Aramaic Peshitta

Add to Favorites

Set as Homepage

Home

 

  Buy Lamsa Bible:

 

 

Hit Counter

 

RCL circle:

Aramaic Peshitta Bible Repository

Lamsa Bible Online

Raph's Online Bookstore

 

 

FREE download of "Was the New Testament Really Written in Greek?"

 

 Support independent publishing: buy this book on Lulu.

 

 

 

Aramaic/Dutch Peshitta Translation - John

 

Hoofdstuk 1

1

 

In het begin was het Woord, en dat Woord was met God, en dat Woord was god. (hebr: miltha) instantie, woord, substantie, manifestatie God met kapitalisatie (ho-theos), in tegenstelling tot onbepaald theos (god) aan het einde

2

 

Hij was in het begin bij God.

3

 

Alles is ontstaan door zijn handen, en zelfs niet één [ding] van wat bestaat en het leven zijn ontstaan zonder hem.

4

 

Door hem was leven en het leven was het licht van mensen.

5

 

En dat licht schijnt in de duisternis en de duisternis kreeg het [licht] niet uit.

6

 

Er was een man die was gezonden door God; zijn naam was Johannes.

7

 

Deze [man] kwam tot een getuigenis zodat hij mocht getuigen over het licht zodat allen mochten geloven door zijn hand.

8

 

Hij was niet het licht [zelf] maar zou getuigen over het licht.

9

 

Want het licht van waarheid schijnt op allen die in de wereld komen.

10

 

In de wereld kwam hij en de wereld bestond door zijn handen maar de wereld kende hem niet. kosmos

11

 

Hij kwam tot wie van hem waren maar zij ontvingen hem niet.

12

 

Maar zij die hem ontvingen gaf hij autoriteit zodat zij, die in zijn naam geloofden, zonen van God mochten zijn.

13

 

Zij werden niet door bloed of door de wil van het lichaam of de wil van een mens, maar door God ontvangen.

14

 

En het Woord werd lichaam en begaf zich onder ons. En we zagen zijn glorie als de glorie van de eniggeborene die van de Vader is, die vol van gratie en waarheid is.

15

 

Over hem getuigde Johannes en hij zei: "Dit is degene over wie ik zei dat hij ná mij zou komen. En toch was hij vóór mij want hij bestond eerder dan ik."

16

 

En door zijn complement hebben we allen zelfs gratie op gratie ontvangen. aanvulling, letterlijk "dat wat vult, vullen" zie Matteus 9:16.

17

 

Want de Thora werd door Mozes gegeven, maar waarheid en gratie was door de Gezalfde Jezus.

18

 

Geen mens heeft God ooit gezien. De eniggeborene van God, hij die aan de boezem van zijn Vader is, hij heeft hem verklaard.

19

 

En dit is het getuigenis van Johannes toen de Schriftgeleerden, priesters en levieten van de Judeeërs aan hem vroegen: "Wie bent u?" Er was een groot verschil in mentaliteit tussen Galileeërs en Judeeërs. De eersten stelden groot belang in ‘naam’ en prestige. De laatsten in ceremoniën en het navolgen hiervan. 11 apostelen waren Galileërs. Handelingen 1:11; Mattheus 4:15

20

 

Daarop gaf hij toe en ontkende niet en verklaarde: "Niet ik ben de Messias."

21

 

En zij vroegen hem weer: "Bent u dan Elia?" Hij zei dan: "Nee, dat ben ik niet." "Bent u dan de Profeet?" en hij zei: "Nee!" Zij zeiden hem daarop: "Wie bent u dan zodat we

22

 

een antwoord kunnen geven aan wie ons zonden. Wat zegt u over u zelf?"

23

 

Hij zei: "Ik ben de roepende stem in de wildernis: 'Maak de weg van Jah recht' zoals de profeet Jesaja heeft gezegd. Jesaja 40:3. Deze roep, was ook in eerste instantie de naam van volgelingen van Jezus namelijk: “zij die tot ‘De Weg’ behoorden (Handelingen 9:2)”

24

 

Zij die waren gestuurd, waren van de Farizeeën.

25

 

Zij ondervroegen en zeiden hem: "Waarom doopt u als u zelf niet de Gezalfde of Elia of de Profeet bent?"

26

 

Johannes antwoordde en zei tot hen: "Ik doop met water, onder u staat iemand die u niet kent.

27

 

Hij is degene die ná mij zal komen, maar toch hij is [van] vóór mij zodat ik niet waardig ben de riem van zijn sandalen los te maken."

28

 

Deze dingen gebeurden in Bethanië op het oversteken van de Jordaan waar Johannes doopte.

29

 

En op de dag daarna zag Johannes Jezus naar hem komen en zei: "Zie, het Lam van God. Hij neemt de zonden van de wereld [weg]!

30

 

Hij is degene van wie ik sprak dat ná mij een man zal komen maar hij was mij vóór, want hij was [er] eerder dan ik."

31

 

En ik kende hem niet maar dat hij [eerst] bekend gemaakt zou worden aan Israël, daarom ben ik gekomen dat ik zou dopen met water."

32

 

Johannes getuigde ook en zei: "Ik zag de adem als een duif neerdalen uit de hemel en het rustte op hem." Aramees: Lruokha; grieks: πνευμα (pneuma)

33

 

En ik kende hem niet maar Hij die mij zond om met water te dopen tot mij zei: "Degene op wie u de adem ziet neerdalen en op hem rusten, hij zal dopen met de Heilige Adem.

34

 

En ik zag en getuigde dat hij de Zoon van God is."

35

 

De volgende dag stond Johannes met twee van zijn leerlingen.

36

 

En hij tuurde naar Jezus terwijl deze liep en hij zei: "Zie, het lam van God!"

37

 

En zijn beide leerlingen hoorden het toen hij dit zei en zij volgden Jezus.

38

 

Daarop draaide Jezus zich en zag degenen die achter hem kwamen en hij zei hun: "Wat wilt u?" Zij zeiden hem: "Heer, waar verblijft u?"

39

 

Hij zei hun: "Kom en jullie zullen zien." En zij kwamen en zagen waar hij woonde en zij bleven vanaf die dag bij hem. En het was ongeveer het tiende uur.

40

 

En één van hen die van Johannes had gehoord om Jezus te volgen was Andreas, de broer van Simon.

41

 

Deze ontmoette eerst zijn broer Simon en zei hem: "Ik heb de Gezalfde gevonden!"

42

 

En hij bracht hem bij Jezus. Jezus bestudeerde hem en zei: "Simon, jij bent de zoon van Jona en je zult Petrus worden genoemd." Aramees voor 'rots', Cefas of Petrus

43

 

De volgende dag wilde Jezus naar Galilea vertrekken en hij vond Filippus en zei hem: "Volg mij!"

44

 

Filippus nu kwam uit Bethsaïda de stad van Andreas en Simon. Vissersstad

45

 

En Filippus vond Nathanaël en zei hem: "Over wie Mozes (in de Thora) en de Profeten schreven, die hebben we gevonden! Hij is Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth"

46

 

Nathanaël zei hem: "Kan uit Nazareth [iets] wat goed is zijn?" Filippus zei hem: "Kom en je zult zien."

47

 

En Jezus keek terwijl Nathanaël naar hem toe kwam en zei over hem: "Zie, een ware zoon van Israël in wie geen bedrog is!"

48

 

Nathanaël zei hem: "Van waar kent u mij?" Jezus zei hem: "Ik zag u zitten onder de vijgenboom terwijl Filippus u hiervoor riep."

49

 

Nathanaël antwoordde en zei hem: "Leraar, u bent de Zoon van God, u bent de koning van Israël!"

50

 

Jezus zei hem: "Omdat ik zei dat ik u onder de vijgenboom zag geloofde u? Grotere dingen dan deze zult u zien."

51

 

Hij zei hem: "Amen, amen zeg ik dat u van nu [af] de hemel geopend zult zien terwijl de boodschappers van God afdalen naar de Mensenzoon."

Hoofdstuk 2

1

 

Op de derde dag was er een receptie in Kana, een stad in Galilea en de moeder van Jezus was daar,

2

 

En ook Jezus en zijn leerlingen waren uitgenodigd voor de receptie.

3

 

Toen de wijn opraakte zei zijn moeder tot Jezus: "Ze hebben geen wijn."

4

 

Jezus zei tot haar: "Wat wil je van me? Vrouw, mijn tijd is nog niet gekomen." Hebreeuws idioom letterlijk Wat is er voor mij en voor jou?

5

 

Zijn moeder zei tot de bedienden: "Wat hij u ook zegt, doe dat."

6

 

Er waren daar zes stenen waterkruiken die waren geplaatst voor de reiniging van de Judeeërs, met elk tachtig of honderdtwintig liter inhoud. Amfora's. letterlijk, met elk twee of drie metretras inhoud. Eén metreta (┼) was 39,4 liter.

7

 

Jezus zei tot hen: "Vul de kruiken met water." En zij vulden hen tot de rand.

8

 

Hij zei tot hen: "Schenk nu iets [in] en neem het naar de ceremoniemeester." En zij namen het.

9

 

Toen de ceremoniemeester het water dat wijn was geworden had geproefd terwijl hij niet wist vanwaar het was, behalve de bedienden wisten [het] want zij hadden het water gevuld, riep de ceremoniemeester de bruidegom,

10

 

en hij zei hem: "Iedereen serveert eerst de goede wijn, en als ze dronken zijn dat wat inferieur is. Maar u hebt de goede wijn tot nu bewaard."

11

 

Dit was het eerste wonder dat Jezus deed, in Kana van Galilea. En hij maakte zijn faam bekend en zijn leerlingen geloofden in hem.

12

 

Daarna daalde hij af naar Kapernaüm en zijn moeder en zijn broers en zijn leerlingen bleven daar een paar dagen.

13

 

En Pesach van de joden naderde en Jezus ging op naar Jeruzalem.

14

 

En hij trof in de tempel diegenen aan die runderen, schapen en duiven verkochten en de geldwisselaars die [daar] zaten.

15

 

Daarop maakte hij voor zichzelf een zweep van touw en dreef hen allen en zelfs de schapen en runderen en geldwisselaars uit de tempel. En hij verstrooide hun wisselgeld en gooide hun tafels omver.

16

 

En tot de duivenverkopers zei hij: "Neem ze en maak het huis van mijn Vader niet tot een marktplaats."

17

 

Daarop herinnerden zijn leerlingen dat werd geschreven: "De ijver voor uw huis heeft mij verteerd." Psalmen 69:9

18

 

Maar de Judeeërs antwoordden en zeiden hem: "Wat voor teken kunt u ons tonen dat u deze dingen doet?" Bewijs ons met welke autoriteit u deze dingen doet!

19

 

Jezus antwoordde en zei hun: "Breek deze tempel af en na drie dagen zal ik haar weer herstellen." herrijzen, opstaan

20

 

De Judeeërs zeiden tot hem: "De tempel was gebouwd in zesenveertig jaar en u herstelt haar in drie dagen?"

21

 

Maar hij sprak over de tempel van zijn lichaam.

22

 

Toen hij opstond uit de doden herinnerden zijn leerlingen dat hij dit had gezegd, en zij geloofden de Schriften en het woord dat Jezus had gezegd. grieks nekros, (νεκρων), zie ook Openbaring 20:5,6 eerste opstanding.

23

 

Terwijl Jezus op Pesach in Jeruzalem was geloofden velen in hem toen zij de wonderen zagen die hij tijdens het feest deed.

24

 

Maar Jezus vertrouwde zichzelf niet toe aan hen want hij kende elk mens,

25

 

en hij leunde niet op mensen om over hem te getuigen tot wie dan ook want hij wist wat in mensen leefde. Doelend op een verkeerd begrip van de Messias en zijn koningschap.

Hoofdstuk 3

1

 

Er was daar een zekere man uit de Farizeeën. Nikodemus was zijn naam, een joodse regeerder.

2

 

Deze man kwam in de nacht naar Jezus en zei tot hem: "Leraar, we weten dat u werd gezonden door God, want een leraar kan deze wonderen die u doet niet doen, behalve hij met wie God is."

3

 

Jezus antwoordde hem: "Ik verzeker je werkelijk dat als iemand niet herboren is, deze het koninkrijk van God niet kan zien."

4

 

Nikodemus zei hem: "Hoe kan een oude man weer geboren worden? Hoe kan [men] voor de tweede keer de schoot van zijn moeder binnengaan en geboren worden?" Aramees 'gawra'

5

 

Jezus antwoordde en zei hem: "Amen, amen; ik zeg u dat als een mens niet is geboren uit adem en water, hij het koninkrijk van God niet kan binnengaan. Roeach, geest

6

 

Dat wat is geboren uit het lichaam is lichaam en dat wat is geboren uit adem is adem. Roeach, geest

7

 

Verbaas u niet dat ik u heb gezegd dat het voor u nodig is weer geboren te worden.

8

 

Wind zal waaien waar het wil en u hoort zijn stem, maar u weet niet waar het vandaan komt of waar [het] naartoe gaat, zo is iedereen die uit adem is geboren." Roeach stem

9

 

Nikodemus antwoordde en zei hem: "Hoe kunnen deze dingen bestaan?"

10

 

Jezus antwoordde en zei hem: "U bent een leraar van Israël, maar u begrijpt deze dingen niet?

11

 

Ik zeg u werkelijk dat we de dingen bespreken die we weten, en we getuigen van de dingen die we zien. En ons getuigenis zou u niet accepteren.

12

 

Als ik u over de wereld had verteld, geloofde u toch niet. Zou u ooit geloven als ik zou spreken over de hemel?

13

 

Niemand is opgestegen naar de hemel, behalve hij die neerdaalde uit de hemel, de Mensenzoon [die in de hemel is]. volgens Peshitta en Vulgaat maar niet volgens griekse afschriften. Jezus spreekt in tegenwoordige tijd, terwijl hij feitelijk nog moet terugkeren. Vandaar dat 'die in de hemel is' niet tegenstrijdig is.

14

 

Zoals Mozes de slang in de wildernis heeft opgeheven, zo staat de Mensenzoon op het punt te worden opgeheven.

15

 

Dus iedereen die in hem gelooft zal niet vergaan maar zal eeuwig leven hebben. worden vernietigd

16

 

Want God heeft de wereld zo liefgehad dat hij zijn eniggeboren Zoon zou geven, zodat wie ook in hem zou geloven niet zou vergaan maar eeuwig leven zou hebben.

17

 

God heeft zijn zoon niet naar de wereld gestuurd om de wereld te veroordelen maar om door zichzelf leven aan de wereld te geven.

18

 

Hij die in hem gelooft, zal niet geoordeeld worden. Hij die niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God.

19

 

Dit is nu [de basis van] het oordeel want het licht is in de wereld gekomen, maar men heeft de duisternis meer lief dan het licht want hun werken zijn slecht.

20

 

Want iedereen die lage dingen doet, haat het licht en komt niet tot het licht want zijn daden zullen verborgen zijn.

21

 

Maar wie doet wat waar is komt tot het licht zodat bekend zou worden dat zijn werken in God zijn gedaan."

22

 

Na deze dingen kwamen Jezus en zijn leerlingen naar het gebied van Judea waar hij met hen zou verblijven en dopen.

23

 

Ook Johannes doopte nu; in Enon dat vlak bij Salim is want er was daar voldoende water en men kwam en werd daar gedoopt,

24

 

want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25

 

En er was een vraag gerezen aan van de leerlingen van Johannes van een zekere Judeeër over de reiniging. Aramees (Tadkiyta) ceremoniele reiniging doelend op de doop.

26

 

En zij kwamen naar Johannes en zeiden hem: "Meester, hij die met u was bij de oversteekplaats van de Jordaan, over wie u getuigde, zie, hij doopt ook en velen komen naar hem!" doelend op Bethanië.

27

 

Johannes antwoordde en zei hun: "Men kan niet uit zijn eigen wil iets ontvangen behalve [als] het hem gegeven wordt uit de Hemel.

28

 

U was mijn getuige dat ik zei dat niet ik de Gezalfde ben maar een boodschapper die vóór hem is.

29

 

Hij die de bruid heeft is de bruidegom maar de vriend van de bruidegom is degene die [stil]staat en naar hem luistert en [met] veel vreugde zich verheugt om de stem van de bruidegom. Daarom is mijn vreugde volmaakt!

30

 

Hij zal moeten toenemen en ik moet afnemen.

31

 

Want hij die van boven is gekomen, is groter dan allen. Hij die van de aarde is, is van de aarde en spreekt aardse dingen. Hij die uit de hemel is gekomen, is groter dan allen. Letterlijk: spreekt van de aarde. Letterlijk: boven, op

32

 

En van wat hij heeft gezien en gehoord getuigt hij, maar niemand aanvaardt zijn getuigenis.

33

 

Wie zijn getuigenis heeft aanvaard, weet zich verzekerd dat God loyaal is. Aramees: Verzegeld (KHT,aM ). Zie Mattheus 27:66ook impress Aramees: SHaRiYRaA

34

 

Want wie ook door God is uitgezonden, spreekt de woorden van God, want God geeft de adem niet in kleine beetjes. letterlijk 'met mate'.

35

 

De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in zijn hand gegeven.

36

 

Wie in de Zoon gelooft heeft eeuwig leven en wie die de Zoon niet gehoorzaamt, zal het leven niet zien, maar de woede van God zal tegen hem opstaan."

Hoofdstuk 4

1

 

Nu wist Jezus dat de Farizeeën hadden gehoord dat hij veel leerlingen maakte en meer doopte dan Johannes. Volgens Griekse HSS ‘Heer (Kurios)’

2

 

Terwijl niet hij, Jezus, doopte maar vooral zijn leerlingen.

3

 

En hij verliet Juda en deed Galilea weer aan. Aramees (OeAT,aA) betrekking op een zeer kort bezoek.

4

 

Maar hij moest door Samaria trekken.

5

 

En hij kwam bij een stad van Samaria die Sichar werd genoemd. Langs een veld dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven.

6

 

Daar was ook een waterbron [van] Jakob. En Jezus was vermoeid van de reis en hij ging zitten op de bron en het was het zesde uur.

7

 

En een vrouw uit Samaria kwam om water te putten en Jezus zei tot haar: "Geef water te drinken."

8

 

Want zijn leerlingen waren de stad binnengegaan om voedsel voor zichzelf te kopen.

9

 

Deze Samaritaanse vrouw zei hem: "Hoe kan het zijn dat u, een jood bent en u mij iets te drinken vraagt want ik ben een Samaritaanse vrouw en de joden onderhouden geen sociale contacten met de Samaritanen.

10

 

Jezus antwoordde en zei haar: "Als u eens de gave van God had gekend en wie degene is die tot u zegt: Geef me te drinken zou u hebben hem gevraagd en hij zou u levend water gegeven hebben."

11

 

Deze vrouw zei tot hem: "Mijn Heer, u hebt geen emmer en de put is diep, waar zijn uw levende wateren?

12

 

Waarom bent u groter dan onze vader Jakob die ons deze bron gaf, en die uit haar dronk, en zijn zonen en zijn schapen [ook]?"

13

 

Jezus antwoordde en zei haar: "Allen die drinken van deze wateren zullen weer dorst krijgen,