|
Hoofdstuk 1 |
|
1 |
|
In het begin was het
Woord, en dat Woord was met
God, en dat Woord was god. |
|
2 |
|
Hij was in het begin bij
God. |
|
3 |
|
Alles is ontstaan door zijn
handen, en zelfs niet één [ding] van wat bestaat en het leven zijn ontstaan
zonder hem. |
|
4 |
|
Door hem was leven en het
leven was het licht van mensen. |
|
5 |
|
En dat licht schijnt in de
duisternis en de duisternis kreeg het [licht] niet uit. |
|
6 |
|
Er was een man die was
gezonden door God; zijn naam was Johannes. |
|
7 |
|
Deze [man] kwam tot een
getuigenis zodat hij mocht getuigen over het licht zodat allen mochten
geloven door zijn hand. |
|
8 |
|
Hij was niet het licht [zelf]
maar zou getuigen over het licht. |
|
9 |
|
Want het licht van waarheid
schijnt op allen die in de wereld komen. |
|
10 |
|
In de
wereld kwam hij en de wereld bestond door zijn handen maar de wereld
kende hem niet. |
|
11 |
|
Hij kwam tot wie van hem
waren maar zij ontvingen hem niet. |
|
12 |
|
Maar zij die hem ontvingen
gaf hij autoriteit zodat zij, die in zijn naam geloofden, zonen van God
mochten zijn. |
|
13 |
|
Zij werden niet door bloed
of door de wil van het lichaam of de wil van een mens, maar door God
ontvangen. |
|
14 |
|
En het Woord werd lichaam en
begaf zich onder ons. En we zagen zijn glorie als de glorie van de
eniggeborene die van de Vader is, die vol van gratie en waarheid is. |
|
15 |
|
Over hem getuigde Johannes
en hij zei: "Dit is degene over wie ik zei dat hij ná mij zou komen. En toch
was hij vóór mij want hij bestond eerder dan ik." |
|
16 |
|
En door zijn
complement hebben we allen zelfs gratie op gratie ontvangen. |
|
17 |
|
Want de Thora werd door
Mozes gegeven, maar waarheid en gratie was door de Gezalfde Jezus. |
|
18 |
|
Geen mens heeft God ooit
gezien. De eniggeborene van God, hij die aan de boezem van zijn Vader is,
hij heeft hem verklaard. |
|
19 |
|
En dit is het getuigenis van
Johannes toen de Schriftgeleerden, priesters en levieten van de
Judeeërs aan hem vroegen: "Wie bent u?" |
|
20 |
|
Daarop gaf hij toe en
ontkende niet en verklaarde: "Niet ik ben de Messias." |
|
21 |
|
En zij vroegen hem weer:
"Bent u dan Elia?" Hij zei dan: "Nee, dat ben ik niet." "Bent u dan de
Profeet?" en hij zei: "Nee!" Zij zeiden hem daarop: "Wie bent u dan zodat we |
|
22 |
|
een antwoord kunnen geven
aan wie ons zonden. Wat zegt u over u zelf?" |
|
23 |
|
Hij zei: "Ik ben de roepende
stem in de wildernis: 'Maak
de weg van Jah recht' zoals de profeet Jesaja heeft gezegd. |
|
24 |
|
Zij die waren gestuurd,
waren van de Farizeeën. |
|
25 |
|
Zij ondervroegen en zeiden
hem: "Waarom doopt u als u zelf niet de Gezalfde of Elia of de Profeet
bent?" |
|
26 |
|
Johannes antwoordde en zei
tot hen: "Ik doop met water, onder u staat iemand die u niet kent. |
|
27 |
|
Hij is degene die ná mij zal
komen, maar toch hij is [van] vóór mij zodat ik niet waardig ben de riem van
zijn sandalen los te maken." |
|
28 |
|
Deze dingen gebeurden in
Bethanië op het oversteken van de Jordaan waar Johannes doopte. |
|
29 |
|
En op de dag daarna zag
Johannes Jezus naar hem komen en zei: "Zie, het Lam van God. Hij neemt de
zonden van de wereld [weg]! |
|
30 |
|
Hij is degene van wie ik
sprak dat ná mij een man zal komen maar hij was mij vóór, want hij was [er]
eerder dan ik." |
|
31 |
|
En ik kende hem niet maar
dat hij [eerst] bekend gemaakt zou worden aan Israël, daarom ben ik gekomen
dat ik zou dopen met water." |
|
32 |
|
Johannes getuigde ook en zei:
"Ik zag de
adem als een duif neerdalen uit de hemel en het rustte op hem." |
|
33 |
|
En ik kende hem niet maar
Hij die mij zond om met water te dopen tot mij zei: "Degene op wie u de adem
ziet neerdalen en op hem rusten, hij zal dopen met de Heilige Adem. |
|
34 |
|
En ik zag en getuigde dat
hij de Zoon van God is." |
|
35 |
|
De volgende dag stond
Johannes met twee van zijn leerlingen. |
|
36 |
|
En hij tuurde naar Jezus
terwijl deze liep en hij zei: "Zie, het lam van God!" |
|
37 |
|
En zijn beide leerlingen
hoorden het toen hij dit zei en zij volgden Jezus. |
|
38 |
|
Daarop draaide Jezus zich en
zag degenen die achter hem kwamen en hij zei hun: "Wat wilt u?" Zij zeiden
hem: "Heer, waar verblijft u?" |
|
39 |
|
Hij zei hun: "Kom en jullie
zullen zien." En zij kwamen en zagen waar hij woonde en zij bleven vanaf die
dag bij hem. En het was ongeveer het tiende uur. |
|
40 |
|
En één van hen die van
Johannes had gehoord om Jezus te volgen was Andreas, de broer van Simon. |
|
41 |
|
Deze ontmoette eerst zijn
broer Simon en zei hem: "Ik heb de Gezalfde gevonden!" |
|
42 |
|
En hij bracht hem bij Jezus.
Jezus bestudeerde hem en zei: "Simon, jij bent de zoon van Jona en je zult
Petrus worden genoemd." |
|
43 |
|
De volgende dag wilde Jezus
naar Galilea vertrekken en hij vond Filippus en zei hem: "Volg mij!" |
|
44 |
|
Filippus nu kwam uit
Bethsaïda de stad van Andreas en Simon. |
|
45 |
|
En Filippus vond Nathanaël
en zei hem: "Over wie Mozes (in de Thora) en de Profeten schreven, die
hebben we gevonden! Hij is Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth" |
|
46 |
|
Nathanaël zei hem: "Kan uit
Nazareth [iets] wat goed is zijn?" Filippus zei hem: "Kom en je zult zien." |
|
47 |
|
En Jezus keek terwijl
Nathanaël naar hem toe kwam en zei over hem: "Zie, een ware zoon van Israël
in wie geen bedrog is!" |
|
48 |
|
Nathanaël zei hem: "Van waar
kent u mij?" Jezus zei hem: "Ik zag u zitten onder de vijgenboom terwijl
Filippus u hiervoor riep." |
|
49 |
|
Nathanaël antwoordde en zei
hem: "Leraar, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!" |
|
50 |
|
Jezus zei hem: "Omdat ik zei
dat ik u onder de vijgenboom zag geloofde u? Grotere dingen dan deze zult u
zien." |
|
51 |
|
Hij zei hem: "Amen, amen zeg
ik dat u van nu [af] de hemel geopend zult zien terwijl de boodschappers van
God afdalen naar de Mensenzoon." |
|
Hoofdstuk 2 |
|
1 |
|
Op de derde dag was er een
receptie in Kana, een stad in Galilea en de moeder van Jezus was daar, |
|
2 |
|
En ook Jezus en zijn
leerlingen waren uitgenodigd voor de receptie. |
|
3 |
|
Toen de wijn opraakte zei
zijn moeder tot Jezus: "Ze hebben geen wijn." |
|
4 |
|
Jezus zei tot haar: "Wat
wil je van me? Vrouw, mijn tijd is nog niet gekomen." |
|
5 |
|
Zijn moeder zei tot de
bedienden: "Wat hij u ook zegt, doe dat." |
|
6 |
|
Er waren daar zes stenen
waterkruiken die waren geplaatst voor de reiniging van de Judeeërs, met
elk
tachtig of honderdtwintig liter inhoud. |
|
7 |
|
Jezus zei tot hen: "Vul de
kruiken met water." En zij vulden hen tot de rand. |
|
8 |
|
Hij zei tot hen: "Schenk nu
iets [in] en neem het naar de ceremoniemeester." En zij namen het. |
|
9 |
|
Toen de ceremoniemeester het
water dat wijn was geworden had geproefd terwijl hij niet wist vanwaar het
was, behalve de bedienden wisten [het] want zij hadden het water gevuld,
riep de ceremoniemeester de bruidegom, |
|
10 |
|
en hij zei hem: "Iedereen
serveert eerst de goede wijn, en als ze dronken zijn dat wat inferieur is.
Maar u hebt de goede wijn tot nu bewaard." |
|
11 |
|
Dit was het eerste wonder
dat Jezus deed, in Kana van Galilea. En hij maakte zijn faam bekend en zijn
leerlingen geloofden in hem. |
|
12 |
|
Daarna daalde hij af naar
Kapernaüm en zijn moeder en zijn broers en zijn leerlingen bleven daar een
paar dagen. |
|
13 |
|
En Pesach van de joden
naderde en Jezus ging op naar Jeruzalem. |
|
14 |
|
En hij trof in de tempel
diegenen aan die runderen, schapen en duiven verkochten en de geldwisselaars
die [daar] zaten. |
|
15 |
|
Daarop maakte hij voor
zichzelf een zweep van touw en dreef hen allen en zelfs de schapen en
runderen en geldwisselaars uit de tempel. En hij verstrooide hun wisselgeld
en gooide hun tafels omver. |
|
16 |
|
En tot de duivenverkopers
zei hij: "Neem ze en maak het huis van mijn Vader niet tot een marktplaats." |
|
17 |
|
Daarop herinnerden zijn
leerlingen dat werd geschreven: "De
ijver voor uw huis heeft mij verteerd." |
|
18 |
|
Maar de Judeeërs antwoordden
en zeiden hem: "Wat
voor teken kunt u ons tonen dat u deze dingen doet?" |
|
19 |
|
Jezus antwoordde en zei hun:
"Breek deze tempel af en na drie dagen zal ik haar weer
herstellen." |
|
20 |
|
De Judeeërs zeiden tot hem:
"De tempel was gebouwd in zesenveertig jaar en u herstelt haar in drie dagen?" |
|
21 |
|
Maar hij sprak over de
tempel van zijn lichaam. |
|
22 |
|
Toen hij opstond uit de
doden herinnerden zijn leerlingen dat hij dit had gezegd, en zij
geloofden de Schriften en het woord dat Jezus had gezegd. |
|
23 |
|
Terwijl Jezus op Pesach in
Jeruzalem was geloofden velen in hem toen zij de wonderen zagen die hij
tijdens het feest deed. |
|
24 |
|
Maar Jezus vertrouwde
zichzelf niet toe aan hen want hij kende elk mens, |
|
25 |
|
en hij leunde niet op mensen
om over hem te getuigen tot wie dan ook want hij wist wat in mensen
leefde. |
|
Hoofdstuk 3 |
|
1 |
|
Er was daar een zekere man
uit de Farizeeën. Nikodemus was zijn naam, een joodse regeerder. |
|
2 |
|
Deze man kwam in de nacht
naar Jezus en zei tot hem: "Leraar, we weten dat u werd gezonden door God,
want een leraar kan deze wonderen die u doet niet doen, behalve hij met wie
God is." |
|
3 |
|
Jezus antwoordde hem: "Ik
verzeker je werkelijk dat als iemand niet herboren is, deze het koninkrijk
van God niet kan zien." |
|
4 |
|
Nikodemus zei hem: "Hoe kan
een oude
man weer geboren worden? Hoe kan [men] voor de tweede keer de schoot van
zijn moeder binnengaan en geboren worden?" |
|
5 |
|
Jezus antwoordde en zei hem:
"Amen, amen; ik zeg u dat als een mens niet is geboren uit
adem en water, hij het koninkrijk van God niet kan binnengaan. |
|
6 |
|
Dat wat is geboren uit het
lichaam is lichaam en dat wat is geboren uit
adem is adem. |
|
7 |
|
Verbaas u niet dat ik u heb
gezegd dat het voor u nodig is weer geboren te worden. |
|
8 |
|
Wind zal waaien waar het wil en u hoort zijn stem, maar u weet niet waar
het vandaan komt of waar [het] naartoe gaat, zo is iedereen die uit adem is
geboren." |
|
9 |
|
Nikodemus antwoordde en zei
hem: "Hoe kunnen deze dingen bestaan?" |
|
10 |
|
Jezus antwoordde en zei hem:
"U bent een leraar van Israël, maar u begrijpt deze dingen niet? |
|
11 |
|
Ik zeg u werkelijk dat we de
dingen bespreken die we weten, en we getuigen van de dingen die we zien. En
ons getuigenis zou u niet accepteren. |
|
12 |
|
Als ik u over de wereld had
verteld, geloofde u toch niet. Zou u ooit geloven als ik zou spreken over de
hemel? |
|
13 |
|
Niemand is opgestegen naar
de hemel, behalve hij die neerdaalde uit de hemel, de Mensenzoon [die
in de hemel is]. |
|
14 |
|
Zoals Mozes de slang in de
wildernis heeft opgeheven, zo staat de Mensenzoon op het punt te worden
opgeheven. |
|
15 |
|
Dus iedereen die in hem
gelooft zal niet
vergaan maar zal eeuwig leven hebben. |
|
16 |
|
Want God heeft de wereld zo
liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon zou geven, zodat wie ook in hem zou
geloven niet zou vergaan maar eeuwig leven zou hebben. |
|
17 |
|
God heeft zijn zoon niet
naar de wereld gestuurd om de wereld te veroordelen maar om door zichzelf
leven aan de wereld te geven. |
|
18 |
|
Hij die in hem gelooft, zal
niet geoordeeld worden. Hij die niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij
niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God. |
|
19 |
|
Dit is nu [de basis van] het
oordeel want het licht is in de wereld gekomen, maar men heeft de duisternis
meer lief dan het licht want hun werken zijn slecht. |
|
20 |
|
Want iedereen die lage
dingen doet, haat het licht en komt niet tot het licht want zijn daden
zullen verborgen zijn. |
|
21 |
|
Maar wie doet wat waar is
komt tot het licht zodat bekend zou worden dat zijn werken in God zijn
gedaan." |
|
22 |
|
Na deze dingen kwamen Jezus
en zijn leerlingen naar het gebied van Judea waar hij met hen zou verblijven
en dopen. |
|
23 |
|
Ook Johannes doopte nu; in
Enon dat vlak bij Salim is want er was daar voldoende water en men kwam en
werd daar gedoopt, |
|
24 |
|
want Johannes was nog niet
in de gevangenis geworpen. |
|
25 |
|
En er was een vraag gerezen
aan van de leerlingen van Johannes van een zekere Judeeër over de
reiniging. |
|
26 |
|
En zij kwamen naar Johannes
en zeiden hem: "Meester, hij die met u was bij de
oversteekplaats van de Jordaan, over wie u getuigde, zie, hij doopt ook
en velen komen naar hem!" |
|
27 |
|
Johannes antwoordde en zei
hun: "Men kan niet uit zijn eigen wil iets ontvangen behalve [als] het hem
gegeven wordt uit de Hemel. |
|
28 |
|
U was mijn getuige dat ik
zei dat niet ik de Gezalfde ben maar een boodschapper die vóór hem is. |
|
29 |
|
Hij die de bruid heeft is de
bruidegom maar de vriend van de bruidegom is degene die [stil]staat en naar
hem luistert en [met] veel vreugde zich verheugt om de stem van de bruidegom.
Daarom is mijn vreugde volmaakt! |
|
30 |
|
Hij zal moeten toenemen en
ik moet afnemen. |
|
31 |
|
Want hij die van boven is
gekomen, is
groter dan allen. Hij die van de aarde is, is van de aarde en
spreekt aardse dingen. Hij die uit de hemel is gekomen, is groter dan
allen. |
|
32 |
|
En van wat hij heeft gezien
en gehoord getuigt hij, maar niemand aanvaardt zijn getuigenis. |
|
33 |
|
Wie zijn getuigenis heeft
aanvaard,
weet zich verzekerd dat God
loyaal is. |
|
34 |
|
Want wie ook door God is
uitgezonden, spreekt de woorden van God, want God geeft de adem niet
in kleine beetjes. |
|
35 |
|
De Vader heeft de Zoon lief
en heeft alle dingen in zijn hand gegeven. |
|
36 |
|
Wie in de Zoon gelooft heeft
eeuwig leven en wie die de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien,
maar de woede van God zal tegen hem opstaan." |
|
Hoofdstuk 4 |
|
1 |
|
Nu wist
Jezus dat de Farizeeën hadden gehoord dat hij veel leerlingen maakte en
meer doopte dan Johannes. |
|
2 |
|
Terwijl niet hij, Jezus,
doopte maar vooral zijn leerlingen. |
|
3 |
|
En hij verliet Juda en
deed Galilea weer aan. |
|
4 |
|
Maar hij moest door Samaria
trekken. |
|
5 |
|
En hij kwam bij een stad van
Samaria die Sichar werd genoemd. Langs een veld dat Jakob aan zijn zoon
Jozef had gegeven. |
|
6 |
|
Daar was ook een waterbron
[van] Jakob. En Jezus was vermoeid van de reis en hij ging zitten op de bron
en het was het zesde uur. |
|
7 |
|
En een vrouw uit Samaria
kwam om water te putten en Jezus zei tot haar: "Geef water te drinken." |
|
8 |
|
Want zijn leerlingen waren
de stad binnengegaan om voedsel voor zichzelf te kopen. |
|
9 |
|
Deze Samaritaanse vrouw zei
hem: "Hoe kan het zijn dat u, een jood bent en u mij iets te drinken vraagt
want ik ben een Samaritaanse vrouw en de joden onderhouden geen sociale
contacten met de Samaritanen. |
|
10 |
|
Jezus antwoordde en zei haar:
"Als u eens de gave van God had gekend en wie degene is die tot u zegt:
Geef me te drinken zou u hebben hem gevraagd en hij zou u levend water
gegeven hebben." |
|
11 |
|
Deze vrouw zei tot hem: "Mijn
Heer, u hebt geen emmer en de put is diep, waar zijn uw levende wateren? |
|
12 |
|
Waarom bent u groter dan
onze vader Jakob die ons deze bron gaf, en die uit haar dronk, en zijn zonen
en zijn schapen [ook]?" |
|
13 |
|
Jezus antwoordde en zei haar:
"Allen die drinken van deze wateren zullen weer dorst krijgen, |
|
14 |
|
maar wie die drinkt van de
wateren die ik hem geef zal nooit meer dorst hebben, want de wateren die ik
hem geef, zullen in zichzelf een waterbron worden die eeuwig leven zullen
opborrelen." |
|
15 |
|
Deze vrouw zei tot hem: "Mijn
Heer, geef me van deze wateren zodat ik nooit meer dorst zal hebben of hier
moet komen en putten." |
|
16 |
|
Jezus zei tot haar: "Ga,
roep uw echtgenoot en kom hier!" |
|
17 |
|
Ze zei tot hem: "Ik heb geen
echtgenoot." Jezus zei tot haar: "U hebt juist gezegd: ik heb geen
echtgenoot, |
|
18 |
|
want vijf echtgenoten hebt u
gehad en degene die u nu hebt is niet uw echtgenoot. Het is waar wat u hebt
gezegd." |
|
19 |
|
Die vrouw zei hem: "Mijn
Heer, ik zie dat u een profeet bent; |
|
20 |
|
Onze voorvaders
bogen zich neer op deze berg, maar jullie zeggen dat in Jeruzalem de
plaats voor aanbidding is." |
|
21 |
|
Jezus zei haar: "Geloof me
vrouw, dat het moment komt dat men niet op deze berg of in Jeruzalem de
vader zal aanbidden. |
|
22 |
|
Jullie aanbidden iets dat
jullie niet kennen, maar wij aanbidden wat we kennen want 'leven is door de
Joden.' |
|
23 |
|
Maar het moment komt en is
nu dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in spiritualiteit en in
waarheid. Wat de Vader betreft; Hij zoekt inderdaad deze aanbidders. |
|
24 |
|
Want God is Geest, en wie
Hem aanbidden moeten hem in spiritualiteit en waarheid aanbidden." |
|
25 |
|
Die vrouw zei hem: "Ik weet
dat de Gezalfde komt, en als hij komt zal hij ons alles leren." |
|
26 |
|
Jezus zei haar: "Ik
ben diegene; met wie u spreekt!" |
|
27 |
|
Terwijl hij sprak, kwamen
zijn leerlingen verbaasd, dat hij sprak met een vrouw, maar niemand zei: "Wat
of waarom spreekt u met haar?" |
|
28 |
|
Daarop liet de vrouw de
waterkruik in de steek, ging naar de stad en vertelde [het aan] de mensen. |
|
29 |
|
"Kom kijken [naar] de man
die me alles vertelde wat ik heb gedaan. Is hij de Gezalfde?" |
|
30 |
|
En alle mensen gingen uit de
stad en kwamen bij hem. |
|
31 |
|
Tijdens deze dingen
verzochten zijn leerlingen hem en zeiden hem: "Eet, Heer!" |
|
32 |
|
Maar hij zei hun: "Ik heb
voedsel te eten dat u niet kent." |
|
33 |
|
Zijn leerlingen zeiden
onderling: "Welke persoon heeft hem iets te eten gegeven?" |
|
34 |
|
Jezus zei hun: "Mijn voedsel
is dat ik de wil doe van hem die mij heeft gezonden en dat ik zijn werk
voltooi. |
|
35 |
|
Zeggen jullie niet dat over
vier maanden de oogst komt? Zie, ik zeg jullie, open je ogen en zie dat de
velden wit zijn en [nu] al gerijpt zijn voor de oogst! |
|
36 |
|
En de oogster ontvangt loon
en verzamelt vruchten van eeuwig leven en de zaaier en de oogster zullen
samen blij zijn. |
|
37 |
|
Want dit is een waar
woord: 'De één zaait en de ander oogst.' |
|
38 |
|
Ik heb jullie gezonden om te
oogsten, niet iets waarvoor jullie werk moesten doen, want anderen zwoegden,
en jullie hebben hun werk
voortgezet." |
|
39 |
|
In die stad geloofden vele
Samaritanen in hem vanwege het woord van die vrouw die getuigde: "Hij had me
alles verteld wat ik heb gedaan." |
|
40 |
|
Toen die Samaritanen naar
hem kwamen verzochten zij hem om bij hen te blijven en hij blijf twee dagen
bij hen. |
|
41 |
|
En velen geloofden in hem
door zijn
woord. |
|
42 |
|
Zij bleven zeggen tot die
vrouw: "Niet vanwege uw woord geloven we in hem, want wij hebben hem gehoord
en nu; dit is werkelijk de Gezalfde, de levengever van de wereld!" |
|
43 |
|
En na twee dagen ging Jezus
vandaar weg naar Galilea. |
|
44 |
|
Want Jezus zelf getuigde dat een profeet in zijn eigen
stad niet wordt geëerd. |
|
45 |
|
Toen hij in Galilea kwam
ontvingen hem de Galileeërs die al de wonderen zagen die Jezus deed in
Jeruzalem tijdens het feest want zij waren ook naar het feest gekomen. |
|
46 |
|
En Jezus kwam weer in Kana
van Galilea waar hij water in wijn had veranderd. En in Kapernaüm was een
zekere dienaar van een koning van wie zijn zoon ziek was. |
|
47 |
|
Deze hoorde dat Jezus kwam
vanuit Juda naar Galilea. Hij ging naar hem toe en verzocht hem om af te
dalen en zijn zoon te genezen want hij stierf bijna. |
|
48 |
|
Jezus zei hem: "Als jullie
geen tekenen of wonderen zien zullen jullie niet geloven." |
|
49 |
|
Die dienaar van de koning
zei hem: "Mijn heer, daal af voordat de jongen sterft!" |
|
50 |
|
Jezus zei hem: "Ga, uw zoon
is levend!" En die man geloofde in het woord dat Jezus tot hem sprak en hij
vertrok. |
|
51 |
|
Terwijl hij afdaalde
ontmoetten zijn knechten hem en brachten hoop en zeiden hem: "Uw zoon leeft!" |
|
52 |
|
En hij vroeg hen: "Hoe laat
werd hij beter?" Zij zeiden hem: "Gisteren, rond het zevende uur verliet de
koorts hem." |
|
53 |
|
En zijn vader wist dat in
dat zelfde uur Jezus tot hem had gezegd: "Uw zoon leeft!". Daarop kwamen hij
en zijn hele huisgezin tot geloof. |
|
54 |
|
Dit was weer een teken, het
tweede dat Jezus deed toen hij van Juda naar Galilea was gekomen. |
|
Hoofdstuk 5 |
|
1 |
|
Na deze dingen was er een
feest van de Judeeërs en Jezus ging op naar Jeruzalem. |
|
2 |
|
Nu was daar in Jeruzalem een
zekere doopgelegenheid die in het Hebreeuws
Bethesda werd genoemd en daar waren vijf zuilengangen. |
|
3 |
|
Daarin lagen veel mensen die
ziek waren. En de blinden, verlamden en kreupelen reageerden op het golven
van het water. |
|
4 |
|
Want een boodschapper zou
van tijd tot tijd afdalen tot de doopgelegenheid en zou het water roeren, en
wie het eerste zou afdalen na de beweging van het water, zou worden genezen
van elk pijn die hij had. |
|
5 |
|
En er was daar een zekere
man die achtendertig jaar ziekte leed. |
|
6 |
|
Jezus zag deze man die daar
lag en hij wist hoe lang hij [deze ziekte] leed. En hij zei hem: "Wil je
gezond gemaakt worden?" |
|
7 |
|
Die zieke man antwoordde en
zei: "Ja, mijn Heer, maar ik heb niemand wanneer het water wordt geroerd om
me in de doopgelegenheid te zetten want voor ik kom, daalt een ander me vóór
me af." |
|
8 |
|
Jezus zei hem: "Sta op, neem
je draagbed en loop!" |
|
9 |
|
En onmiddellijk was die man
genezen, stond op en nam zijn draagbed en liep. Maar die dag was het
sabbatdag. |
|
10 |
|
Dus zeiden de Judeeërs tegen
die man die was genezen: "Het is sabbat; de Thora staat u niet toe uw
draagbed te dragen!" |
|
11 |
|
En hij antwoordde en zei hun:
"Degene die me genas zei me: 'Neem je draagbed en loop!'" |
|
12 |
|
Zij vroegen hem: "Wie is
deze man die tot u zei: 'Neem je draagbed en loop?'" |
|
13 |
|
Maar de genezene wist niet
wie Jezus was, want hij was omgeven door een grote menigte die op die plaats
was. |
|
14 |
|
Na een tijdje vond Jezus hem
in de tempel en zei hem: "Zie, je bent weer gezond! Zondig niet weer zodat
je niets overkomt dat erger is dan ervoor." |
|
15 |
|
En die man ging naar de
Judeeërs en zei dat Jezus degene was hem gezond had gemaakt. |
|
16 |
|
Daarom vervolgden de
Judeeërs Jezus en zochten hem om te doden omdat hij deze dingen op de sabbat
zou doen. |
|
17 |
|
Maar Jezus zei hun: "Mijn
Vader werkt tot nu toe, dus werk ik ook." |
|
18 |
|
En hierdoor zochten de
Judeeërs hem nog meer te doden. Niet alleen omdat hij de sabbat had
verbroken, maar ook dat hij zou zeggen dat God zijn Vader is en zich
gelijkstellen met God zelf. |
|
19 |
|
Maar Jezus antwoordde en zei
hun: "Amen, amen; ik zeg u dat de Zoon niets kan doen door eigen wil maar
hij doet de dingen die hij de Vader ziet doen. Want zoals de Vader doet,
deze dingen doet de Zoon hetzelfde. |
|
20 |
|
Want de Vader houdt van zijn
Zoon en alles wat hij doet laat hij hem zien. Maar hij zal hem grotere
werken dan deze laten zien en u zult zich verbazen. |
|
21 |
|
Zoals de Vader de doden
opwekt en hen leven geeft zo zal de Zoon wie wil hij doen herleven. |
|
22 |
|
Want het is niet de Vader
die alle mensen oordeelt, maar hij heeft het gehele oordeel gegeven aan de
Zoon. |
|
23 |
|
Zodat iedereen de Zoon zou
eren zoals hij de Vader eert. Degene die de Zoon niet eert, eert ook de
Vader niet die hem heeft gezonden. |
|
24 |
|
Amen, amen, ik zeg u dat wie
mijn woord hoort en in Hem gelooft die mij heeft gezonden, heeft eeuwig
leven en zal niet in oordeel komen want hij heeft zich van de dood
verwijderd tot leven. |
|
25 |
|
Amen, amen, ik zeg u dat de
tijd komt zelfs nu al, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen
en zij die horen zullen leven. |
|
26 |
|
Want wat de Vader betreft is
er leven in hem en zo geeft hij ook de Zoon dat leven in hem mag zijn. |
|
27 |
|
En hij heeft hem de
autoriteit gegeven om het oordeel ook uit te voeren want hij is de
Mensenzoon. |
|
28 |
|
Wees hierover niet verbaasd
want het moment komt dat allen die in de
herinneringsgraven zijn, zijn stem zullen horen. |
|
29 |
|
Zij die goede dingen hebben
gedaan zullen
uitgaan tot een opstanding van leven. En zij die slechte dingen hebben
gedaan tot een opstanding van oordeel. |
|
30 |
|
Ik kan niets uit mijzelf
doen, maar zoals ik
gehoorzaam zo oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig want ik zoek
niet mijn eigen wil maar de wil van degene die mij heeft gezonden. |
|
31 |
|
Als ik over mijzelf getuig
is mijn getuigenis niet waar. |
|
32 |
|
Het is een ander die over
mij getuigt en ik weet dat zijn getuigenis dat hij aflegt over mij waar is. |
|
33 |
|
U stuurde [mensen] naar
Johannes, en hij getuigde over de waarheid. |
|
34 |
|
Echter niet van mensen
neem ik getuigenis, maar ik zeg dit zodat u mag leven. |
|
35 |
|
Die man was een lamp die
scheen en licht bracht, en u wilde zich voor een
korte tijd in zijn licht verheugen. |
|
36 |
|
Maar ik heb een getuigenis
dat groter is dan [die] van Johannes. Want de werken die mijn Vader mij
heeft gegeven om ze te voltooien, die werken die ik doe bewijzen over mij
dat mijn Vader me gezonden heeft. |
|
37 |
|
En de Vader die mij gezonden
heeft getuigt over mij. Nooit hebt u zijn stem gehoord of hebt u zijn
verschijning gezien. |
|
38 |
|
En zijn woord leeft niet in
u want in wie hij heeft gezonden stelt u geen geloof. |
|
39 |
|
U onderzoekt de Schriften
want daardoor gelooft dat u eeuwig leven hebt en zij getuigen over mij. |
|
40 |
|
Toch wilt u niet tot mij
komen zodat u eeuwig leven mag hebben. |
|
41 |
|
Ik ontvang geen complimenten
van de mensenzonen, |
|
42 |
|
maar ik ken u wel; dat de
liefde van God niet in u is. |
|
43 |
|
Ik ben gekomen in naam van
mijn Vader. U hebt mij niet ontvangen. Maar zou een ander komen in zijn
eigen naam zou u hem ontvangen. |
|
44 |
|
Hoe kunt u hen geloven die
eer van elkaar ontvangen maar de eer die van de ene God komt niet zoeken? |
|
45 |
|
Waarom denkt u dat ik u zal
beschuldigen tegenover de Vader? Er is er [al] één die u beschuldigt, dat is
Mozes op wie u hoopt. |
|
46 |
|
Als u maar in Mozes had
geloofd zou u ook in mij geloven, want Mozes schreef over mij. |
|
47 |
|
En als u de geschriften van
hem niet gelooft, hoe zult u mijn woorden geloven?" |
|
Hoofdstuk 6 |
|
1 |
|
Na deze dingen ging Jezus
naar de andere kant van de zee van Galilea, van Tiberias. |
|
2 |
|
En een grote menigte mensen
volgde hem want zij hadden de wonderen gezien die hij deed met de zieken. |
|
3 |
|
En Jezus ging op een berg en
daar ging hij zitten met zijn leerlingen. |
|
4 |
|
Het Pesachfeest van de joden
kwam nabij. |
|
5 |
|
Jezus sloeg zijn ogen op en
zag de grote menigte mensen die naar hem kwamen en hij zei tot Filippus: "Waar
kunnen we brood kopen zodat deze mensen kunnen eten?" |
|
6 |
|
Dit zei hij om hem te testen
want hij wist wat hij op het punt stond te doen. |
|
7 |
|
Filippus zei hem: "Tweehonderd
denarii voor brood zou hen niet genoeg zijn maar ieder zou een klein
stukje kunnen nemen." |
|
8 |
|
Een van zijn leerlingen,
Andreas de broer van Simon Petrus zei: |
|
9 |
|
"Hier is een zekere jongen
die vijf gerstebroden en twee vissen heeft. Maar wat zijn deze [dingen] voor
al die mensen?" |
|
10 |
|
Jezus zei hun: "Laat alle
mensen aanliggen." Nu was daar veel gras op die plaats en het aantal van de
mensen dat aanlag was vijfduizend. |
|
11 |
|
En Jezus nam het brood,
zegende het en verdeelde het voor wie aanlagen en deed ook zo met de vis
zoveel zij wensten. |
|
12 |
|
Toen zij gevuld waren zei
hij zijn leerlingen: "Verzamel de overgebleven stukken zodat niets verloren
zal gaan." |
|
13 |
|
En zij verzamelden en telden
twaalf manden met wat was overgebleven van degenen die aten van de vijf
gerstebroden. |
|
14 |
|
Zij en degenen die het
wonder zagen dat Jezus deed bleven zeggen: "Werkelijk, dit is de profeet die
in de wereld komt!" |
|
15 |
|
Maar Jezus wist dat zij op
het punt stonden hem te grijpen en hem een koning te maken dus trok hij zich
alleen terug op de berg. |
|
16 |
|
Toen de avond kwam, daalden
zijn leerlingen af naar de zee, |
|
17 |
|
en stapten in een boot en
gingen naar de andere kant, naar Kapernaüm. Terwijl het donker was geworden
was Jezus nog niet bij hen gekomen. |
|
18 |
|
Nu was de zee hevig tegen
hen gekeerd want een sterke wind waaide. |
|
19 |
|
En zij hadden ongeveer
vijf of zes kilometer geroeid toen zij Jezus zagen terwijl hij op het
meer liep. Toen hij hun boot naderde waren zij bang. |
|
20 |
|
Maar Jezus zei hun: "Ik ben
het, wees niet bang!" |
|
21 |
|
Dus wilden zij hem in de
boot ontvangen en spoedig bereikte die boot het gebied waar zij naar toe
gingen. |
|
22 |
|
De volgende dag zag de
menigte die op de andere kant van de oever was de andere boot behalve die in
welke de leerlingen waren weggegaan, maar dat Jezus niet met zijn leerlingen
in de boot was gestapt. |
|
23 |
|
Maar andere boten waren
gekomen van de plaats rond Tiberias, waar zij brood hadden gegeten terwijl
Jezus het zegende. |
|
24 |
|
Toen de menigte zag dat
zowel Jezus als zijn leerlingen daar niet waren gingen zij in deze boten
naar Kapernaüm [om te] zoeken waar Jezus was. |
|
25 |
|
Zodra zij hem vonden aan de
overkant van de zee zeiden zij hem: "Heer, wanneer kwam u hier?" |
|
26 |
|
Jezus antwoordde en zei hun:
"Amen, amen; ik zeg u dat u niet mij zoekt. Het is omdat u voornamelijk
wonderen zag en dat u brood at en gevuld raakte. |
|
27 |
|
Werk niet voor
voedsel dat vergaat maar voor voedsel houdbaar is tot eeuwig leven, wat
de Mensenzoon u zal geven want dit heeft de Vader gegarandeerd." |
|
28 |
|
Zij zeiden hem: "Wat moeten
we doen om de werken van God te doen?" |
|
29 |
|
Jezus antwoordde en zei hun:
"Dit is het werk van God, dat u dient te geloven in hem die hij heeft
gezonden." |
|
30 |
|
Zij zeiden hem: "Wat voor
wonder kunt u tonen zodat we kunnen zien en in u geloven? Wat hebt u laten
zien? |
|
31 |
|
Onze voorvaders aten
manna in de wildernis zoals is geschreven: "Hij
gaf hen brood uit de hemel te eten." |
|
32 |
|
Jezus zei hun: "Amen, amen;
ik zeg u dat het niet Mozes was die u brood uit de hemel gaf, maar mijn
Vader die u waar brood uit de hemel geeft. |
|
33 |
|
Want het brood dat van God
is hij die neerdaalde uit de hemel en geeft leven aan de wereld." |
|
34 |
|
Zij zeiden tot hem: "Heer,
geef ons dit brood voor altijd!" |
|
35 |
|
Jezus zei hun: "Ik ben het
brood van leven; wie ook tot mij komt, zal geen honger hebben, en wie ook in
mij gelooft zal nooit dorst hebben. |
|
36 |
|
Maar ik heb u gezegd dat u
mij hebt gezien en toch gelooft u niet. |
|
37 |
|
Allen die mijn Vader me
heeft gegeven zullen komen en wie ook tot mij komt zal ik niet buiten werpen. |
|
38 |
|
Want ik kwam niet uit de
hemel alsof het mijn eigen wil was maar om de wil van Hem te doen die me
heeft gezonden. |
|
39 |
|
Dit is zijn wil, die van hem
die mij zond, dat allen die hij mij heeft gegeven niet verloren raken, maar
dat ik dezen opwek op de laatste dag. |
|
40 |
|
Want dit is de wil van mijn
Vader dat allen die de Zoon zien en in hem geloven, eeuwig leven zullen
hebben. En ik zal hem opwekken op de laatste dag." |
|
41 |
|
Nu bleven de Judeeërs tegen
hem murmureren omdat hij had gezegd: "Ik ben het Brood dat uit de hemel is
neergedaald." |
|
42 |
|
En zij bleven zeggen: "Is
dit Jezus, de zoon van Jozef en zijn moeder die we kennen? En hoe kan deze
man zeggen: 'ik ben neergedaald uit de hemel?'" |
|
43 |
|
Jezus antwoordde en zei hun:
"Murmureer niet met elkaar. |
|
44 |
|
Geen mens kan tot mij komen
behalve wanneer de Vader hem leidt die mij heeft gezonden. En ik zal hem
opwekken op de laatste dag, |
|
45 |
|
want er staat geschreven in
de Profeten dat
allen onderwezen zullen zijn door Jah, elk die daarom van de Vader
hoort en van hem leert komt tot mij. |
|
46 |
|
Men kan de Vader niet kan
zien behalve hij die van God is; hij ziet de Vader. |
|
47 |
|
Amen, amen; ik zeg u dat die
wie ook in mij gelooft eeuwig leven heeft. |
|
48 |
|
Ik ben het brood van leven. |
|
49 |
|
Uw voorvaders aten manna in
de wildernis maar zij stierven. |
|
50 |
|
Maar dit is brood dat is
neergedaald uit de hemel waarvan men mag eten en niet zal sterven. |
|
51 |
|
Ik ben het levende brood dat
is neergedaald uit de hemel. En als iemand van dit brood zou heten zal hij
eeuwig leven. Het brood dat ik zal geven is mijn lichaam dat ik geef voor
het leven van de wereld." |
|
52 |
|
En de Judeeërs gingen
redetwisten met elkaar en zeiden: "Hoe kan deze zijn lichaam aan ons te eten
geven?" |
|
53 |
|
Daarop zei Jezus tot hen:
"Amen, amen, ik zeg dat behalve als u het lichaam van de Mensenzoon eet en
zijn bloed drinkt, hebt u geen leven in uzelf. |
|
54 |
|
Hij die van mijn lichaam eet
en drinkt van mijn bloed heeft eeuwig leven en ik zal hem opwekken op de
laatste dag. |
|
55 |
|
Want mijn lichaam is
werkelijk voedsel en mijn bloed is werkelijk drank. |
|
56 |
|
Hij die mijn lichaam eet en
mijn bloed drinkt verblijft in mij en ik in hem. |
|
57 |
|
Zoals de levende Vader mij
heeft gezonden en ik leef om de Vader; en wie van mij eet zal ook leven om
mij. |
|
58 |
|
Dit is het brood dat is
neergedaald uit de hemel. Het is niet zoals uw voorvaders manna aten en
stierven. Wie dit brood eet zal eeuwig leven." |
|
59 |
|
Hij zei deze dingen op de
vergadering in Kapernaüm terwijl hij onderwees. |
|
60 |
|
En velen van zijn leerlingen
die het hoorden zeiden: "Dit is een lastige rede, wie kan er naar luisteren?" |
|
61 |
|
Maar Jezus wist bij zichzelf
dat zijn leerlingen erover murmureerden dus zei hij hun: "Dit shockeert u? |
|
62 |
|
Als u daarom de Mensenzoon
ziet opstijgen naar de plaats waar hij ervoor was? |
|
63 |
|
Het is de adem die leven
geeft. Het lichaam heeft geen enkel voordeel. De woorden die ik met u spreek
zijn adem en leven. |
|
64 |
|
Maar er zijn sommigen van u
die niet geloven." Want Jezus had van het begin geweten wie hem niet
geloofden en wie hem zou verraden. |
|
65 |
|
Hij zei hun: "Daarom heb ik
u dit gezegd; dat niemand tot mij kan komen behalve als het hem is gegeven
door mijn Vader." |
|
66 |
|
Vanwege deze rede draaiden
veel van zijn leerlingen zich om en liepen niet met hem. |
|
67 |
|
En Jezus zei tegen zijn
twaalf: "Waarom willen ook jullie gaan?" |
|
68 |
|
Simon Petrus antwoordde en
zei: "Heer, tot wie moeten we gaan, u hebt woorden van eeuwig leven, |
|
69 |
|
en we geloven en weten dat u
de Messias bent, de Zoon van de levende God." |
|
70 |
|
Jezus zei hun: "Heb niet ik
twaalf van u gekozen? Eén van u is een
tegenstander." |
|
71 |
|
Nu sprak hij over Judas de
zoon van Simon Iskariot want hij, één van de twaalf, stond op het punt hem
te verraden. |
|
Hoofdstuk 7 |
|
1 |
|
Na deze dingen liep Jezus in
Galilea hij wilde namelijk niet in Judea lopen want de Judeeërs zochten hem
te doden. |
|
2 |
|
Nu kwam het loofhuttenfeest
van de joden nabij. |
|
3 |
|
Dus zeiden de broers van
Jezus: "Vertrek van hier en ga naar Judea zodat je leerlingen ook de werken
mogen zien die je doet, |
|
4 |
|
want niemand die openbaar
wil zijn doet iets in het geheim. Als je deze dingen doet, toon jezelf dan
aan de mensen!" |
|
5 |
|
Want zelfs zijn broers
hadden niet geloofd in Jezus. |
|
6 |
|
Jezus zei hun: "Mijn tijd is
tot nu nog niet gekomen, maar jullie hebben nog alle tijd! |
|
7 |
|
De wereld kan jullie niet
haten maar mij haten ze want ik getuig tegen haar dat haar werken slecht
zijn. |
|
8 |
|
Gaan jullie naar dit feest, ik zal niet naar dit feest gaan want mijn
tijd is nog niet
gekomen." |
|
9 |
|
Deze dingen zei hij dus
bleef hij in Galilea, |
|
10 |
|
maar toen zijn broers naar
het feest gingen ging hij toch, niet
openlijk maar in het geheim. |
|
11 |
|
Maar de Judeeërs zochten
naar hem op het feest en bleven zeggen: "Waar is hij?" |
|
12 |
|
En er was veel gemompel om
hem onder de menigte daar want sommigen zeiden dat hij goed was en anderen
zeiden: "Nee, want hij misleidt de mensen." |
|
13 |
|
Maar niemand sprak openlijk
over hem, vanwege angst voor de Judeeërs. |
|
14 |
|
Op de helft van het feest nu,
ging Jezus op naar de tempel en hij ging onderwijzen. |
|
15 |
|
En de Judeeërs verbaasden
zich en zeiden: "Hoe kent deze de geschriften daar hij niet heeft gestudeerd?" |
|
16 |
|
Jezus antwoordde en zei: "Mijn
leringen zijn niet van mij maar van degene die mij heeft gezonden. |
|
17 |
|
Degene die zijn wil wenst te
doen kan begrijpen of mijn leringen van God zijn of door mijn eigen wil. |
|
18 |
|
Wie voor eigen rekening
spreekt, zoekt zijn eigen eer. Maar wie de eer zoekt van degene die hem
heeft gezonden zoekt is waar, en er is geen onrecht in zijn hart. |
|
19 |
|
Gaf Mozes u niet de Thora?
Toch onderhoudt niemand onder u de Thora. Waarom wilt u mij doden?" |
|
20 |
|
De menigte antwoordde en zei:
"U hebt een demon, wie wil u doden?" |
|
21 |
|
Jezus antwoordde en zei: "Ik
heb een [bepaald] werk gedaan en allen verbazen zich, |
|
22 |
|
daarom gaf niet Mozes de
besnijdenis omdat het van Mozes was maar het was van de patriarchen. Toch
besnijdt u iemand op de sabbat. |
|
23 |
|
Als een man wordt besneden
op de dag van de sabbat zodat de Thora van Mozes niet wordt veronachtzaamd,
waarom murmureert u tegen mij omdat ik iemand gezond heb gemaakt op de
sabbat? |
|
24 |
|
Oordeel niet met hypocrisie
maar met een recht oordeel. |
|
25 |
|
En mannen van Jeruzalem
bleven zeggen: "Is dit niet de man die zij willen doden? |
|
26 |
|
En zie, hij spreekt openlijk.
En zij zeggen hem niets. Waarom? Denken onze ouderlingen dat deze werkelijk
de Gezalfde is? |
|
27 |
|
Maar wij kennen deze man,
van waar hij is; maar wanneer de Gezalfde komt weet niemand van waar hij
is." |
|
28 |
|
En Jezus verhief zijn stem
terwijl hij onderwees in de tempel en zei: "Zowel u als ik weten van waar ik
ben. U weet dat ik niet uit eigen wil ben gekomen, maar werkelijk; hij die
mij heeft gezonden, hem kent u niet. |
|
29 |
|
Maar ik ken hem want ik van
hem kom ik, en hij heeft mij gezonden." |
|
30 |
|
En zij wilden hem grijpen,
toch
deed niemand hem iets want zijn tijd was nog niet gekomen. |
|
31 |
|
En velen van de menigten
geloofden in hem en zeiden: "Wanneer de Gezalfde komt, zou deze dan meer
wonderen doen dan dat deze man doet?" |
|
32 |
|
Maar de Farizeeën hoorden de
menigten die over hem deze dingen zeiden dus zonden zij en de overpriesters
bewakers zodat die hem zouden grijpen. |
|
33 |
|
En Jezus zei: "Een korte
tijd ben ik met u en ik zal gaan naar hem die mij heeft gezonden. |
|
34 |
|
U zult mij zoeken maar mij
niet vinden; waar ik ben zult u niet kunnen komen." |
|
35 |
|
De Judeeërs zeiden onder
elkaar: "Waarheen staat deze man op het punt te gaan waar wij hem niet
kunnen vinden? Hij zal wel straks naar de
diaspora onder de natiën gaan en de
niet-joden onderwijzen! |
|
36 |
|
Wat is dit voor uitspraak
dat hij zei: 'U zult mij zoeken maar mij niet vinden en waarheen ik ga, kunt
u niet komen?'" |
|
37 |
|
Op de grote dag welke de
laatste dag van het feest is, ging Jezus staan en hij riep uit en zei: "Als
iemand dorst heeft, laat hij naar mij komen en drinken, |
|
38 |
|
Wie ook in mij gelooft zoals
de schriften hebben gezegd; rivieren van levend water zullen stromen uit
zijn binnenste." |
|
39 |
|
Want dit zei hij over de
adem die zij die in hem geloofden op het punt stonden te ontvangen. Want de
adem was nog niet gegeven omdat Jezus nog niet groots was gemaakt. |
|
40 |
|
Daarop bleven velen van de
menigten zeggen die zijn woorden horen: "Dit is werkelijk een profeet!" |
|
41 |
|
Anderen bleven zeggen: "Dit
is de Gezalfde!", anderen zeiden: "Waarom? Komt de Gezalfde uit Galilea? |
|
42 |
|
Zeggen de Schriften niet dat
door het zaad van David en uit het dorp Bethlehem van David, de Gezalfde
komt?" |
|
43 |
|
En er ontstond verdeeldheid
in de menigte, om hem. |
|
44 |
|
Sommigen onder hen hadden
hem willen grijpen, maar niemand raakte hem aan. |
|
45 |
|
En die bewakers gingen terug
naar de overpriesters en de Farizeeën en de priesters zeiden hun: "Waarom
hebben jullie hem niet gebracht?" |
|
46 |
|
De bewakers zeiden hun: "Nooit
heeft iemand zo gesproken als deze man!" |
|
47 |
|
De Farizeeën zeiden hun: "Wat,
zelfs jullie zijn misleid! |
|
48 |
|
Heeft iemand van de leiders
of de Farizeeën in hem geloofd? |
|
49 |
|
Behalve deze mensen, die de
Thora niet kennen, vervloekt zijn zij!" |
|
50 |
|
Nikodemus, één van hen, die
in de nacht naar Jezus was gegaan, zei hun: |
|
51 |
|
Hoezo? Veroordeelt onze
Thora iemand zonder dat ze het eerst van hem hoort en weet? Wat heeft hij
gedaan? |
|
52 |
|
Zij antwoordden en zeiden
hem: "Waarom? Ben je ook uit Galilea? Onderzoek en zie dat de Profeet niet
zal verrijzen uit Galilea!" |
|
53 |
|
*En iedereen ging naar huis. |
|
Hoofdstuk 8 |
|
1 |
|
Daarop ging Jezus naar de
Olijfberg. |
|
2 |
|
In de morgen ging hij weer
naar de tempel, en alle mensen kwamen naar hem, en hij ging zitten en
onderwees hen. |
|
3 |
|
Toen brachten de
Schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw die was betrapt op overspel, en
zij lieten haar in het midden staan. |
|
4 |
|
Zij zeiden hem: "Leraar,
deze vrouw was op heterdaad betrapt bij het bedrijven van overspel. |
|
5 |
|
Nu is volgens de Thora van
Mozes bevolen dat vrouwen als deze moeten worden gestenigd. Wat zegt u
daarvan? |
|
6 |
|
Zij zeiden dit om hem te
testen zodat zij hem konden beschuldigen. Terwijl Jezus gebogen neerzat
schreef hij op de grond. |
|
7 |
|
Toen zij hem bleven
ondervragen, ging Jezus rechtop staan en zei hun: "Degene onder u die zonder
zonde is, laat hij de eerste steen naar haar werpen!" |
|
8 |
|
En zodra hij weer ging
zitten schreef hij op de grond. |
|
9 |
|
Toen zij dit hoorden,
vertrokken ze één voor één te beginnen met de ouderlingen; en de vrouw in
het midden, bleef achter. |
|
10 |
|
Zodra Jezus ging staan zei
hij tot de vrouw: "Waar zijn zij? Heeft niemand u veroordeeld?" |
|
11 |
|
Ze antwoordde: "Niemand,
Heer!" Daarop zei Jezus: "Ook ik veroordeel u niet, ga heen en zondig vanaf
nu niet meer." |
|
12 |
|
Weer sprak Jezus met hen en
zei: "Ik ben het licht van de wereld. Wie ook mij volgt, zal niet in de
duisternis lopen maar zal voor zich zelf het levenslicht vinden. |
|
13 |
|
De Farizeeën zeiden hem: "U
getuigt over uzelf, uw getuigenis is niet waar." |
|
14 |
|
Jezus antwoordde en zei hun:
"Zelfs áls ik over mijzelf getuig, is mijn getuigenis waar want ik weet
vanwaar ik ben gekomen en waarheen ik ga. Maar u weet niet vanwaar ik ben
gekomen of waarheen ik ga. |
|
15 |
|
U oordeelt naar het lichaam,
ik oordeel niemand. |
|
16 |
|
Mocht ik nu oordelen, is
mijn oordeel waar want het is niet alleen ik [die oordeel] maar ik en mijn
Vader, die mij heeft gezonden. |
|
17 |
|
En er staat in uw eigen
Thora geschreven dat het getuigenis van twee mensen waar is. |
|
18 |
|
Dus ik getuig over mijzelf
en mijn Vader die me heeft gezonden getuigt over mij." |
|
19 |
|
Zij zeiden hem: "Waar is uw
Vader?" Jezus antwoordde en zei hun: "U kent mij en mijn Vader niet. Als u
mij had gekend, zou u ook mijn Vader hebben gekend." |
|
20 |
|
Deze woorden sprak hij in de
schatkamer van de tempel. Niemand greep hem want zijn tijd was nog niet
gekomen. |
|
21 |
|
Weer zei Jezus hun: "Ik ga
weg terwijl u mij zult zoeken en u zult sterven in uw zonden. Waarheen ik ga
kunt u niet komen." |
|
22 |
|
De Judeeërs zeiden: "Wat!
Zal hij zichzelf werkelijk doden dat hij zegt: waarheen ik zal gaan kunt u
niet komen?" |
|
23 |
|
En hij zei hun: "U bent van
beneden terwijl ik van boven kom. U bent uit deze wereld maar ik kom niet
uit deze wereld. |
|
24 |
|
Ik vertelde u dat u zult
sterven in zonde. Tenzij u gelooft
dat ik hem ben zult u sterven in uw zonde." |
|
25 |
|
De Judeeërs zeiden: "Wie
bent u?" Jezus zei hun: "Als ik toch ik met u begin te spreken, |
|
26 |
|
heb ik veel tegen u te
zeggen en te oordelen, maar Hij die mij heeft gezonden is waar en die dingen
die ik heb gehoord van hem, deze dingen zijn die ik in de wereld spreek." |
|
27 |
|
En zij begrepen niet dat hij
tot hen sprak over de Vader. |
|
28 |
|
Weer zei Jezus tot hen: "Wanneer
u de Mensenzoon zal hebben opgeheven, dan zult u begrijpen dat ik hem ben.
Niets doe ik voor eigen rekening, maar ik doe zoals mijn Vader me heeft
geleerd, dus spreek ik net als Hij." |
|
29 |
|
Hij die mij heeft gezonden
is met mij; en mijn Vader heeft me nooit alleen gelaten want ik doe altijd
wat hem aangenaam is." |
|
30 |
|
Toen hij deze woorden sprak,
geloofden velen in hem. |
|
31 |
|
Daarop zei Jezus tot de
joden die in hem geloofden: "Als u in mijn woorden verblijft bent u
werkelijk mijn leerlingen, |
|
32 |
|
dan zult u de waarheid
kennen en die waarheid zal u vrijmaken." |
|
33 |
|
Zij zeiden hem: "Wij zijn de
kinderen van Abraham, maar we zijn nooit in slavernij gebracht door iemand,
wat bedoelt u met: u zult vrije mensen zijn?" |
|
34 |
|
Jezus zei hun: "Amen, amen;
ik zeg dat wie een zonde pleegt is een slaaf van zonde. |
|
35 |
|
en een slaaf blijft niet
eeuwig in het huisgezin, maar de zoon blijft er eeuwig. |
|
36 |
|
Als daarom de Zoon u
bevrijdt, zult u werkelijk vrij zijn. |
|
37 |
|
Ik weet dat u de
nakomelingen van Abraham bent, maar u wilt me nog steeds doden want u maakt
geen plaats in uzelf voor mijn woord. |
|
38 |
|
Ik spreek over wat ik heb
gezien bij mijn Vader, en wat u ook doet hebt u gezien bij uw vader." |
|
39 |
|
Zij antwoordden hem en
zeiden: "Onze eigen vader is Abraham." Jezus zei hun: "Was u maar de zonen
van Abraham, dan zou u de werken van Abraham doen. |
|
40 |
|
Maar zie, nu wilt u mij
doden, zelfs iemand die u de waarheid heeft verteld die ik van God heb
gehoord. Zoiets zou Abraham niet doen. |
|
41 |
|
Maar u doet de werken van uw
vader. Zij zeiden hem: "Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij hebben één
Vader, God." |
|
42 |
|
Jezus zei hun: "Als God uw
Vader was, zou u mij liefhebben, want ik ben uitgegaan van God en gekomen en
het is niet door eigen wil dat ik ben gekomen, maar Hij heeft mij gezonden. |
|
43 |
|
Waarom begrijpt u mijn woord
niet? Omdat u mijn woorden niet kunt
gehoorzamen! |
|
44 |
|
U bent uit de vader van
laster en u wilt de lusten van uw vader uitvoeren, want vanaf het
begin vermoordde hij mensen en stond hij niet voor de waarheid want er
is geen waarheid in hem. Wanneer hij spreekt, spreekt hij zijn eigen leugen,
want hij is een leugenaar en zelfs de vader van de leugen. |
|
45 |
|
Omdat ik waarheid spreek
gelooft u mij niet. |
|
46 |
|
Wie onder u kan mij zonde
aanrekenen? En als ik de waarheid spreek, waarom gelooft u mij dan niet? |
|
47 |
|
Wie van God is, hoort Gods
woorden, en daarom hoort u niet, want u bent niet van God." |
|
48 |
|
De Judeeërs antwoordden en
zeiden hem: "Hebben we niet duidelijk genoeg gezegd dat u een Samaritaan
bent en gestoord bent?" |
|
49 |
|
Jezus antwoordde en zei: "Ik
ben niet gestoord maar ik eer mijn Vader terwijl u tegen mij vloekt. |
|
50 |
|
Ik zoek niet mijn eigen eer;
het is hij die onderzoekt en oordeelt. |
|
51 |
|
Amen, amen; ik zeg u dat hij
die mijn woorden gehoorzaamt; dood
zal hij niet eeuwig zien." |
|
52 |
|
De Judeeërs zeiden tot hem:
"Nu weten we [zeker] dat u gestoord bent! Abraham en de profeten zijn
gestorven; toch zegt u: 'wie mijn woord gehoorzaamt, dood niet eeuwig zal
smaken'. |
|
53 |
|
Waarom bent u groter dan
onze vader Abraham die is gestorven en dan de profeten die zijn gestorven.
Wie
denkt u wel te zijn?" |
|
54 |
|
Jezus zei hun: "Als ik
mijzelf eer is mijn compliment waardeloos. Het is mijn Vader die mij eert
van wie u zegt: 'hij is onze God'. |
|
55 |
|
En u kent hem niet maar ik
ken hem. Maar als ik zou zeggen: 'ik ken hem niet', zou ik een leugenaar
zijn zoals u, maar ik ken hem en ik gehoorzaam zijn woord. |
|
56 |
|
Uw vader Abraham verlangde
ernaar mijn dag te zien. En hij zag [ernaar] uit en was verheugd." |
|
57 |
|
Maar de Judeeërs zeiden hem:
"U bent niet vijftig jaar oud, maar toch hebt u Abraham gezien?" |
|
58 |
|
Jezus zei hun: "Amen, amen;
ik zeg u dat vóór Abraham bestond,
was ik." |
|
59 |
|
Daarop pakten zij stenen om
hem te stenigen. Maar Jezus verborg zich, vertrok uit de tempel, ging tussen
hen door en verliet hen. |
|
Hoofdstuk 9 |
|
1 |
|
Toen hij overstak zag hij
een man [die] blind [was] van zijn geboorte af. |
|
2 |
|
Dus vroegen zijn leerlingen
hem en zeiden: "Leraar, wie hebben gezondigd, deze [man] of zijn ouders
zodat hij blind geboren moest worden?" |
|
3 |
|
Jezus zei tot hen: "Hij en
zijn ouders zondigden niet, maar dat door hem de
werken van God gezien mogen worden, |
|
4 |
|
Ik moet de werken van hem
doen die mij heeft gezonden zolang het dag is. De nacht komt zodat men niet
kan werken. |
|
5 |
|
Zolang ik in de wereld ben,
ben ik het licht van de wereld." |
|
6 |
|
Terwijl hij deze dingen zei
spuwde hij op de grond en mengde klei met zijn speeksel en deed het op op de
ogen van die blinde man. |
|
7 |
|
En hij zei hem: "Ga, reinig
[u] in het doopbekken van Siloam." Hij ging, waste zich en ging zien. |
|
8 |
|
Zijn buren en degenen die
hem van het begin af hadden zien bedelen, bleven zeggen: "Is deze niet hij
die zou zitten bedelen?" |
|
9 |
|
Sommigen zeiden dat hij het
was, anderen zeiden: "Nee, maar hij lijkt sterk op hem." Maar hij bleef
zeggen: "Ik ben het!" |
|
10 |
|
Zij zeiden tot hem: "Hoe
zijn uw ogen [dan] geopend?" |
|
11 |
|
Hij antwoordde en zei hun: "Een
man van wie zijn naam Jesus is maakte klei, deed het op mijn ogen en hij zei
me te gaan en te reinigen in het water van Siloam, dus ging ik, waste me en
ik begon te zien." |
|
12 |
|
Zij zeiden hem: "Waar is hij?"
Hij zei hun: "Ik weet het niet." |
|
13 |
|
Daarop brachten zij hem die
van het begin af blind was naar de Farizeeën. |
|
14 |
|
Nu was het Sabbat toen Jezus
de klei maakte en Jezus zijn ogen had geopend. |
|
15 |
|
Weer vroegen de Farizeeën
hem: "Hoe is het mogelijk dat u ziet?" Hij zei hun: "Klei deed hij op mijn
ogen en ik waste me en ik zie." |
|
16 |
|
Maar sommigen van de
Farizeeën bleven zeggen: "Die man is niet van God. Hij houdt de Sabbat niet."
Maar anderen bleven zeggen: "Hoe kan een zondig man deze wonderen doen?"
zodat er verdeeldheid onder hen was. |
|
17 |
|
Zij zeiden die blinde man
weer: "Wat zegt u over degene die uw ogen heeft geopend?" Hij zei hun: "Ik
zeg dat hij een profeet is." |
|
18 |
|
Maar de Judeeërs konden niet
geloven over hem dat hij blind was geweest, want ten slotte, hij kon zien!
Totdat zij zijn ouders riepen die konden zien. |
|
19 |
|
En zij vroegen hun: "Als dit
uw zoon is, zegt u dat hij blind was geboren? Hoe kan het zijn dat hij nu
kan zien?" |
|
20 |
|
En zijn ouders antwoordden:
"We weten dat dit onze zoon is en dat hij blind was geboren. |
|
21 |
|
Maar hoe hij nu kan zien of
wie zijn ogen hebben geopend weten we echt niet. Hij is meerderjarig. Vraag
hem zelf." |
|
22 |
|
Dit zeiden zijn ouders omdat
zij bang waren voor de Judeeërs want de Judeeërs hadden besloten dat wie de
Gezalfde in hem zouden erkennen zij hem zouden uitsluiten van de vergadering. |
|
23 |
|
Daarom zeiden zijn ouders: "Hij
is meerderjarig is vraag hem zelf." |
|
24 |
|
Dus riepen zij de man die
blind was voor de tweede keer en zij zeiden: "Geef eer aan God, want we
weten dat deze man een zondaar is." |
|
25 |
|
Daarop antwoordde hij en zei
hun: "Of hij een zondaar is weet ik niet, maar ik weet één [ding]; namelijk
dat ik blind was en zie, ik kan zien!" |
|
26 |
|
Zij zeiden hem weer: "Wat
heeft hij met u gedaan, hoe opende hij uw ogen?" |
|
27 |
|
Hij zei hun: "Ik heb u [dat]
verteld toch hebt u niet geluisterd! Waarom wilt u het weer horen? Wilt u
soms ook zijn leerlingen worden?" |
|
28 |
|
Daarop scholden zij hem uit
en zeiden hem: "U bent één van zijn leerlingen, maar wij zijn leerlingen van
Mozes! |
|
29 |
|
En we weten dat God met
Mozes sprak. Van deze man weten we niet vanwaar hij is." |
|
30 |
|
Daarop antwoordde die man en
zei hun: "Hier is iets om over te verbazen dat u niet weet vanwaar hij is.
Toch heeft hij mijn ogen geopend. |
|
31 |
|
Wij weten nu dat God niet
luistert naar de stem van zondaars. Hij die hem vreest en zijn wil doet,
naar hem luistert hij. |
|
32 |
|
Nooit tevoren is gehoord dat
iemand de ogen van een blinde heeft geopend die blind was geboren. |
|
33 |
|
Als deze man niet van God
is, zou hij dit niet kunnen doen." |
|
34 |
|
En zij antwoordden hem en
zeiden: "U bent volledig in zonde geboren en u onderwijst ons?" Daarop
sloten zij hem uit. |
|
35 |
|
Maar Jezus hoorde dat zij
hem hadden uitgesloten en hij vond hem, en zei hem: "Gelooft u in de Zoon
van God?" |
|
36 |
|
Hij die was genezen zei hem:
"Wie is hij mijn Heer, dat ik in hem mag geloven?" |
|
37 |
|
Jezus zei hem: "U hebt hem
gezien en hij die met u spreekt is hem." |
|
38 |
|
En hij zei: "Ik geloof mijn
Heer, en hij knielde en aanbad hem." |
|
39 |
|
Daarop zei Jezus: "Want het
oordeel van deze wereld waarin ik ben gekomen, zodat wie niet zien mogen
zien maar wie zien, blind worden." |
|
40 |
|
En sommige van die Farizeeën
die bij hem waren hoorden deze dingen en zeiden hem: "Waarom zijn zelfs wij
blind?" |
|
41 |
|
Jezus zei hun: "Waren jullie
maar blind, dan zouden jullie geen zonde hebben, maar nu zegt u: "Wij zien."
Daardoor blijft uw zonde. |
|
Hoofdstuk 10 |
|
1 |
|
"Amen, amen; ik zeg u dat
wie niet door de deur van de schaapskooi naar binnengaat maar via een andere
plek naar binnen gaat een dief is en een rover. |
|
2 |
|
Maar wie door de deur naar
binnengaat, is de herder van de kudde. |
|
3 |
|
En voor hem opent de bewaker
de deur en de kudde hoort zijn stem en zijn schapen roept hij bij hun naam
en hij leidt hen naar buiten. |
|
4 |
|
En zodra hij zijn kudde naar
buiten leidt gaat hij zijn schapen voor en zijn schapen volgen hem want zij
kennen zijn stem. |
|
5 |
|
Maar de kudde volgt een
vreemdeling niet, eerder vlucht hij van hem weg want hij kent de stem van de
vreemdeling niet." |
|
6 |
|
Deze vergelijking vertelde
Jezus hen maar zij begrepen niet wat hij tegen hen zei. |
|
7 |
|
Jezus zei nu tot hen: "Amen,
amen; ik zeg u dat ik de deur van de
kuddes ben. |
|
8 |
|
En allen die zijn gekomen
zijn dieven en rovers als de kudde niet naar hen heeft geluisterd. |
|
9 |
|
Ik ben de deur en als iemand
door mij zou binnengaan, zal hij leven, in- en uitgaan en weide vinden. |
|
10 |
|
Een dief komt alleen om te
kunnen stelen, doden en vernietigen. Ik ben gekomen zodat zij leven mogen
hebben en het overvloedig hebben. |
|
11 |
|
Ik ben de goede herder. Een
goede herder geeft zijn leven voor zijn kudde. |
|
12 |
|
Maar een gehuurde kracht die
niet de herder is en die niet de eigenaar van de schapen is vlucht wanneer
hij de wolf ziet komen. Hij laat de schapen in de steek en rent weg en de
wolf komt en grijpt en verstrooit de kudde. |
|
13 |
|
De gehuurde kracht vlucht
omdat hij wordt gehuurd en zich niet druk maakt om de kudde. |
|
14 |
|
Ik ben de goede herder en ik
ken wie van mij zijn en zij kennen mij. |
|
15 |
|
Net zoals mijn Vader mij
kent, ken ik ook mijn Vader. En ik leg mijn leven af in het belang van de
kudde. |
|
16 |
|
Ik heb ook andere schapen
die niet van deze schaapskooi zijn. En ook hen moet ik brengen en zij zullen
mijn stem horen en één kudde worden. Eén herder zal er zijn. |
|
17 |
|
Hierom houdt mijn Vader van
mij; omdat ik mijn leven afleg om haar weer op te pakken. |
|
18 |
|
Niemand neemt het van mij
maar ik leg het neer uit vrije wil. Ik heb autoriteit om het neer te leggen
en ik heb autoriteit om haar weer op te nemen want hierover heb ik het bevel
ontvangen van mijn Vader." |
|
19 |
|
En er ontstond verdeeldheid
onder de Judeeërs vanwege deze woorden. |
|
20 |
|
En velen van hen bleven
zeggen: "Hij heeft een demon en hij is gestoord, waarom luisteren jullie
naar hem?" |
|
21 |
|
Maar anderen bleven zeggen:
"Dit zijn niet de woorden van een bezetene, hoe kan een een demon de ogen
van blinden openen?" |
|
22 |
|
Het Chanoekafeest vond
plaats en het was winter in Jeruzalem. |
|
23 |
|
Jezus was aan het wandelen
in de tempel, in de zuilengang van Salomo. |
|
24 |
|
Maar de Judeeërs omsingelden
hem en zeiden hem: "Hoe lang laat u ons in verwachting? Als u de Gezalfde
bent zeg het ons openlijk!" |
|
25 |
|
En Jezus antwoordde en zei
hun: "Ik heb het u verteld maar u gelooft niet. De werken die ik doe in de
naam van mijn Vader getuigen over mij, |
|
26 |
|
maar u gelooft niet want u
bent niet mijn schapen zoals ik u heb verteld heb. |
|
27 |
|
Mijn schapen luisteren naar
mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij. |
|
28 |
|
Ik geef hen eeuwig leven en
zij zullen niet vergaan. Nooit zal iemand hen uit mijn handen graaien. |
|
29 |
|
Want mijn vader die hen aan
mij gaf is groter dan allen, en niemand kan hen uit de handen van mijn Vader
graaien. |
|
30 |
|
Ik en mijn Vader zijn het
eens." |
|
31 |
|
Weer pakten de Judeeërs
stenen om hem te stenigen. |
|
32 |
|
Jezus zei hun: "Vele goede
werken van mijn Vader heb ik u getoond. Voor welke van deze stenigt u mij?" |
|
33 |
|
De Judeeërs zeiden hem:
"Niet vanwege goede werken stenigen we u, eerder omdat u blasfemie pleegt
want terwijl u een mensenzoon bent, maakt u zichzelf god!" |
|
34 |
|
Jezus zei hun: "Staat er
niet geschreven in uw Thora: Ik heb u verteld dat
goden bent? |
|
35 |
|
Als hij deze [mensen] goden
noemde omdat het Woord van God bij hen was, en men kan de Schrift niet
krachteloos maken, |
|
36 |
|
zegt u: 'u pleegt
blasfemie!' omdat ik u verteld had dat ik de Zoon van God ben? |
|
37 |
|
Als ik niet de werken van
mijn Vader doe, geloof me dan niet, |
|
38 |
|
Maar als ik [ze] doe,
terwijl u mij niet gelooft, geloof dan de werken zodat u mag weten en
geloven dat mijn Vader het
eens met mij is en ik het eens ben met mijn Vader." |
|
39 |
|
Dus probeerden zij hem weer
te grijpen maar hij ontsnapte uit hun bereik. |
|
40 |
|
En hij stak de Jordaan over
naar de plaats waar Johannes voorheen was gewest toen hij doopte. En hij
bleef daar. |
|
41 |
|
Daarop kwamen vele mensen
naar hem die bleven zeggen dat zelfs Johannes niet één wonder deed maar dat
alles wat Johannes zei over deze man waar was. |
|
42 |
|
En velen geloofden in hem. |
|
Hoofdstuk 11 |
|
1 |
|
Nu was er iemand ziek,
Lazarus van Bethanië, het dorp van de broer van Maria en Martha. |
|
2 |
|
Deze Maria nu was degene die
de voeten van Jezus had gezalfd met balsem en ze afgedroogd met haar haar.
Haar broer Lazarus was ziek, |
|
3 |
|
en zond beide zusters naar
Jezus en zei: "Heer, zie, van wie u houdt is ziek!" |
|
4 |
|
Maar Jezus zei: "Deze ziekte
is niet dodelijk maar tot eer van God; dat de Zoon van God geëerd mag worden
door hem." |
|
5 |
|
Jezus nu, had Martha, Maria
en Lazarus
lief. |
|
6 |
|
Toen hij hoorde dat hij ziek
was bleef hij [nog] twee dagen in de plaats waar hij was. |
|
7 |
|
Daarna zei hij tot zijn
leerlingen: "Kom, laten we weer naar Judea gaan." |
|
8 |
|
Zijn leerlingen zeiden hem:
"Heer, de Judeeërs zochten u onlangs te stenigen en u gaat er weer heen?" |
|
9 |
|
Jezus zei hun: "Zijn er niet
twaalf uur overdag? En als men overdag wandelt zal men niet struikelen want
men ziet licht van deze
wereld." |
|
10 |
|
Zou men in de nacht zou
lopen dan zal men struikelen omdat men niet
verlicht is. |
|
11 |
|
Deze dingen zei Jezus maar
daarna zei hij hun: "Onze vriend Lazarus is gaan rusten maar ik zal gaan en
ik zal hem
ontwaken." |
|
12 |
|
Zijn leerlingen zeiden hem:
"Heer, als hij
slaapt wordt hij beter!" |
|
13 |
|
Nu sprak Jezus over zijn
dood en zij dachten dat hij sprak over slapen in
bed. |
|
14 |
|
Toen zei Jezus hun openlijk:
"Lazarus is gestorven. |
|
15 |
|
Ik ben blij dat ik niet daar
was zodat u mag geloven, maar laten we er naar toe lopen!" |
|
16 |
|
Thomas die later de
Tweeling genoemd zou worden zei tegen zijn medeleerlingen: "Laten we ook
gaan en met hem sterven." |
|
17 |
|
En Jezus kwam in Bethanië en
vond hem in de graftombe waar hij al vier dagen lag. |
|
18 |
|
Nu lag Bethanië ongeveer
drie kilometer van Jeruzalem af. |
|
19 |
|
En veel Judeeërs kwamen naar
Martha en Maria om hen te troosten om hun broer. |
|
20 |
|
Toen Martha hoorde dat Jezus
was gekomen ging ze naar buiten om hem te ontmoeten maar Maria bleef thuis. |
|
21 |
|
Martha had Jezus gezegd:
"Heer, was u maar hier geweest, dan was mijn broer niet gestorven, |
|
22 |
|
maar zelfs nu weet ik dat
hoeveel u ook vraagt aan God, hij het u zal geven!" |
|
23 |
|
Jezus zei haar: "Uw broer
zal opstaan." |
|
24 |
|
Martha zei hem: "Ik weet dat
hij zal opstaan in de opstanding op de laatste dag!" |
|
25 |
|
Jezus zei haar: "Ik ben de
Opstanding en het Leven en wie in mij gelooft zal zelfs als hij zou
sterven, leven. |
|
26 |
|
Wie dan ook leeft en in mij
gelooft zal niet [voor] eeuwig sterven. Geloof je dat?" |
|
27 |
|
Zij zei hem: "Ja Heer, ik
geloof dat u de Gezalfde bent, Zoon van God die in de wereld is gekomen |
|
28 |
|
Toen ze deze dingen had
gezegd ging ze haar zus Maria halen en fluisterde haar: "Onze Heer is
gekomen en roept u!" |
|
29 |
|
Toen Maria dat hoorde stond
ze snel op en ging naar hem toe. |
|
30 |
|
Jezus zelf was nog niet in
het dorp gekomen maar was op de plaats waar hij Martha had ontmoet. |
|
31 |
|
Maar ook anderen en Judeeërs
die met haar in huis waren om haar te troosten volgden haar toen zij zagen
dat Maria snel opstond en naar buiten ging. Want zij dachten dat zij naar
het graf ging om te huilen. |
|
32 |
|
Toen Maria kwam waar Jezus
was en hem zag viel ze neer aan zijn voeten en zei hem: "Als u alleen maar
hier was geweest Heer, zou mijn broer niet zijn gestorven!" |
|
33 |
|
Toen Jezus zag haar huilen
en de Judeeërs die met haar waren gekomen huilden,
zuchtte hij diep en was hij zichtbaar geraakt. |
|
34 |
|
En hij zei: "Waar heb je hem
gelegd?" Zij zeiden hem: "Heer, kom kijken." |
|
35 |
|
Toen kwamen de tranen van
Jezus. |
|
36 |
|
De Judeeërs zeiden: "Kijk
hoeveel hij van hem hield!" |
|
37 |
|
En sommigen van hen zeiden:
"Kon deze, die de ogen van die blinde man opende, niet ook iets doen zodat
deze man niet was gestorven?" |
|
38 |
|
Terwijl Jezus vanwege hen in
zichzelf zuchtte kwam hij aan bij de graftombe. En die graftombe was een
grot en voor haar ingang was een steen geplaatst. |
|
39 |
|
Jezus zei: "Neem deze steen
weg." Martha, de zus van die dode man zei: "Heer, hij ruikt al, het is zijn
vierde dag!" |
|
40 |
|
Jezus zei haar: "Zei ik niet
dat als je gelooft, dat je de glorie van God zult zien?" |
|
41 |
|
Dus namen zij die steen weg
en Jezus keek omhoog en zei: "Ik dank Vader, dat u mij verhoord hebt. |
|
42 |
|
Ik weet dat u altijd naar me
luistert maar vanwege deze menigte die hier staat zeg ik deze dingen zodat
zij mochten geloven dat u mij hebt gezonden." |
|
43 |
|
Toen hij deze dingen had
gezegd riep hij met een luide stem: "Lazarus, kom naar buiten!" |
|
44 |
|
Daarop kwam die dode man
naar buiten terwijl hij was verbonden; zijn handen en zijn voeten met
zwachtels en zijn hoofd in een doek. Jezus zei hun: "Maak hem vrij en laat
hem gaan." |
|
45 |
|
Toen veel van de Judeeërs
die waren gekomen naar Maria zagen wat voor ding Jezus had gedaan geloofden
zij in hem. |
|
46 |
|
Maar sommigen van hen gingen
naar de Farizeeën en vertelden hun wat Jezus had gedaan. |
|
47 |
|
Daarop vergaderden de
overpriesters en de Farizeeën en bleven zeggen: "Wat zullen we doen, want
deze man doet veel wonderen! |
|
48 |
|
Als we hem zo laten gaan,
zullen alle mensen in hem geloven en zullen de Romeinen komen en onze
speling en onze natie afpakken! |
|
49 |
|
Eén van hen heette Kajafas,
de Hogepriester in dat jaar en hij zei: "Jullie weten niets! |
|
50 |
|
Jullie realiseren zelfs
niet, dat het beter voor ons is, dat één man moet sterven voor de natie in
plaats dat de hele natie zou vergaan!" |
|
51 |
|
Dit zei hij niet uit
zichzelf, maar omdat hij in dat jaar de Hogepriester was profeteerde hij dat
Jezus op het punt stond te sterven voor de natie, |
|
52 |
|
en niet alleen voor de natie
maar ook voor de verstrooide zonen van God die hij zou vergaderen tot één
natie. |
|
53 |
|
Vanaf die dag hadden zij
besloten hem te doden. |
|
54 |
|
Maar Jezus liep niet
openlijk tussen de Judeeërs maar hij ging van daar naar een gebied dat vlak
bij de wildernis lag, naar een plaats die Efraïm werd genoemd en hij
verbleef daar met zijn leerlingen. |
|
55 |
|
Nu kwam Pesach van de
Judeeërs nabij en velen van de dorpen gingen op naar Jeruzalem voordat het
feest begon zodat zij zich konden reinigen. |
|
56 |
|
En zij bleven daar Jezus
zoeken en zeiden tegen elkaar in de tempel: "Denk je dat hij niet naar het
feest zal komen?" |
|
57 |
|
Maar de Overpriesters en de
Farizeeën hadden bevolen dat als iemand wist waar [hij was] hij hen het
moest laten weten zodat zij hem konden grijpen. |
|
Hoofdstuk 12 |
|
1 |
|
Nu kwam Jezus zes dagen voor
Pesach in Bethanië waar Lazarus was, wie Jezus uit de doden had opgewekt. |
|
2 |
|
En zij richtten voor hem een
banket aan. Martha bediende terwijl Lazarus één van de gasten was die bij
hem was. |
|
3 |
|
Toen nam Maria een vaasje
zuivere en kostbare
nardus en zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar
haar. Daarop raakte het huis gevuld met de geur van parfum. |
|
4 |
|
Maar Judas Iskariot, een van
zijn leerlingen, die op het punt stond om hem te verraden zei: |
|
5 |
|
"Waarom is deze olie niet
verkocht voor een
jaarloon en aan de armen gegeven?" |
|
6 |
|
Hij zei dit niet omdat hij
gaf om de armen, maar omdat hij een dief was en de geldbuidel had, en hij
droeg wat er in werd gedaan. |
|
7 |
|
Toen zei Jezus: "Laat haar,
ze heeft het bewaard voor de dag van mijn begrafenis. |
|
8 |
|
want de armen hebt u altijd
met u, maar mij hebt u niet altijd met u." |
|
9 |
|
En een grote menigte
Judeeërs die daar was hoorde dat Jezus daar was, dus kwamen zij; niet alleen
vanwege Jezus maar ook om Lazarus te zien die hij uit de doden had opgewekt. |
|
10 |
|
En de overpriesters
overwogen ook Lazarus te doden, |
|
11 |
|
omdat door hem vele Judeeërs
uitgingen en geloofden in Jezus. |
|
12 |
|
|