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht van de wereld."

6

 

Terwijl hij deze dingen zei spuwde hij op de grond en mengde klei met zijn speeksel en deed het op op de ogen van die blinde man.

7

 

En hij zei hem: "Ga, reinig [u] in het doopbekken van Siloam." Hij ging, waste zich en ging zien.

8

 

Zijn buren en degenen die hem van het begin af hadden zien bedelen, bleven zeggen: "Is deze niet hij die zou zitten bedelen?"

9

 

Sommigen zeiden dat hij het was, anderen zeiden: "Nee, maar hij lijkt sterk op hem." Maar hij bleef zeggen: "Ik ben het!"

10

 

Zij zeiden tot hem: "Hoe zijn uw ogen [dan] geopend?"

11

 

Hij antwoordde en zei hun: "Een man van wie zijn naam Jesus is maakte klei, deed het op mijn ogen en hij zei me te gaan en te reinigen in het water van Siloam, dus ging ik, waste me en ik begon te zien."

12

 

Zij zeiden hem: "Waar is hij?" Hij zei hun: "Ik weet het niet."

13

 

Daarop brachten zij hem die van het begin af blind was naar de Farizeeën.

14

 

Nu was het Sabbat toen Jezus de klei maakte en Jezus zijn ogen had geopend.

15

 

Weer vroegen de Farizeeën hem: "Hoe is het mogelijk dat u ziet?" Hij zei hun: "Klei deed hij op mijn ogen en ik waste me en ik zie."

16

 

Maar sommigen van de Farizeeën bleven zeggen: "Die man is niet van God. Hij houdt de Sabbat niet." Maar anderen bleven zeggen: "Hoe kan een zondig man deze wonderen doen?" zodat er verdeeldheid onder hen was.

17

 

Zij zeiden die blinde man weer: "Wat zegt u over degene die uw ogen heeft geopend?" Hij zei hun: "Ik zeg dat hij een profeet is."

18

 

Maar de Judeeërs konden niet geloven over hem dat hij blind was geweest, want ten slotte, hij kon zien! Totdat zij zijn ouders riepen die konden zien.

19

 

En zij vroegen hun: "Als dit uw zoon is, zegt u dat hij blind was geboren? Hoe kan het zijn dat hij nu kan zien?"

20

 

En zijn ouders antwoordden: "We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind was geboren.

21

 

Maar hoe hij nu kan zien of wie zijn ogen hebben geopend weten we echt niet. Hij is meerderjarig. Vraag hem zelf."

22

 

Dit zeiden zijn ouders omdat zij bang waren voor de Judeeërs want de Judeeërs hadden besloten dat wie de Gezalfde in hem zouden erkennen zij hem zouden uitsluiten van de vergadering.

23

 

Daarom zeiden zijn ouders: "Hij is meerderjarig is vraag hem zelf."

24

 

Dus riepen zij de man die blind was voor de tweede keer en zij zeiden: "Geef eer aan God, want we weten dat deze man een zondaar is."

25

 

Daarop antwoordde hij en zei hun: "Of hij een zondaar is weet ik niet, maar ik weet één [ding]; namelijk dat ik blind was en zie, ik kan zien!"

26

 

Zij zeiden hem weer: "Wat heeft hij met u gedaan, hoe opende hij uw ogen?"

27

 

Hij zei hun: "Ik heb u [dat] verteld toch hebt u niet geluisterd! Waarom wilt u het weer horen? Wilt u soms ook zijn leerlingen worden?"

28

 

Daarop scholden zij hem uit en zeiden hem: "U bent één van zijn leerlingen, maar wij zijn leerlingen van Mozes!

29

 

En we weten dat God met Mozes sprak. Van deze man weten we niet vanwaar hij is."

30

 

Daarop antwoordde die man en zei hun: "Hier is iets om over te verbazen dat u niet weet vanwaar hij is. Toch heeft hij mijn ogen geopend.

31

 

Wij weten nu dat God niet luistert naar de stem van zondaars. Hij die hem vreest en zijn wil doet, naar hem luistert hij.

32

 

Nooit tevoren is gehoord dat iemand de ogen van een blinde heeft geopend die blind was geboren.

33

 

Als deze man niet van God is, zou hij dit niet kunnen doen."

34

 

En zij antwoordden hem en zeiden: "U bent volledig in zonde geboren en u onderwijst ons?" Daarop sloten zij hem uit.

35

 

Maar Jezus hoorde dat zij hem hadden uitgesloten en hij vond hem, en zei hem: "Gelooft u in de Zoon van God?"

36

 

Hij die was genezen zei hem: "Wie is hij mijn Heer, dat ik in hem mag geloven?"

37

 

Jezus zei hem: "U hebt hem gezien en hij die met u spreekt is hem."

38

 

En hij zei: "Ik geloof mijn Heer, en hij knielde en aanbad hem."

39

 

Daarop zei Jezus: "Want het oordeel van deze wereld waarin ik ben gekomen, zodat wie niet zien mogen zien maar wie zien, blind worden."

40

 

En sommige van die Farizeeën die bij hem waren hoorden deze dingen en zeiden hem: "Waarom zijn zelfs wij blind?"

41

 

Jezus zei hun: "Waren jullie maar blind, dan zouden jullie geen zonde hebben, maar nu zegt u: "Wij zien." Daardoor blijft uw zonde.

Hoofdstuk 10

1

 

"Amen, amen; ik zeg u dat wie niet door de deur van de schaapskooi naar binnengaat maar via een andere plek naar binnen gaat een dief is en een rover.

2

 

Maar wie door de deur naar binnengaat, is de herder van de kudde.

3

 

En voor hem opent de bewaker de deur en de kudde hoort zijn stem en zijn schapen roept hij bij hun naam en hij leidt hen naar buiten.

4

 

En zodra hij zijn kudde naar buiten leidt gaat hij zijn schapen voor en zijn schapen volgen hem want zij kennen zijn stem.

5

 

Maar de kudde volgt een vreemdeling niet, eerder vlucht hij van hem weg want hij kent de stem van de vreemdeling niet."

6

 

Deze vergelijking vertelde Jezus hen maar zij begrepen niet wat hij tegen hen zei.

7

 

Jezus zei nu tot hen: "Amen, amen; ik zeg u dat ik de deur van de kuddes ben. In het aramees staat kudde hier in het meervoud (Ana).

8

 

En allen die zijn gekomen zijn dieven en rovers als de kudde niet naar hen heeft geluisterd.

9

 

Ik ben de deur en als iemand door mij zou binnengaan, zal hij leven, in- en uitgaan en weide vinden.

10

 

Een dief komt alleen om te kunnen stelen, doden en vernietigen. Ik ben gekomen zodat zij leven mogen hebben en het overvloedig hebben.

11

 

Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn kudde.

12

 

Maar een gehuurde kracht die niet de herder is en die niet de eigenaar van de schapen is vlucht wanneer hij de wolf ziet komen. Hij laat de schapen in de steek en rent weg en de wolf komt en grijpt en verstrooit de kudde.

13

 

De gehuurde kracht vlucht omdat hij wordt gehuurd en zich niet druk maakt om de kudde.

14

 

Ik ben de goede herder en ik ken wie van mij zijn en zij kennen mij.

15

 

Net zoals mijn Vader mij kent, ken ik ook mijn Vader. En ik leg mijn leven af in het belang van de kudde.

16

 

Ik heb ook andere schapen die niet van deze schaapskooi zijn. En ook hen moet ik brengen en zij zullen mijn stem horen en één kudde worden. Eén herder zal er zijn.

17

 

Hierom houdt mijn Vader van mij; omdat ik mijn leven afleg om haar weer op te pakken.

18

 

Niemand neemt het van mij maar ik leg het neer uit vrije wil. Ik heb autoriteit om het neer te leggen en ik heb autoriteit om haar weer op te nemen want hierover heb ik het bevel ontvangen van mijn Vader."

19

 

En er ontstond verdeeldheid onder de Judeeërs vanwege deze woorden.

20

 

En velen van hen bleven zeggen: "Hij heeft een demon en hij is gestoord, waarom luisteren jullie naar hem?"

21

 

Maar anderen bleven zeggen: "Dit zijn niet de woorden van een bezetene, hoe kan een een demon de ogen van blinden openen?"

22

 

Het Chanoekafeest vond plaats en het was winter in Jeruzalem.

23

 

Jezus was aan het wandelen in de tempel, in de zuilengang van Salomo.

24

 

Maar de Judeeërs omsingelden hem en zeiden hem: "Hoe lang laat u ons in verwachting? Als u de Gezalfde bent zeg het ons openlijk!"

25

 

En Jezus antwoordde en zei hun: "Ik heb het u verteld maar u gelooft niet. De werken die ik doe in de naam van mijn Vader getuigen over mij,

26

 

maar u gelooft niet want u bent niet mijn schapen zoals ik u heb verteld heb.

27

 

Mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij.

28

 

Ik geef hen eeuwig leven en zij zullen niet vergaan. Nooit zal iemand hen uit mijn handen graaien.

29

 

Want mijn vader die hen aan mij gaf is groter dan allen, en niemand kan hen uit de handen van mijn Vader graaien.

30

 

Ik en mijn Vader zijn het eens." zie Johannes 14:20 Letterlijk: "zijn één" idioom voor in ééndracht of één in gedachten.

31

 

Weer pakten de Judeeërs stenen om hem te stenigen.

32

 

Jezus zei hun: "Vele goede werken van mijn Vader heb ik u getoond. Voor welke van deze stenigt u mij?"

33

 

De Judeeërs zeiden hem: "Niet vanwege goede werken stenigen we u, eerder omdat u blasfemie pleegt want terwijl u een mensenzoon bent, maakt u zichzelf god!"

34

 

Jezus zei hun: "Staat er niet geschreven in uw Thora: Ik heb u verteld dat goden bent? Psalmen 82: 6 (Asaf)

35

 

Als hij deze [mensen] goden noemde omdat het Woord van God bij hen was, en men kan de Schrift niet krachteloos maken,

36

 

zegt u: 'u pleegt blasfemie!' omdat ik u verteld had dat ik de Zoon van God ben?

37

 

Als ik niet de werken van mijn Vader doe, geloof me dan niet,

38

 

Maar als ik [ze] doe, terwijl u mij niet gelooft, geloof dan de werken zodat u mag weten en geloven dat mijn Vader het eens met mij is en ik het eens ben met mijn Vader." Zie johannes 14:20.

39

 

Dus probeerden zij hem weer te grijpen maar hij ontsnapte uit hun bereik.

40

 

En hij stak de Jordaan over naar de plaats waar Johannes voorheen was gewest toen hij doopte. En hij bleef daar.

41

 

Daarop kwamen vele mensen naar hem die bleven zeggen dat zelfs Johannes niet één wonder deed maar dat alles wat Johannes zei over deze man waar was.

42

 

En velen geloofden in hem.

Hoofdstuk 11

1

 

Nu was er iemand ziek, Lazarus van Bethanië, het dorp van de broer van Maria en Martha.

2

 

Deze Maria nu was degene die de voeten van Jezus had gezalfd met balsem en ze afgedroogd met haar haar. Haar broer Lazarus was ziek,

3

 

en zond beide zusters naar Jezus en zei: "Heer, zie, van wie u houdt is ziek!"

4

 

Maar Jezus zei: "Deze ziekte is niet dodelijk maar tot eer van God; dat de Zoon van God geëerd mag worden door hem."

5

 

Jezus nu, had Martha, Maria en Lazarus lief. Grieks ηγαπα (ngapa), Aramees Makhew; betekent liefde zoals Mattheus 19:9

6

 

Toen hij hoorde dat hij ziek was bleef hij [nog] twee dagen in de plaats waar hij was.

7

 

Daarna zei hij tot zijn leerlingen: "Kom, laten we weer naar Judea gaan."

8

 

Zijn leerlingen zeiden hem: "Heer, de Judeeërs zochten u onlangs te stenigen en u gaat er weer heen?"

9

 

Jezus zei hun: "Zijn er niet twaalf uur overdag? En als men overdag wandelt zal men niet struikelen want men ziet licht van deze wereld." grieks: kosmos

10

 

Zou men in de nacht zou lopen dan zal men struikelen omdat men niet verlicht is. Woordspeling tussen licht (Nuhra) en vlam (Nahira)

11

 

Deze dingen zei Jezus maar daarna zei hij hun: "Onze vriend Lazarus is gaan rusten maar ik zal gaan en ik zal hem ontwaken." of: 'doen opstaan'

12

 

Zijn leerlingen zeiden hem: "Heer, als hij slaapt wordt hij beter!" Aramees DMKh verschilt van 'rusten' in vs 11 SHKB. Jezus gebruikte het 'rusten' metafoor voor 'dood zijn'.

13

 

Nu sprak Jezus over zijn dood en zij dachten dat hij sprak over slapen in bed. aramees: Madmka

14

 

Toen zei Jezus hun openlijk: "Lazarus is gestorven.

15

 

Ik ben blij dat ik niet daar was zodat u mag geloven, maar laten we er naar toe lopen!"

16

 

Thomas die later de Tweeling genoemd zou worden zei tegen zijn medeleerlingen: "Laten we ook gaan en met hem sterven." Aramees voor tweeling is TAAMA en Thomas TOOMA. De tweeling was dus een woordspeling op zijn naam.

17

 

En Jezus kwam in Bethanië en vond hem in de graftombe waar hij al vier dagen lag. letterlijk: Bevond hem vier dagen in het herinneringsgraf te zijn.

18

 

Nu lag Bethanië ongeveer drie kilometer van Jeruzalem af.

19

 

En veel Judeeërs kwamen naar Martha en Maria om hen te troosten om hun broer.

20

 

Toen Martha hoorde dat Jezus was gekomen ging ze naar buiten om hem te ontmoeten maar Maria bleef thuis.

21

 

Martha had Jezus gezegd: "Heer, was u maar hier geweest, dan was mijn broer niet gestorven,

22

 

maar zelfs nu weet ik dat hoeveel u ook vraagt aan God, hij het u zal geven!"

23

 

Jezus zei haar: "Uw broer zal opstaan."

24

 

Martha zei hem: "Ik weet dat hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag!"

25

 

Jezus zei haar: "Ik ben de Opstanding en het Leven en wie in mij gelooft zal zelfs als hij zou sterven, leven. Aramees NMT (Nmuot) werkwoord. Mensen sterven vanaf hun geboorte. Genesis 3:19

26

 

Wie dan ook leeft en in mij gelooft zal niet [voor] eeuwig sterven. Geloof je dat?"

27

 

Zij zei hem: "Ja Heer, ik geloof dat u de Gezalfde bent, Zoon van God die in de wereld is gekomen

28

 

Toen ze deze dingen had gezegd ging ze haar zus Maria halen en fluisterde haar: "Onze Heer is gekomen en roept u!"

29

 

Toen Maria dat hoorde stond ze snel op en ging naar hem toe.

30

 

Jezus zelf was nog niet in het dorp gekomen maar was op de plaats waar hij Martha had ontmoet.

31

 

Maar ook anderen en Judeeërs die met haar in huis waren om haar te troosten volgden haar toen zij zagen dat Maria snel opstond en naar buiten ging. Want zij dachten dat zij naar het graf ging om te huilen.

32

 

Toen Maria kwam waar Jezus was en hem zag viel ze neer aan zijn voeten en zei hem: "Als u alleen maar hier was geweest Heer, zou mijn broer niet zijn gestorven!"

33

 

Toen Jezus zag haar huilen en de Judeeërs die met haar waren gekomen huilden, zuchtte hij diep en was hij zichtbaar geraakt. letterlijk: Hij stokte in zijn adem en was geraakt in zijn ziel.

34

 

En hij zei: "Waar heb je hem gelegd?" Zij zeiden hem: "Heer, kom kijken."

35

 

Toen kwamen de tranen van Jezus.

36

 

De Judeeërs zeiden: "Kijk hoeveel hij van hem hield!"

37

 

En sommigen van hen zeiden: "Kon deze, die de ogen van die blinde man opende, niet ook iets doen zodat deze man niet was gestorven?"

38

 

Terwijl Jezus vanwege hen in zichzelf zuchtte kwam hij aan bij de graftombe. En die graftombe was een grot en voor haar ingang was een steen geplaatst.

39

 

Jezus zei: "Neem deze steen weg." Martha, de zus van die dode man zei: "Heer, hij ruikt al, het is zijn vierde dag!"

40

 

Jezus zei haar: "Zei ik niet dat als je gelooft, dat je de glorie van God zult zien?"

41

 

Dus namen zij die steen weg en Jezus keek omhoog en zei: "Ik dank Vader, dat u mij verhoord hebt.

42

 

Ik weet dat u altijd naar me luistert maar vanwege deze menigte die hier staat zeg ik deze dingen zodat zij mochten geloven dat u mij hebt gezonden."

43

 

Toen hij deze dingen had gezegd riep hij met een luide stem: "Lazarus, kom naar buiten!"

44

 

Daarop kwam die dode man naar buiten terwijl hij was verbonden; zijn handen en zijn voeten met zwachtels en zijn hoofd in een doek. Jezus zei hun: "Maak hem vrij en laat hem gaan."

45

 

Toen veel van de Judeeërs die waren gekomen naar Maria zagen wat voor ding Jezus had gedaan geloofden zij in hem.

46

 

Maar sommigen van hen gingen naar de Farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan.

47

 

Daarop vergaderden de overpriesters en de Farizeeën en bleven zeggen: "Wat zullen we doen, want deze man doet veel wonderen!

48

 

Als we hem zo laten gaan, zullen alle mensen in hem geloven en zullen de Romeinen komen en onze speling en onze natie afpakken! Aramees (ATRN) ruimte, uitstel, land, plaats, gebied. Deze sluwe bedoelden niet dat legers jeruzalem kwamen vernietigen alleen maar omdat mensen in iemand een koning zagen, maar wel de angst dat hun 'status aparte' verloren kon gaan.

49

 

Eén van hen heette Kajafas, de Hogepriester in dat jaar en hij zei: "Jullie weten niets!

50

 

Jullie realiseren zelfs niet, dat het beter voor ons is, dat één man moet sterven voor de natie in plaats dat de hele natie zou vergaan!"

51

 

Dit zei hij niet uit zichzelf, maar omdat hij in dat jaar de Hogepriester was profeteerde hij dat Jezus op het punt stond te sterven voor de natie,

52

 

en niet alleen voor de natie maar ook voor de verstrooide zonen van God die hij zou vergaderen tot één natie.

53

 

Vanaf die dag hadden zij besloten hem te doden.

54

 

Maar Jezus liep niet openlijk tussen de Judeeërs maar hij ging van daar naar een gebied dat vlak bij de wildernis lag, naar een plaats die Efraïm werd genoemd en hij verbleef daar met zijn leerlingen.

55

 

Nu kwam Pesach van de Judeeërs nabij en velen van de dorpen gingen op naar Jeruzalem voordat het feest begon zodat zij zich konden reinigen.

56

 

En zij bleven daar Jezus zoeken en zeiden tegen elkaar in de tempel: "Denk je dat hij niet naar het feest zal komen?"

57

 

Maar de Overpriesters en de Farizeeën hadden bevolen dat als iemand wist waar [hij was] hij hen het moest laten weten zodat zij hem konden grijpen.

Hoofdstuk 12

1

 

Nu kwam Jezus zes dagen voor Pesach in Bethanië waar Lazarus was, wie Jezus uit de doden had opgewekt.

2

 

En zij richtten voor hem een banket aan. Martha bediende terwijl Lazarus één van de gasten was die bij hem was.

3

 

Toen nam Maria een vaasje zuivere en kostbare nardus en zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar haar. Daarop raakte het huis gevuld met de geur van parfum. Kruid uit de Himalaya, een goede investering voor een familie.

4

 

Maar Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, die op het punt stond om hem te verraden zei:

5

 

"Waarom is deze olie niet verkocht voor een jaarloon en aan de armen gegeven?" 300 denarii was toen een gemiddeld jaarloon.

6

 

Hij zei dit niet omdat hij gaf om de armen, maar omdat hij een dief was en de geldbuidel had, en hij droeg wat er in werd gedaan.

7

 

Toen zei Jezus: "Laat haar, ze heeft het bewaard voor de dag van mijn begrafenis.

8

 

want de armen hebt u altijd met u, maar mij hebt u niet altijd met u."

9

 

En een grote menigte Judeeërs die daar was hoorde dat Jezus daar was, dus kwamen zij; niet alleen vanwege Jezus maar ook om Lazarus te zien die hij uit de doden had opgewekt.

10

 

En de overpriesters overwogen ook Lazarus te doden,

11

 

omdat door hem vele Judeeërs uitgingen en geloofden in Jezus.

12