|
Hoofdstuk 1 |
|
1 |
|
Het boek van de
afkomst van Jezus de Gezalfde, zoon van David, zoon van Abraham. |
|
2 |
|
Abraham verwekte Isaäk,
Isaäk verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers. |
|
3 |
|
Juda verwekte Perez en van
Zerah door Tamar. Perez verwekte van Hezron, Hezron verwekte van Ram. |
|
4 |
|
Ram verwekte Amminadab,
Amminadab, verwekte Nahson, Nahson verwekte Salmon. |
|
5 |
|
Salmon verwekte Boaz via
Rachab, Boaz verwekte Obed via Ruth, Obed verwekte Jesse. |
|
6 |
|
Jesse verwekte David, de
koning. David verwekte Salomo via de vrouw van Uriah. |
|
7 |
|
Salomo verwekte Rehobeam,
Rehobeam verwekte Abija, Abija verwekte Asa. |
|
8 |
|
Asa verwekte Josafat,
Josafat verwekte Joram, Joram verwekte Uzzia, |
|
9 |
|
Uzzia verwekte Jotham,
Jotham verwekte Achaz, Achaz verwekte Hizkia. |
|
10 |
|
Hizkia verwekte Manasse,
Manasse verwekte Amon, Amon verwekte Josia. |
|
11 |
|
Josia verwekte Jechonja en
zijn broers ten tijde van de ballingschap in Babylon. |
|
12 |
|
Na de ballingschap in
Babylon verwekte Jechonja Sealthiël, Sealthiël verwekte Zerubbabel. |
|
13 |
|
Zerubbabel verwekte Abiud,
Abiud verwekte Eljakim, Eljakim verwekte Azor. |
|
14 |
|
Azor verwekte Zadok, Zadok
verwekte Achim, Achim verwekte Eliud. |
|
15 |
|
Eliud verwekte Eleazar,
Eleazar verwekte Matthan, Matthan verwekte Jakob. |
|
16 |
|
Jakob verwekte Jozef, de
vader van Maria, uit wie Jezus werd geboren, de Gezalfde genoemd. |
|
17 |
|
Alle generaties van Abraham
tot David waren veertien generaties, en van David tot de Babylonische
ballingschap veertien generaties, en van de Babylonische ballingschap tot de
Gezalfde veertien generaties. |
|
18 |
|
De geboorte van Gezalfde
Jezus als volgt; terwijl zijn moeder, Maria, was uitgehuwelijkt aan Jozef
bleek zij zwanger door heilige adem nog voordat zij samenwoonden. |
|
19 |
|
Omdat haar
man Jozef rechtvaardig was en haar niet wilde ten toonstellen, dacht hij
haar toch in het geheim te laten gaan. |
|
20 |
|
En terwijl hij deze dingen
overdacht verscheen hem dan de
boodschapper van Jah in een droom en zei: "Jozef, zoon van David, wees
niet bang Maria tot vrouw te nemen, want wat in haar is verwekt, is door
heilige adem. |
|
21 |
|
Zij zal geboorte geven aan
een zoon en je zult hem Jezus noemen, want hij zal zijn volk van hun zonden
bevrijden." |
|
22 |
|
Dit alles gebeurde zodat
werd vervuld wat
Jah gezegd had door zijn profeet die zei: |
|
23 |
|
"Zie! De
maagd zal zwanger worden en geboorte geven aan een zoon, en zij zullen
hem Immanuël noemen, wat is vertaald van: 'met ons is onze God'." |
|
24 |
|
Toen Jozef wakker werd uit
zijn slaap, deed hij zoals hem was uitgelegd door de boodschapper van Jah en
hij nam haar bij zich [thuis]. |
|
25 |
|
En hij had geen gemeenschap
met haar totdat ze geboorte gaf aan een zoon, en hij noemde hem Jezus. |
|
Hoofdstuk 2 |
|
1 |
|
Nadat Jezus was geboren in
Bethlehem van Judea in de dagen van Herodes de koning, daar kwamen
astrologen uit het oosten naar Jeruzalem, |
|
2 |
|
en zeiden: "Waar is hij, die
de koning van de joden is, geboren? Want we zagen zijn ster in het oosten en
zijn gekomen om hem te eren." |
|
3 |
|
Toen koning Herodes dit
hoorde, raakte hij en heel Jeruzalem met hem in beroering. |
|
4 |
|
Daarop vergaderde hij alle
overpriesters, Schriftgeleerden van het volk en ging hen vragen waar de
Gezalfde geboren zou worden. |
|
5 |
|
Zij antwoordden hem: "Te
Bethlehem in Judea; want zo is geschreven door de profeet: |
|
6 |
|
'En jij
Bethlehem van Efrata, zult niet de minste onder de duizenden van Judea
zijn, want uit jou zal ik voortkomen degene die de regeerder onder mijn volk
Israël zal zijn.'" |
|
7 |
|
Toen riep Herodus in het
geheim de astrologen bijeen en leerde van hen de periode dat de ster aan hen
verscheen, |
|
8 |
|
en zond hen naar Bethlehem
en zij hun: "Ga en informeer u zeer nauwkeurig over de jongen. En wanneer
jullie hem hebben gevonden, kom en informeer mij zodat ook ik hem kan gaan
huldigen." |
|
9 |
|
Toen zij de koning hadden
aangehoord, vertrokken ze en zie! De ster die ze in het oosten hadden gezien,
ging hen voor tot zij kwam en stilstond boven de plaats waar het kind was. |
|
10 |
|
Dat zij de ster hadden
gezien, maakte hen meer dan gewoon blij. |
|
11 |
|
Zodra ze het huis
binnengingen, zagen ze het kind met Maria, de moeder, en knielden en eerden
het. Zij openden ook hun schatten en schonken hem cadeaus, goud, mirre en
wierrook. |
|
12 |
|
Terwijl zij diep sliepen,
zie! Een boodschapper verscheen hun en zei: "Pas [ervoor] op om terug te
gaan naar Jeruzalem, naar Herodus!" Dus gingen zij weg en keerden terug naar
hun eigen land via een andere weg.* |
|
13 |
|
Toen ze waren vertrokken,
zie! De boodschapper van
Jah verscheen in een droom aan Jozef en zei: "Sta op, neem het kind en
zijn moeder en vlucht naar Egypte, en blijf daar totdat ik weer met u spreek
want Herodes staat klaar het kind te zoeken om hem te doden." |
|
14 |
|
Zo stond hij in de nacht op
nam het kind en zijn moeder en trok zich terug naar Egypte, |
|
15 |
|
en hij bleef daar tot de
dood van Herodes, zodat vervuld zou worden wat Jah gesproken had door de
profeet die zei:
"Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen." |
|
16 |
|
Toen Herodes begreep dat hij
door de astrologen voor de gek werd gehouden, werd hij zeer kwaad, gaf bevel
en doodde alle zonen in Bethlehem en haar omgeving, van twee jaar en minder,
zoals hij had gehoord volgens de tijdsperiode van de astrologen. |
|
17 |
|
Toen werd vervuld zoals was
gesproken door de profeet de profeet Jeremia die zei: |
|
18 |
|
"Geluid werd gehoord in Rama,
huilen en hevig rouwen,
Rachel die om haar kinderen rouwt,
Zij wenste niet te worden vertroost,
want zij waren er niet." |
|
19 |
|
Nadat Herodes stierf,
verscheen de boodschapper van Jah in een droom aan Jozef in Egypte, |
|
20 |
|
en zei: "Sta op, neem het
kind, en zijn moeder en ga op weg naar het land Israël, want degenen die
naar het leven van het kind stonden zijn dood." |
|
21 |
|
Dus stond hij op en nam het
kind en zijn moeder en ging het land van Israël binnen. |
|
22 |
|
Maar toen hij hoorde dat
Archelaüs regeerde in Judea in plaats van zijn vader Herodes, werd hij bang
om te gaan. Nadat hem een goddelijke waarschuwing was gegeven trok hij zich
terug naar de gebieden rond Galilea. |
|
23 |
|
Toen hij daar kwam, vestigde
hij zich in een stad genaamd Nazareth, zodat vervuld zou worden wat werd
gesproken door de profeten: "Hij zal een
Nazarener genoemd worden." |
|
Hoofdstuk 3 |
|
1 |
|
In die dagen kwam Johannes
de doper en hij zou prediken in de wildernis van Judea. |
|
2 |
|
Hij zei: "Toon
berouw
in uw levens want het koningschap van de hemel
zal worden aangekondigd" |
|
3 |
|
Dit is gesproken door Jesaja,
de profeet die zei:
"De stem van een roepende in de wildernis,
bereid de weg van Jah,
en maak zijn pad recht!" |
|
4 |
|
Deze Johannes had kleding
van kamelenhaar en een leren riem om zijn middel, en zijn voedsel [bestond
uit] sprinkhanen en wilde honing. |
|
5 |
|
Daarop kwamen heel Judea en
heel het gebied rond de Jordaan naar hem toe, |
|
6 |
|
en werden er door hem
gedoopt in de Jordaanrivier terwijl zij hem openlijk hun zonden bekenden. |
|
7 |
|
Maar dat trok de aandacht
van de Farizeeën en
Sadduceeën die kwamen kijken naar de doop. Johannes zei hun: "Addernesten!
Wie zal jullie helpen te vluchten van het nabije oordeel? |
|
8 |
|
Breng daarom vruchten voort,
die bij berouw passen, |
|
9 |
|
en beeldt u niet in te
zeggen: 'Wij hebben Abraham tot vader', ik zeg u dat God
zonen voor Abraham uit deze stenen kan voortbrengen! |
|
10 |
|
Zie, de bijl is aan wortel
van alle bomen geplaatst; elke boom die geen goede vruchten voortbrengt, zal
omgehakt en in het vuur geworpen worden. |
|
11 |
|
Ik doop u wel in water om [uw]
berouw, maar van degene die na mij komt, sterker dan ik, ben ik ongeschikt
zijn sandalen
af te nemen. Hij zal u
dopen met het vuur van heilige adem. |
|
12 |
|
Zijn wanschop is in zijn
hand, en hij zal de dorsvloer grondig reinigen en hij zal het graan bundelen
in de graanschuur, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur." |
|
13 |
|
Toen ging Jezus van Galilea
naar de Jordaan, naar Johannes om gedoopt te worden, |
|
14 |
|
maar Johannes belette het
hem en zei: "Ik moet door u gedoopt worden maar u komt tot mij?" |
|
15 |
|
Jezus antwoordde en zei hem:
"Laat het zo zijn, want het is juist alles wat rechtvaardig is uit te voeren."
Toen stond hij hem toe. |
|
16 |
|
Nadat Jezus gedoopt was,
kwam Jezus onmiddellijk uit het water en de hemel werd voor hem geopend en [hij]
zag de adem van God als een duif op hem neerdalen |
|
17 |
|
En zie! En een stem uit de
hemel die zei: "Dit
is mijn geliefde zoon, in wie ik welbehagen heb." |
|
Hoofdstuk 4 |
|
1 |
|
Toen werd Jezus door de
heilige adem naar de wildernis geleid, om getest te worden door de Lasteraar. |
|
2 |
|
En hij vastte veertig dagen
en veertig nachten waarna hij honger kreeg. |
|
3 |
|
Toen kwam de Tester bij hem
en zei: "Als u een zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten
worden." |
|
4 |
|
Maar hij antwoordde en zei:
"Er staat geschreven:
'Niet van brood alleen zal de mensenzoon leven, maar van elke uitspraak
die voorkomt uit de mond van Jah.'" |
|
5 |
|
Toen nam de Lasteraar hem
mee naar de
heilige stad en plaatste hem op de kantelen van de tempel, |
|
6 |
|
en hij zei hem: "Als u een
zoon van God bent, werpt u dan naar beneden, want er staat geschreven:
'Zijn boodschappers draagt hij op betreffende u; zij zullen u op hun
handen dragen zodat uw
voeten geen steen stoten.'"
|
|
7 |
|
Jezus zei hem: "Nogmaals, er
staat geschreven:
'Beproef Jah, uw God, niet.'" |
|
8 |
|
Weer nam de Lasteraar hem
mee, naar een zeer hoge berg en toonde hem alle wereldkoninkrijken en hun
glorie |
|
9 |
|
en zei hem: "Dit alles zal
ik u geven zodra u neervalt en mij aanbidt." |
|
10 |
|
Toen zei Jezus hem: "Verdwijn
Tegenstander! want er staat geschreven:
'Jah, uw God zult u aanbidden, en hem alleen zult u dienen.'" |
|
11 |
|
Daarop verliet de Lasteraar
hem en zie! boodschappers naderden en gingen hem bedienen. |
|
12 |
|
Toen
Jezus hoorde dat Johannes was gearresteerd vertrok hij naar Galilea. |
|
13 |
|
Nadat hij Nazareth verliet,
verbleef hij in Kapernaüm aan de kust, grenzend aan Zebulon en Naftali, |
|
14 |
|
zodat vervuld zou worden wat
gesproken was door de profeet Jesaja die zei: |
|
15 |
|
"Land van Zebulon en land
van Naftali, zeeweg, aan de overkant van de Jordaan, werelds Galilea, |
|
16 |
|
de mensen die in de
duisternis zaten hebben een groot licht gezien en zij die wonen in het land
en de schaduw van dood; een licht is aan hen verschenen." |
|
17 |
|
Vanaf toen, begon Jezus te
prediken en te zeggen: "Heb berouw, want het hemelkoningschap
wordt aangeboden." |
|
18 |
|
Terwijl Jezus langs de Zee
van Galilea wandelde, zag hij twee broers, Simon die Cefas werd genoemd en
Andreas zijn broer, vissersnetten in de zee werpen want zij waren vissers. |
|
19 |
|
En hij zei hun: "Volg mij en
ik zal jullie vissers van mensen maken." |
|
20 |
|
En onmiddellijk verlieten
zij hun netten en zij volgden hem. |
|
21 |
|
En van daar verdergegaan zag
hij twee andere broers, Petrus [zoon] van Zebedeüs en Johannes zijn broer in
de boot met Zebedeüs, hun vader, hun netten herstellen en hij riep hen. |
|
22 |
|
Onmiddellijk verlieten zij
de boot en hun vader, zij volgden hem. |
|
23 |
|
En Jezus ging door heel
Galilea en in hun vergaderingen onderwijzen en het goede nieuws prediken,
elke ziekte en elke kwaal genezen onder de mensen. |
|
24 |
|
En zijn faam werd gehoord
door
alle mensen. Al wie ernstig ziek met verschillende ziekten waren kwamen
bij hem; zij die werden gekweld met pijn, bezetenheid,
epilepsie en verlamming. En hij genas hen. |
|
25 |
|
En vele menigten, uit
Galilea, Decapolis, Jeruzalem en Judea en de overzijde van de Jordaan,
volgden hem. |
|
Hoofdstuk 5 |
|
1 |
|
Toen [hij] de menigten zag,
ging hij de berg op en nadat hij ging zitten kwamen zijn leerlingen naar hem
toe. |
|
2 |
|
En hij opende zijn mond en
begon hen te onderwijzen en zei: |
|
3 |
|
"Gezegend
de spiritueel armen,
want van hen is het hemelkoningschap. |
|
4 |
|
Gezegend de
treurenden,
want zij zullen vertroost worden. |
|
5 |
|
Gezegend de zachtmoedigen,
want zij zullen de aarde beërven. |
|
6 |
|
Gezegend wie hongeren en
dorsten naar rechtvaardigheid,
want zij zullen gevoed worden. |
|
7 |
|
Gezegend de
weldoeners,
want hun zal welgedaan worden. |
|
8 |
|
Gezegend de zuiveren van
hart,
want zij zullen God zien. |
|
9 |
|
Gezegend de vredestichters,
want zij zullen zonen van God worden genoemd. |
|
10 |
|
Gezegend wie vervolgd zijn
om rechtvaardigheid,
want van hen is het hemelkoningschap. |
|
11 |
|
Gezegend ben je wanneer men
je lastert, je vervolgt en liegend allerlei onrecht toeschrijft om mijn naam. |
|
12 |
|
Veel geluk en juich! Want je
beloning is groot in de hemel; want zo vervolgden zij de profeten vóór jou. |
|
13 |
|
Jullie zijn het aardse zout;
mocht het zout bederven, hoe zal het weer zout worden? In niets is het nog
smakelijk en men zal het hebben gestrooid [op paden] en laten
bewandelen door mensen. |
|
14 |
|
Jullie zijn het aardse licht.
Een stad gelegen aan de top van een berg kan niet verborgen worden. |
|
15 |
|
Ook ontsteekt men geen lamp
en plaatst haar onder een
mand maar op een standaard zodat het allen in het huis verlicht. |
|
16 |
|
Schijn je licht dus
tegenover mensen, want mochten zij je goede werken opmerken dan zouden zij
je Vader groots maken, die in de hemel is. |
|
17 |
|
Denk niet dat ik ben gekomen
om de Thora of de Profeten af te schaffen; niet om af te schaffen maar om [haar]
te vervullen ben ik gekomen. |
|
18 |
|
Amen, want ik zeg je dat
hemel en aarde eerder zouden voorbijgaan; nee, niet één letter of één
leesteken van de Thora zou voorbijgaan voordat [zij werkelijk] geheel zou
worden
uitgerold. |
|
19 |
|
Wie ooit één van de kleinste
voorschriften zou schenden en anderen daarna mocht onderwijzen, zal de
minste worden genoemd in het hemelkoninkrijk, maar wie ze zou onderhouden én
onderwijzen zal de grootste worden genoemd in het hemelkoninkrijk. |
|
20 |
|
Ik zeg daarom, zou je
rechtvaardigheid nooit overvloediger zijn dan dat van de Schriftgeleerden en
de Farizeeën, nee, dan zul je niet het hemelkoninkrijk binnengaan. |
|
21 |
|
Je hebt gehoord dat tot de
ouden werd gezegd: 'U zult niet moorden', maar wie toch zou moorden,
in aanmerking komt voor de rechtbank. |
|
22 |
|
Maar ik zeg je dat wie ook,
zonder reden boosheid oproept bij zijn broeder, in aanmerking komt voor
oordeel. Maar wie tegen zijn broeder zegt: 'ik
spuug op je!', wordt veroordeeld door de vergadering, maar wie 'dwaas'
mocht zeggen [zelf] in aanmerking komt voor de vurige vuilnisbelt. |
|
23 |
|
Mocht je nu je offer naar
het altaar brengen en je daar herinneren dat je broeder iets tegen je heeft, |
|
24 |
|
laat het offer daar bij het
altaar, ga terug, en sluit eerst vrede met je broeder, kom terug en breng
dan je offer. |
|
25 |
|
Tref snel een schikking met
je tegenpartij zolang je op weg bent met hem. Anders zou de tegenpartij de
zaak overgeven aan de rechter, en de rechter [laat het over] aan een
politieagent, die je vastzet. |
|
26 |
|
Amen, zeg ik je, nee, je
komt niet vrij totdat je de laatste
cent hebt gecompenseerd. |
|
27 |
|
Je hebt gehoord dat werd
gezegd dat je
geen overspel moet plegen. |
|
28 |
|
Maar ik zeg je dat al wie
verlangend naar een vrouw kijkt, al overspel met haar in zijn hart heeft
gepleegd. |
|
29 |
|
Als je rechteroog je doet
struikelen, ruk het uit en gooi het weg want het is beter één van je
ledematen te vernietigen dan dat je hele lichaam op de vurige vuilnisbelt
wordt geworpen. |
|
30 |
|
En als je rechterhand je
doet struikelen, hak het af en werp het weg want het is beter één van je
ledematen te vernietigen dan dat je hele lichaam op de vurige vuilnisbelt
wordt geworpen. |
|
31 |
|
Er werd gezegd dat
wie zijn vrouw wegdoet, haar een scheidingscertificaat geeft. |
|
32 |
|
Maar ik zeg je dat al wie
zich van zijn vrouw laat scheiden zonder dat er sprake is van overspel, haar
overlaat aan overspel, en [dat] wie een [zo] gescheiden vrouw mocht trouwen
overspel pleegt. |
|
33 |
|
Ook heb je gehoord tot de
ouden werd gezegd: 'Lieg
niet in uw eed, maar vervul uw eed voor Jah.' |
|
34 |
|
Maar ik zeg je dat je niet
moet zeggen: 'Ik zweer bij de hemel' want [dat] is de troon van God, |
|
35 |
|
niet bij de aarde, want [dat]
is zijn voetbank, en ook niet bij Jeruzalem, want [dat] is de stad van de
grote Koning. |
|
36 |
|
Zweer ook niet bij je hoofd,
want je kunt niet één haar wit of zwart te maken. |
|
37 |
|
Laat je ja-woord 'ja' zijn,
en je nee-woord, 'nee'. Wat daar ook bij komt, is uit de goddeloze. |
|
38 |
|
Je hebt gehoord dat werd
gezegd: 'Oog
voor oog, en tand voor tand.' |
|
39 |
|
Maar ik zeg je dat je
onrecht niet tegenstaat maar wie je op de rechterwang slaat, keer je ook
de andere toe. |
|
40 |
|
En wie je wil dagvaarden en
beslagleggen op je onderkleed, laat die dan ook je mantel hebben. |
|
41 |
|
Vereist iemand van je één
mijl te gaan? Ga er dan twee met hem. |
|
42 |
|
Geef wat iemand je vraagt en
weiger niet als iemand van je wil
lenen. |
|
43 |
|
Je hebt gehoord dat werd
gezegd: 'Heb
uw naaste lief, en
haat uw vijand.' |
|
44 |
|
Maar ik zeg je: heb je
vijanden lief, zegen wie jou vervloeken,
doe het aangename voor wie jou haten en bid voor wie jou overweldigt en
vervolgt, |
|
45 |
|
zodat je een zoon mag zijn
van je Vader, die in de hemel is, degene die de zon laat opkomen voor
slechten en goeden en regens zendt over de rechtvaardigen en
onrechtvaardigen. |
|
46 |
|
Want zou je liefhebben wie
jou liefheeft, wat voor beloning heb je dan? Doen niet zelfs de
belastinginners zo? |
|
47 |
|
En als je alleen je broeders
vrede groet, wat doe je dan meer? Doen niet zelfs de
heidenen zo? |
|
48 |
|
Je moet daarom volmaakt zijn
zoals je hemelse Vader volmaakt is. |
|
Hoofdstuk 6 |
|
1 |
|
Doe
weldaad in stilte zodat je dat niet doet voor mensen, om door hen gezien
te worden, wants anders heb je geen beloning bij je Vader, die in de hemel
is. |
|
2 |
|
Wanneer je een weldaad
verricht, trompet dat dan niet voor je uit, zoals de hypocrieten doen op de
vergaderingen en de straten, zodat ze door mensen groots worden gemaakt.
Amen, zeg ik je. Zij hebben hun beloning al. |
|
3 |
|
Maar laat, wanneer je
weldaad verricht, de linker[hand] niet weten wat de rechter[hand] doet, |
|
4 |
|
zodat je weldaad in
discretie mag zijn, en je Vader, die het discrete waarneemt, je compenseert. |
|
5 |
|
En wanneer je bidt, wees
niet als de hypocrieten, want zij staan graag te bidden op de vergaderingen
en op de hoeken van de
marktplaatsen, om te worden gezien door mensen. Amen, zeg ik je. Zij
hebben hun beloning helemaal. |
|
6 |
|
Maar wanneer je zou bidden,
ga je
privé-kamer in, en na het sluiten van de deur bid je tot je Vader die in
het discrete is, en je Vader die het discrete waarneemt, zal je compenseren. |
|
7 |
|
Wees tijdens het bidden niet
als babbelaars zoals de
heidenen, want zij hopen dat zij door veel woorden gehoord zullen worden. |
|
8 |
|
Imiteer hen daarom niet want
je Vader weet wat je nodig hebt [al] vóór je hem vraagt. |
|
9 |
|
Bid daarom zo:
Onze hemelse Vader,
heilig is uw naam. |
|
10 |
|
uw troon zal komen,
uw wil geschiedt,
als in de hemel,
zo ook op aarde, |
|
11 |
|
geef ons het brood,
t'is heden onze nood, |
|
12 |
|
en vergeef ons onze fouten,
na wij wie die aan ons door anderen vergeven, |
|
13 |
|
verlaat ons niet
onder verleiding,
van de kwade geef ons bevrijding,
want van u is het koninkrijk,
en de macht,
en de glorie,
voor altijd en eeuwig, amen.
|
|
14 |
|
Want zou je de misstappen
van anderen vergeven dan zal je hemelse Vader ook die van jou vergeven. |
|
15 |
|
Zou je anderen niet vergeven,
dan zal je Vader jouw misstappen ook niet vergeven. |
|
16 |
|
Mocht je vasten, wees niet
zoals de hypocrieten die een ernstig gezicht zetten, want zij veranderen hun
uiterlijk zodat anderen opvalt dat ze vasten. Amen, zeg ik je. Zij hebben
hun beloning al. |
|
17 |
|
Dus, zalf je hoofd met olie
en was je gezicht wanneer je vast, |
|
18 |
|
zodat niet gezien zou worden
door mensen dat je vast maar door je Vader die in het discrete is. Dan zal
je vader die het discrete waarneemt, je compenseren. |
|
19 |
|
Stapel geen schatten op
aarde, waar mot en roest verteert, en
dieven inbreken en stelen, |
|
20 |
|
maar stapel je schatten in
de hemel, waar zowel mot als roest ze niet verteren en waar dieven niet
inbreken en stelen, |
|
21 |
|
want waar je schat is, daar
zal ook je hart zijn. |
|
22 |
|
De lamp van het lichaam is
het oog. Als je oog dan zuiver is, dan zal je hele lichaam verlicht zijn, |
|
23 |
|
maar mocht je oog onzuiver
zijn, dan is je hele lichaam donker. Als het licht echter in jezelf, duister
blijkt, hoe groot dan de duisternis! |
|
24 |
|
Niemand kan twee meesters
dienen. Óf men zal de een haten, en de ander liefhebben, óf de een
vasthouden en op de ander neerzien. Je kunt niet God én
rijkdom dienen. |
|
25 |
|
Daarom zeg ik je: Wees niet
bezorgd over je leven; wat je zou eten of wat je zou drinken, of waarmee je
je lichaam zou kleden. Is het leven niet meer dan voedsel en het lichaam
meer dan kleding? |
|
26 |
|
Kijk hoe de vogels in de
lucht niet zaaien, oogsten, of verzamelen in schuren, en toch voedt je
hemelse Vader ze. Ben je niet meer waard dan zij? |
|
27 |
|
Wie van jullie kan door
bezorgd te zijn één
el aan de levensduur toevoegen? |
|
28 |
|
En wat kleding betreft,
waarom ben je bezorgd? Bestudeer hoe de lelies van het veld opgroeien. Ze
zwoegen niet en spinnen niet. |
|
29 |
|
Ik zeg je dat
zelfs Salomo in al zijn glorie niet als één van deze [lelies] was
gekleed. |
|
30 |
|
Zou God jou niet eerder
kleden dan het groen van het land dat er vandaag is en morgen in de oven
wordt geworpen, wantrouwer? |
|
31 |
|
Wees dus niet bezorgd door
te zeggen: 'Wat zullen we eten?' of: 'Wat zullen we drinken?' of: 'Wat
zullen we aandoen?' |
|
32 |
|
Al deze dingen zoeken de
mensen van deze wereld, en je Vader in de hemel weet ook dat je al deze [dingen]
nodig hebt. |
|
33 |
|
Zoek dus eerst het
koningschap van God en zijn rechtvaardigheid, en al deze [dingen] worden je
toegevoegd. |
|
34 |
|
Wees daarom nooit bezorgd
over morgen, want morgen zal zijn eigen zorgen hebben. Het kwaad van de dag
is voldoende. |
|
Hoofdstuk 7 |
|
1 |
|
Oordeel niet, zodat je zelf
niet wordt geoordeeld. |
|
2 |
|
Met het oordeel dat jij
oordeelt, zul je geoordeeld worden, en met de maat waarmee jij meet, zul je
gemeten worden. |
|
3 |
|
Waarom kijk je naar het
strootje in het oog van je broeder, maar negeer je de balk in je eigen oog? |
|
4 |
|
Of zeg je tegen je broeder:
'Laat me het strootje uit uw oog verwijderen' en zie die balk in je eigen
oog eens! |
|
5 |
|
Hypocriet! Verwijder eerst
de balk uit je eigen oog, dan zul je helder zien om het strootje uit het oog
van je broeder verwijderen. |
|
6 |
|
Hang geen oorbellen aan
honden en plaats je parels niet voor de zwijnen zodat ze zich niet omdraaien,
ze vertrappen met hun poten, zich omkeren en zich tegen jou keren. |
|
7 |
|
Vraag en het zal je gegeven
worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal je opgedaan worden. |
|
8 |
|
Ieder die vraagt, ontvangt,
en degene die zoekt vindt, en wie klopt zal worden opengedaan. |
|
9 |
|
Of is er iemand onder jullie
van wie zijn kind brood vraagt het dan een steen geeft? |
|
10 |
|
Of als een vis wordt
gevraagd, zou hij het een slang geven? |
|
11 |
|
Als je dan
slecht bent, [toch] goede gaven weet te geven aan je nakomelingen,
hoeveel eerder zal je hemelse Vader goede gaven schenken aan wie hem vragen? |
|
12 |
|
Alles wat je graag wilt dat
men voor jou doet, doe dat dan ook voor anderen want dat is [volgens] de
Thora en de Profeten. |
|
13 |
|
Ga door de vernauwde deur,
want wijd [is] de deur en breed [is] de weg die naar vernietiging leidt, en
velen gaan daardoor. |
|
14 |
|
Want
vernauwd is de deur en
smal is de weg die tot leven leidt, en weinigen vinden haar. |
|
15 |
|
Pas op voor de valse
profeten, die tot je komen in schaapskleding, maar van binnen roofzuchtig
zijn als een wolf. |
|
16 |
|
Aan hun vruchten zul je hen
herkennen. Niemand plukt druiven van doorns, of vijgen van distels. |
|
17 |
|
Dus elke goede boom levert
goede vrucht, maar een verrotte boom levert waardeloze vrucht. |
|
18 |
|
Een goede boom kan geen
verdorven vrucht leveren, ook kan een waardeloze boom geen goede vrucht
leveren. |
|
19 |
|
Elke boom zonder goede
vrucht, wordt omgehakt en in vuur geworpen. |
|
20 |
|
Aan hun vrucht zul je hen
dus kennen. |
|
21 |
|
Niet iedereen die me zegt: 'Heer,
heer!' zal het hemelkoningschap binnengaan, maar diegene die de wil van mijn
hemelse Vader doet. |
|
22 |
|
Velen zullen me zeggen op
die dag: 'Heer, heer!' voorzeiden we niet in uw naam, en wierpen we niet in
uw naam demonen uit en deden we niet in uw naam vele krachtige werken? |
|
23 |
|
En ik zal hun ronduit zeggen:
'Ik heb u nooit gekend, verwijder u van mij, wetteloze werkers!' |
|
24 |
|
Daarom zal iedereen die mijn
woorden hoort en ze doet worden vergeleken met een wijs man die zijn huis
bouwde op een rots. |
|
25 |
|
En de regenbui en de
rivieren kwamen, de wind waaide en ze beukten het huis, en het viel niet,
want ze was gefundeerd op een rots. |
|
26 |
|
Maar wie mijn woorden hoort
en deze niet doet, zal worden vergeleken met een
onverschillige man, die zijn huis op zand bouwde. |
|
27 |
|
En de regenbui en de
rivieren kwamen, de wind waaide en ze beukten het huis, zodat het instortte.
Haar val was volledig." |
|
28 |
|
Toen Jezus zijn woorden
beëindigde stonden de menigten sprakeloos van zijn
onderwijs. |
|
29 |
|
Want hij onderwees hen als
iemand met autoriteit en niet zoals hun Schriftgeleerden en de Farizeeën. |
|
Hoofdstuk 8 |
|
1 |
|
Toen hij van de berg
afdaalde volgden hem vele menigten. |
|
2 |
|
En zie! Daar kwam een
melaatse die hem eerde en zei: "Heer, als u alleen maar zou willen kunt u me
rein maken!" |
|
3 |
|
Jezus strekte zijn hand uit,
raakte hem aan en zei: "Ik wil het, word rein!" en onmiddellijk werd hij
gereinigd van zijn melaatsheid. |
|
4 |
|
En Jezus zei hem: "Zie,
waarom zou je iemand spreken? Maar ga op weg, toon jezelf aan de
priester en breng de door Mozes voorgeschreven offers, hen tot getuigenis" |
|
5 |
|
Toen kwam Jezus in Kapernaüm.
Een
centurion naderde hem en smeekte hem |
|
6 |
|
en zei: "Heer!
Mijn knecht ligt verlamd thuis, en heeft hevige pijn!" |
|
7 |
|
en [Jezus] zei hem: "Ik zal
komen en hem genezen." |
|
8 |
|
De centurion antwoordde en
zei: "Heer! Ik ben onwaardig, dat u onder mijn dak zou komen, maar zegt u
een woord en mijn knecht zal genezen worden. |
|
9 |
|
Want ik ben een mens die
onder autoriteit soldaten onder zich heeft, en ik zeg tot de ene: 'ga!' en
hij gaat, en tot de andere: 'kom!', en hij komt, en tot mijn knecht: 'doe
dit!' en hij doet." |
|
10 |
|
Jezus luisterde en verbaasde
zich en zei tot wie hem volgden: "Amen, zeg u dat ik
zelfs niet in Israël zo'n sterk vertrouwen heb gevonden! |
|
11 |
|
Ik zeg u dan dat velen komen
uit het oosten en het westen en zullen aanliggen met Abraham, Isaäk en Jakob
in het hemelkoninkrijk. |
|
12 |
|
Maar de zonen van het
koninkrijk zullen worden uitgeworpen in het duistere buiten. Daar zal huilen
en tandenknarsen zijn." |
|
13 |
|
En Jezus zei tot de
centurion: "Ga! Zoals u hebt vertrouwd zal het worden!" En zijn knecht werd
genezen op dat uur. |
|
14 |
|
Toen Jezus in het huis van
Petrus was gekomen zag hij de schoonmoeder
van hem met koorts in bed liggen. |
|
15 |
|
Daarop raakte hij haar hand,
en de koorts verliet haar. Ze stond op en ging hem dienen. |
|
16 |
|
Toen het avond werd bracht
men hem vele door demonen bezetenen en met een woord wierp hij de geesten
uit, en al wie ziek waren hadden genas hij, |
|
17 |
|
zodat vervuld mocht worden
wat werd gesproken door Jesaja, de profeet die zei:
"Hij nam onze ziekten,
en droeg onze kwalen." |
|
18 |
|
Toen Jezus dan menigten
rondom zag, gaf hij opdracht om naar de overkant te varen. |
|
19 |
|
en er naderde een
Schriftgeleerde die hem zei: "Leraar, ik zal u volgen waar u dan ook heen
gaat!" |
|
20 |
|
en Jezus zei hem:
"De vossen hebben holen,
en de vogels van de hemel nestelen,
maar de Mensenzoon heeft geen,
plaats om het hoofd neer te leggen." |
|
21 |
|
Een
één van zijn leerlingen zei hem: "Heer! sta me toe eerst heen te gaan en
mijn vader te begraven, |
|
22 |
|
maar Jezus zei hem: "Kom,
volg mij en laat de doden hun doden begraven." |
|
23 |
|
Toen hij in een boot stapte,
volgden zijn leerlingen hem. |
|
24 |
|
En zie! Een sterke
golfslag kwam op zee, zodat de boot door de golven werd bedekt, maar hij
sliep. |
|
25 |
|
En zij kwam bij hem,
schudden hem wakker en zeiden: "Heer, help, we vergaan!" |
|
26 |
|
En hij zei hun: "Waarom zijn
jullie bang,
wantrouwenden?" Hij stond op en bestrafte de wind en de zee en het werd
volledig stil. |
|
27 |
|
En de mensen verbaasden zich,
en zeiden: "Wat voor iemand is hij dat ook de wind en de zee hem gehoorzamen?" |
|
28 |
|
Toen Jezus aan de andere
kant
kwam bij de plaats van de Gadarenen onmoetten hem twee bezetenen die uit
de herinneringsgraven kwamen. [Zij waren] zo woest dat niemand langs die weg
kon gaan. |
|
29 |
|
Zij schreeuwden en zeiden: "Hebben
wij wat van u Jezus, zoon van God? U bent hier te vroeg gekomen om ons te
pijnigen!" |
|
30 |
|
Nu was daar op een afstandje
van hen vandaan, een grote kudde zwijnen die werd gehoed. |
|
31 |
|
En deze demonen bleven hem
vragen en zeiden: "Als u ons uitwerpt,
sta ons toe in de kudde zwijnen te gaan!" |
|
32 |
|
Toen zei Jezus hun: "Ga!" En
onmiddellijk gingen zij uit en gingen in de zwijnen, en die hele kudde ging
recht op een overhangende rots af en viel in zee, en zij stierven in de zee. |
|
33 |
|
Maar de hoeders vluchtten
naar de stad en openbaarden alles over die bezetenen. |
|
34 |
|
Dus kwam de hele stad uit om
Jezus te ontmoeten. Toen zij hem zagen vroegen zij hem om uit hun gebied te
vertrekken. |
|
Hoofdstuk 9 |
|
1 |
|
En hij stapte in een boot,
stak over en kwam in zijn eigen stad. |
|
2 |
|
En men bracht hem een
verlamde die op een draagbed lag. Toen Jezus hun vertrouwen zag zei hij tot
de verlamde: "Zoon, wees gerust, je zonden zijn vergeven!" |
|
3 |
|
Maar sommige van de
Schriftgeleerden zeiden bij zichzelf: "Deze spreekt kwaad!" |
|
4 |
|
Maar Jezus kende hun
gedachten en zei hun: "Waarom bent u boos in uw hart?" |
|
5 |
|
Want wat is makkelijker te
zeggen: Uw zonden zijn vergeven, of: Sta en loop? |
|
6 |
|
Dat u mag weten dat de
Mensenzoon autoriteit heeft op de aarde zonden te vergeven." Toen zei Jezus
tot de verlamde: "Sta op! neem uw draagbed op en ga naar uw huis." |
|
7 |
|
Daarop stond hij op en ging
naar zijn huis. |
|
8 |
|
Toen de menigten dit zagen,
werden zij zeer
bevreesd en zij prezen God, die zulke macht aan de mensen geeft. |
|
9 |
|
Toen Jezus vandaar wegging,
zag hij iemand zitten in het belastingkantoor, Mattheüs genaamd. En zei hem:
"Kom, volg mij!" hij stond hij op en volgde hem. |
|
10 |
|
En het gebeurde dat Jezus
een maaltijd gebruikte in het huis. En daar kwamen vele belastinginners en
zondaars die samen aanlagen met Jezus en zijn leerlingen. |
|
11 |
|
Toen de Farizeeën dit zagen,
zeiden zij tot zijn leerlingen: "Waarom eet uw leraar met de belastinginners
en zondaars?" |
|
12 |
|
Maar hij hoorde het en zei:
"Niet de gezonden hebben een arts nodig,
maar zij die ziek zijn." |
|
13 |
|
Ga leren wat dit betekent: 'Weldaad
wil ik en geen offer,
want ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen,
maar zondaars.' |
|
14 |
|
Toen naderden hem de
leerlingen van Johannes en vroegen: "Waarom vasten wij en de Farizeeën, maar
vasten veel van uw leerlingen niet?" |
|
15 |
|
Daarop zei Jezus hun: "Hoe
kunnen de zonen van de bruiloft vasten zolang de bruidegom met hen is? Maar
de dagen komen dat bruidegom van hen weggenomen zal worden, dan zullen zij
vasten. |
|
16 |
|
Niemand nu zet een nieuw
lapje op een afgedragen kledingstuk, want het en trekt aan de naad van het
kledingstuk en de scheur wordt groter. |
|
17 |
|
Ook schenkt men geen jonge
wijn in oude zaken, anders barsten de zakken, de wijn loopt weg en de zakken
gaan verloren. Maar doet men jonge wijn in nieuwe zakken, dan blijven beide
behouden. |
|
18 |
|
Terwijl hij deze dingen tot
hen sprak, kwam daar een opziener, hij eerde hem en zei: "Mijn dochter is
zojuist gestorven, maar kom en leg uw hand op haar en zij zal leven." |
|
19 |
|
Jezus stond op en zijn
leerlingen gingen hem volgen. |
|
20 |
|
Zie, een vrouw die twaalf
jaar bloed vloeide naderderde hem van achteren en raakte de kwasten van zijn
kleding aan. |
|
21 |
|
want ze dacht bij zichzelf:
"Als ik alleen maar zijn kleding zou aanraken zal ik worden genezen." |
|
22 |
|
Maar Jezus draaide zich om,
zag haar en zei: "Wees gerust dochter! Je vertrouwen heeft je gered." En de
vrouw was genezen vanaf dat uur. |
|
23 |
|
Toen Jezus in het huis van
de opziener kwam, zag hij de fluitspelers en de tumult makende menigte. |
|
24 |
|
Hij zei: "Maak plaats, want
het meisje is niet gestorven maar ze slaapt!" En zij lachten hem uit. |
|
25 |
|
Toen de menigte was
weggestuurd, ging hij naar binnen, pakte haar hand vast, en het meisje stond
op. |
|
26 |
|
En de faam ging uit tot die
gehele streek. |
|
27 |
|
Toen Jezus vandaar ging,
volgden hem twee blinden, die riepen en zeiden: "Betoon ons weldaad, zoon
van David!" |
|
28 |
|
Toen hij in het huis kwam
naderden hem die blinde mannen. Jezus zei hun: "Vertrouwt u dat ik dit kan
doen?" Ze zeiden hem: "Ja Heer!" |
|
29 |
|
Daarop raakte hij hun ogen
aan en zei: "Laat het zijn zoals u hebt geloofd." |
|
30 |
|
Onmiddellijk werden hun ogen
geopend en Jezus gelastte hun en zei: "Zorg dat niemand [het] weet." |
|
31 |
|
Maar zij gingen naar buiten
en verspreidden zijn faam in heel dat gebied. |
|
32 |
|
Toen Jezus naar buiten ging
bracht men hem een een dove man die een demon had. |
|
33 |
|
Nadat de demon uitging sprak
de dove en de menigten zeiden: "Zoiets is nog nooit gezien in Israël!" |
|
34 |
|
Maar de Farizeeën zeiden: "Hij
werpt de demonen uit door het heerser van de demonen." |
|
35 |
|
En Jezus ging al de steden
en dorpen rond, terwijl hij onderwees in hun synagogen, het goede nieuws van
het koninkrijk verkondigde en elke ziekte en kwaal genas. |
|
36 |
|
Toen hij de menigten zag had
hij medelijden met hen want zij waren
vermoeid en verstrooid als schapen die geen herder hebben. |
|
37 |
|
Dan zegt hij tot zijn
leerlingen: "De oogst is werkelijk groot, maar er zijn weinig werkers. |
|
38 |
|
Smeek daarom de Heer van de
oogst dat hij werkers zou uitzenden in zijn oogst." |
|
Hoofdstuk 10 |
|
1 |
|
Hij riep dan de twaalf
leerlingen bij zich en hij gaf hun de autoriteit [over] onreine geesten om
ze uit te werpen en om iedere kwaal en gebrek te genezen. |
|
2 |
|
De namen nu van de twaalf
apostelen zijn deze: eerst Simon, ook wel Petrus, en Andreas, zijn broer en
Jakobus die van Zebedeüs, en Johannes, zijn broer, |
|
3 |
|
Filippus en Bartholomeüs;
Thomas en Mattheüs de belastinginner; Jakobus van Alfeüs, en Thaddeüs. |
|
4 |
|
Simon de Kananeeër en Judas
Iskariot, die hem ook verraden heeft. |
|
5 |
|
Jezus gaf deze twaalf
apostelen opdracht, en zei: "Ga niet op [de] weg van de natiën en ga niet de
steden van Samaritanen binnen. |
|
6 |
|
Maar ga naar de verloren
schapen van het verloren huis van Israël. |
|
7 |
|
Ga en predik en zeg dat het
hemelkoningschap
wordt aangeboden. |
|
8 |
|
Genees de zieken, wek de
doden op, reinig de melaatsen, werp demonen uit. Je hebt kosteloos ontvangen,
geef [dus] kosteloos. |
|
9 |
|
Voorzie niet in goud, zilver
of koper in je beursen, |
|
10 |
|
of proviand voor onderweg,
ondergoed, sandalen, of een staf, want de werker is zijn voedsel waard. |
|
11 |
|
In wat voor stad of dorp je
ook zou komen, onderzoek wie in haar waardig is en blijf daar tot je
vertrekt. |
|
12 |
|
Als je een huis binnengaat,
wens dat huis vrede. |
|
13 |
|
Als het huis het waard is,
zal je vrede over haar komen, maar als het onwaardig is, zal je vrede tot je
terugkeren. |
|
14 |
|
Wie je niet zou ontvangen,
of niet zou luisteren naar je woorden, verlaat het huis of die stad en schud
het stof van je voeten. |
|
15 |
|
Amen, ik zeg je dat het zal
draaglijker zijn voor het gebied van Sodom en Gomorra op de de oordeelsdag
dan voor die stad. |
|
16 |
|
Ik zend je uit als schapen
tussen wolven; word daarom voorzichtig als slangen en onschuldig als duiven. |
|
17 |
|
Pas op voor mensen, want zij
zullen je dagvaarden en je met de zweep slaan op hun vergaderingen. |
|
18 |
|
En tot bestuurders en
koningen zul je worden voorgeleid, hen en natiën tot getuigenis om mijn
naam. |
|
19 |
|
Wees niet bezorgd wanneer
men je voorleidt, hoe of wat je zult spreken. Het zal je gegeven worden in
dat uur wat je moet zeggen. |
|
20 |
|
Want niet jij bent degene
die spreekt, maar de adem van je Vader spreekt door jou. |
|
21 |
|
Want broer zal broer
overleveren tot de dood, en vader zal kinderen tegenstaan, en kinderen
ouders tegenstaan en zij zullen hun dood veroorzaken. |
|
22 |
|
En je zult door allen worden
gehaat om mijn naam, maar degene die volhardt tot het einde zal worden
gered. |
|
23 |
|
Wanneer men je vervolgt in
deze stad, vlucht naar de andere. Amen, want ik zeg dat je niet alle steden
van het huis van Israël zult volmaken totdat de Mensenzoon zal komen. |
|
24 |
|
Er is geen leerling die
groter is dan zijn meester of een knecht groter dan zijn heer. |
|
25 |
|
Het is de leerling voldoende
te zijn als zijn leraar, en de knecht als zijn heer. Als zij de huiseigenaar
Beëlzebub noemen, hoeveel meer zijn de zonen van het huis dan? |
|
26 |
|
Dus wees niet bang voor hen,
want niets is verborgen dat niet zal worden geopenbaard, en [niets] is
verborgen, dat niet bekend zal worden. |
|
27 |
|
Wat ik je zeg in de
duisternis, zeg dat in het licht. En dat wat je in het oor hoort
[fluisteren], predik [dat] van de daken. |
|
28 |
|
En wees niet bang voor wie
het lichaam doden, maar de
levensadem niet kunnen doden. Wees eerder bang voor Hem die lichaam én
de levensadem vernietigt op [de] vurige vuilnisbelt. |
|
29 |
|
Worden niet twee mussen
verkocht voor een
klein bedrag? En niet één van hen zal op de grond vallen [zonder
medeweten] van je Vader. |
|
30 |
|
Want zelfs al je hoofdharen
zijn geteld. |
|
31 |
|
Vrees daarom niet, want je
bent meer waard dan vele mussen. |
|
32 |
|
Een ieder die mij belijdt
tegenover mensen, zal ik belijden tegenover mijn vader in de hemel. |
|
33 |
|
Maar wie mij ontkent
tegenover mensen, zal ook ik ontkennen tegenover mijn vader in de hemel. |
|
34 |
|
Denk niet dat ik ben gekomen
om vrede te brengen op de aarde. Niet om vrede maar een zwaard te brengen,
kwam ik. |
|
35 |
|
Ik kwam om [de] mens te
verdelen tegen zijn vader, en dochter tegen haar moeder, en dochter tegen
haar schoonmoeder. |
|
36 |
|
Vijanden van de mens [zullen] zijn huisgenoten [zijn]. |
|
37 |
|
Wie zijn vader over moeder
meer liefheeft dan mij, is mij niet waardig, en wie zijn zoon of dochter
meer liefheeft dan mij, is mij niet waardig. |
|
38 |
|
En wie niet zijn martelpaal
opneemt, en mij volgt, is mij niet waardig. |
|
39 |
|
Wie zijn leven vindt, zal
haar verliezen. En wie zijn leven verliest om mijn naam, zal haar vinden. |
|
40 |
|
Wie jou ontvangt, ontvangt
mij en wie mij ontvangt, ontvangt [ook] degene die mij uitzendt. |
|
41 |
|
Degene die een profeet
ontvangt in naam van een profeet, zal een profetenbeloning ontvangen, en wie
een rechtvaardige ontvangt in naam van een rechtvaardige zal een
rechtvaardigenbeloning ontvangen. |
|
42 |
|
En wie ooit een beker koel
water te drinken zou geven aan een van deze kleinen in naam van een
leerling, amen, zeg ik je, hij zal zijn beloning niet missen." |
|
Hoofdstuk 11 |
|
1 |
|
En het gebeurde dat toen
Jezus zijn instructies aan zijn twaalf leerlingen voleindigde, hij vandaar
vertrok om te onderwijzen en te prediken in hun steden. |
|
2 |
|
Johannes nu, hoorde in de
gevangenis over de daden van de Gezalfde en zond zijn leerlingen, |
|
3 |
|
en vroeg hem: "Bent u de
degene die zal komen of verwachten we iemand anders?" |
|
4 |
|
En Jezus antwoordde en zei
hun: "Ga, bericht Johannes wat jullie hebben gehoord en gezien. |
|
5 |
|
Blinden zien, verlamden
wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen doden staan op en de armen
wordt hoop gegeven, |
|
6 |
|
en gezegend is wie niet
struikelt door mij." |
|
7 |
|
Toen zij weggingen, begon
Jezus de menigten te spreken over Johannes: "Wat deed jullie uitgaan naar de
wildernis? Om te staren naar een wuivend riet in de wind? |
|
8 |
|
Zoniet, wat deed jullie
uitgaan om te zien? Een man die zachte kleding droeg? Zie, degenen die
zachte dingen dragen zijn
onder de koningen! |
|
9 |
|
Zoniet, wat deed jullie
uitgaan om te zien? Een profeet! Ja zeg ik jullie; en meer dan een profeet. |
|
10 |
|
Want deze is over wie is
geschreven:
'Zie,
ik zend mijn boodschapper voor jou uit, zodat hij de weg vóór jou zal
voorbereiden.' |
|
11 |
|
Amen, zeg ik jullie; niet
vóórdat uit vrouwen werd geboren is er iemand groter dan Johannes de Doper
maar de kleinste in het hemelkoninkrijk is groter dan hij. |
|
12 |
|
Van de dagen vanaf Johannes
de Doper tot heden, wordt het koningschap van de hemel gezocht en wie haar
zoeken
grijpen haar vast. |
|
13 |
|
Want allen, de Profeten en
de Thora hebben voorzegd
over Johannes. |
|
14 |
|
En als je het wilt
accepteren dat dit Elia is die moest komen. |
|
15 |
|
Wie oren heeft, laat die
luisteren! |
|
16 |
|
Met wie zal ik deze
generatie vergelijken? Zij is zoals kleine kinderen op de markt, die roepen
naar andere [kinderen]: |
|
17 |
|
'We spelen fluit voor
jullie, maar jullie dansen niet; we jammeren, maar jullie slaan je niet in
verdriet.' |
|
18 |
|
Het werd bekend dat Johannes
net zomin eet als drinkt, toch zegt men: 'Hij heeft een demon.' |
|
19 |
|
Het werd bekend dat de
Mensenzoon zowel eet als drinkt, en men zegt: 'Zie, een mens, veelvraat en
wijnverslaafde, vriend met belastinginners en zondaars.' Maar de wijsheid
wordt gerechtvaardigd door haar
daden." |
|
20 |
|
Toen begon Jezus de steden
te verwijten in welke de meeste van zijn krachtige werken bekend werden, dat
zij geen berouw toonden. |
|
21 |
|
"Wee Chorazin! Wee
Bethsaïda! Want als in Tyrus en Sidon de werken bekend werden die in jou
bekend werden, zouden zij lang geleden in zak en as berouw hebben getoond. |
|
22 |
|
Daarbij zeg ik je dat het
voor Tyrus en Sidon dragelijker zal zijn op de oordeelsdag, dan voor jou. |
|
23 |
|
En jij Capernaüm dat tot de
hemel is gestegen. Tot het
dodenrijk zul je neergehaald worden, want als de wonderen werden
gedaan in Sodom welke in jou werden gedaan, zou ze tot vandaag bestaan. |
|
24 |
|
Daarom zeg ik je: Het zal
voor Sodom dragelijker zijn op de oordeelsdag, dan voor jou." |
|
25 |
|
Op dat moment, vervolgde
Jezus en zei: "Ik dank u Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat u deze
dingen hebt verborgen voor de wijzen en de intellectuelen, maar ze hebt
geopenbaard aan de kinderen. |
|
26 |
|
Ja Vader, zo is het u
aangenaam is gebleken. |
|
27 |
|
Alles is aan mij overgegeven
door mijn Vader, en niemand
kent de Zoon beter dan de Vader, noch kent iemand de Vader beter dan de
Zoon en een ieder aan wie de Zoon hem wil openbaren. |
|
28 |
|
Kom tot mij, allen die
zwoegen en zwaar beladen zijn, en ik zal jullie rust geven. |
|
29 |
|
Neem mijn juk op je, en leer
van mij dat ik nederig van hart ben, en je zult
innerlijke rust vinden, |
|
30 |
|
want mijn juk [draagt]
prettig en mijn vracht is licht." |
|
Hoofdstuk 12 |
|
1 |
|
In die tijd wandelde Jezus
op de Sabbat in de korenvelden. Zijn leerlingen nu werden hongerig, en
begonnen aren te plukken en te eten. |
|
2 |
|
Zodra de Farizeeën dit
zagen, zeiden zij hem: "Zie eens hoe uw leerlingen doen wat onwettig is te
doen op de Sabbat!" |
|
3 |
|
Hij zei hun dan: "Hebt u
niet gelezen, wat David deed toen hij en wie met hem zijn, honger hadden, |
|
4 |
|
hoe hij het huis van God
binnenging, en hij de broden van het altaar van Jah at, wat voor hem en
evenmin voor de zijnen niet wettelijk was te eten behalve voor de priesters? |
|
5 |
|
Of hebt u niet gelezen in de
Thora dat de priesters die in de tempel de Sabbat schenden onschuldig zijn? |
|
6 |
|
Maar ik zeg u dat iets
groter dan de tempel hier is. |
|
7 |
|
Als u geweten had wat
betekent: 'Weldaad wil ik, en geen offer', dan had u de onschuldigen
nooit veroordeeld, |
|
8 |
|
want de Heer van de Sabbat,
is de Mensenzoon." |
|
9 |
|
En nadat hij vandaar weg was
gegaan, kwam hij op hun
vergadering. |
|
10 |
|
En daar was een zekere man
die een verdorde hand had. En bleven hem vragen en zeiden: "Is het wettelijk
op de Sabbat te genezen?" (zodat zij hem konden beschuldigen). |
|
11 |
|
Daarop zij hij hun: "Is er
iemand onder u die een
schaap heeft; en als het in put valt op de Sabbat het niet zou grijpen
en eruit tillen?" |
|
12 |
|
Hoeveel dan is een mens meer
waard een schaap? Daarom is het wettelijk op de Sabbat goed te doen." |
|
13 |
|
Toen zei hij tot de man:
"Strek uw hand uit!" En hij strekte zijn hand uit en het werd hersteld,
zoals als de andere [hand]. |
|
14 |
|
En de Farizeeën gingen weg
om te overleggen hoe zij hem konden opruimen. |
|
15 |
|
Maar Jezus kwam het te weten
en trok zich vandaar terug. En vele menigten volgden hem en hij genas hen
allen. |
|
16 |
|
En hij droeg hen op dat zij
hem niet openbaar zouden maken, |
|
17 |
|
zodat vervuld mocht worden
wat was gesproken door de profeet Jesaja die zei: |
|
18 |
|
"Zie! Mijn knecht in wie ik
behagen heb,
mijn geliefde in wie mijn persoon vreugde heeft gevonden.
Ik zal mijn kracht in hem leggen,
rechtvaardigheid tot de natiën zal hij prediken, |
|
19 |
|
Hij zal niet discussiëren of
schreeuwen,
niemand zal zijn stem in de straat horen. |
|
20 |
|
Een geknakt riet zal hij
niet breken,
een smeulende pit niet smoren,
tot hij het recht in overwinning uitzendt. |
|
21 |
|
en de natiën stellen hun hoop op hem." |
|
22 |
|
Toen werd een bezeten
doofstomme blinde bij hem gebracht en hij genas hem zodat de doofstomme
begon te spreken, en te zien. |
|
23 |
|
En de hele menigte was zeer
verbaasd en zei: "Is dit niet de Zoon van David?" |
|
24 |
|
Maar de Farizeeën hoorden
het en zeiden: "Niet deze [man] werpt demonen uit maar Beëlzebub, het hoofd
van de demonen." |
|
25 |
|
Maar Jezus kende hun
gedachten, en zei hun: "Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf is verdeeld, zal
worden vernietigd. Elk huisgezin en elke stad die verdeeld is tegen zichzelf
zal niet stand houden. |
|
26 |
|
En als
Tegenstander Tegenstander uitwerpt is hij verdeeld tegen zichzelf! Hoe
zal zijn koninkrijk dan standhouden? |
|
27 |
|
En als ik door Beëlzebub
demonen uitwerp, door wie werpen uw zonen dan uit? Daarom zullen zij
rechters over u zijn. |
|
28 |
|
Maar als ik demonen door de
adem van God uitwerp, is het koninkrijk van God tot u gekomen! |
|
29 |
|
Of kan iemand het huis van
een sterke man binnendringen, en zijn huisraad plunderen, behalve als hij
eerst de sterke man zou binden? Daarna zal hij het huis plunderen. |
|
30 |
|
Wie niet met mij is, is
tegen mij, en wie niet met mij vergadert, verdeelt. |
|
31 |
|
Daarom zeg ik u dat alle
zonden en blasfemie de mensen vergeven zal worden. Maar blasfemie tegen de
adem [van God] zal de mensen niet worden vergeven. |
|
32 |
|
En wie ooit een woord tegen
de Mensenzoon mocht spreken, het zal hem worden vergeven. Maar wie een woord
tegen de heilige adem mocht spreken, het zal hem niet worden vergeven, niet
in dit tijdperk of in het komende tijdperk. |
|
33 |
|
Ofwel produceert de boom en
zijn vruchten goed, of produceert de boom en zijn vruchten slecht. Aan de
vruchten wordt de boom herkend. |
|
34 |
|
Addernesten, hoe kunt u
goede dingen spreken, terwijl u slecht bent? Want waar het hart van
overloopt, daarmee spreekt de mond. |
|
35 |
|
De goede mens brengt uit
zijn goede schat goede dingen voort, maar de goddeloze mens brengt uit zijn
goddeloze schat goddeloze dingen voort. |
|
36 |
|
Maar ik zeg u dat voor
iedere loze verklaring die mensen zullen doen, zij verantwoording moeten
afleggen op de dag van oordeel. |
|
37 |
|
Want wegens uw verklaringen
zult u worden vrijgesproken, en wegens uw verklaringen zult u worden
veroordeeld." |
|
38 |
|
Toen antwoordden hem enkele
Schriftgeleerden en Farizeeën, en zeiden: "Leraar! Wij willen een teken van
u te zien." |
|
39 |
|
Maar hij antwoordde en zei
hun: "Een goddeloze en overspelige generatie blijft een teken zoeken. Een
teken zal haar niet gegeven worden, behalve het teken van Jona, de profeet. |
|
40 |
|
Want zoals
Jona drie dagen en drie nachten in de buik van reusachtige vis was,
zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het aardse hart zijn. |
|
41 |
|
Mannen van Ninevé zullen
opstaan met deze generatie in het oordeel en zij zullen haar veroordelen,
want zij toonden berouw op de prediking van Jona, en zie! meer dan Jona is
hier. |
|
42 |
|
De koningin van het Zuiden
zal met deze generatie in het oordeel opstaan en [zij] zal haar veroordelen,
want ze kwam van de einden van de aarde om de wijsheid van Salomo te horen,
en zie! Meer dan Salomo is hier! |
|
43 |
|
Wanneer een onreine geest
uit de mens gaat, zwalkt hij door waterloze plaatsen om rust te zoeken, maar
vindt het niet. |
|
44 |
|
Dan zegt hij: 'Ik zal
terugkeren naar mijn huis, vanwaar ik kwam' en zodra hij komt, vindt hij het
leeg, schoongemaakt en orderlijk. |
|
45 |
|
Dan gaat hij en neemt nog
zeven andere geesten, slechter dan hijzelf en zij gaan daar wonen, en het
wordt uiteindelijk erger dan eerst. Zo zal het ook zijn met deze goddeloze
generatie." |
|
46 |
|
Terwijl hij bleef spreken
tot de menigten, zie! Zijn moeder en zijn broers, stonden buiten en zochten
hem te spreken. |
|
47 |
|
Toen zei iemand hem: "Zie!
uw moeder en uw broers staan buiten en zoeken u te spreken" |
|
48 |
|
Maar Jezus antwoordde en zei
tot diegene die hem aansprak: "Wie is mijn moeder en wie zijn mijn broers?" |
|
49 |
|
En hij strekte zijn hand uit
naar zijn leerlingen en zei: "Zie! Mijn moeder en mijn broers! |
|
50 |
|
Want wie de wil van mijn
Vader in de hemel doet zijn mijn broers, mijn zusters en mijn moeder." |
|
Hoofdstuk 13 |
|
1 |
|
Op die dag ging Jezus buiten
huis en zat aan de kust. |
|
2 |
|
En grote menigten
verzamelden zich rond hem dus stapte hij in een boot om te zitten en de hele
menigte stond aan de kust. |
|
3 |
|
En hij sprak tot hen in
gelijkenissen en zei: "Zie, een zaaier ging naar buiten om te zaaien. |
|
4 |
|
Terwijl hij zaaide viel er
wat langs de weg. De vogels kwamen en aten het. |
|
5 |
|
Het andere viel op grind,
waar niet veel aarde was, en onmiddellijk schoot het op, omdat er niet
voldoende aarde was. |
|
6 |
|
Toen de zon opkwam, werd het
heet en omdat het niet voldoende wortel had verdorde het. |
|
7 |
|
En iets viel op een doornige
plaats. De dorens kwamen op en verstikten het. |
|
8 |
|
Het andere viel op goede
grond, droeg vrucht. Een deel honderd-, een deel zestig- of dertigvoud. |
|
9 |
|
Wie oren heeft om te
luisteren, luister!" |
|
10 |
|
En de leerlingen kwamen hem
en zeiden hem: "Waarom spreekt u tot hen in gelijkenissen?" |
|
11 |
|
Hij antwoordde daarop en zei
hun: "Aan jullie is gegeven het mysterie van het hemelkoningschap te kennen,
maar niet aan hen. |
|
12 |
|
Want hem die heeft, zal
gegeven worden en het zal toenemen. Maar van hem die niets heeft zal zelfs
wat hij heeft afgenomen worden. |
|
13 |
|
Daarom spreek ik in
gelijkenissen tot hen, want 'Zij zien en zien toch niet. Zij horen en
toch horen zij noch begrijpen zij.' |
|
14 |
|
En in hen wordt de profetie
van Jesaja vervuld die zei:
'Door te horen zult u horen maar het niet begrijpen,
en door te kijken, zult u kijken maar niet zien. |
|
15 |
|
Daarom is het hart van dit
volk
verhard geworden,
en hun oren zijn doof geworden
hun ogen toegesloten,
zodat zij niet:
zien met hun ogen,
horen met hun oren,
begrijpen met hun hart,
terugkeren en ik hen genees.' |
|
16 |
|
Maar gezegend zijn jullie
ogen die zien en jullie oren die horen. |
|
17 |
|
Amen, want ik zeg jullie dat
vele profeten en rechtvaardigen verlangden te zien wat jullie zien, maar zij
hebben niet gezien; te horen wat jullie horen, maar zij hebben niet gehoord. |
|
18 |
|
Hoor dan de gelijkenis van
de zaaier: |
|
19 |
|
Tot iedereen die het woord
van het koninkrijk hoort maar niet begrijpt, komt de goddeloze die rooft wat
in zijn hart is gezaaid. Dat is wat langs de weg is gezaaid. |
|
20 |
|
Maar wat op grind is
gezaaid, is diegene die het woord hoort en het onmiddellijk met plezier
aanvaardt, |
|
21 |
|
maar hij heeft geen wortel
in zich maar voor eventjes. Wanneer zorg of vervolging komt om het woord is
hij snel gestruikeld. |
|
22 |
|
Maar wat tussen dorens is
gezaaid is degene die het woord hoort maar door de zorgen van de wereld en
de bedriegelijkheid van rijkdom verstikt het woord, en wordt het
onvruchtbaar. |
|
23 |
|
Maar wat op de goede aarde
was gezaaid is degene die mijn woord hoort, begrijpt, vrucht opbrengt en
draagt, soms honderd-, of zestig- of anders dertigvoud." |
|
24 |
|
Een andere gelijkenis sprak
hij tot hen en zei: "Het hemelkoninkrijk lijkt op een mens die goed zaad op
zijn akker had gezaaid. |
|
25 |
|
Toen de mensen sliepen, kwam
zijn vijand en zaaide
dolik tussen het koren en ging weg. |
|
26 |
|
Maar toen de halmen opkwamen
en vrucht zetten, verscheen ook de dolik. |
|
27 |
|
Daarna kwamen de knechten
van de heer van het huis hem zeggen: 'Heer! Hebt u niet goed zaad gezaaid op
uw akker? Vanwaar heeft zij dolik?' |
|
28 |
|
Hij zei hen dan: 'Dat heeft
een vijand, een mens gedaan.' De knechten zeiden hem: 'Wilt u dan wij gaan
om ze weg te plukken?' |
|
29 |
|
Maar hij zei hun: 'Nee,
anders zouden jullie bij het wegplukken van de dolik, ook het graan
ontwortelen. |
|
30 |
|
Laat beide samen opgroeien
tot de oogst en in de oogsttijd zal ik zeggen tot de oogsters: pluk eerst de
dolik uit en bind het in bossen om het te verbranden, maar verzamel het
koren in mijn schuur!'" |
|
31 |
|
Een andere gelijkenis
vertelde hij hen en zei: "Het hemelkoninkrijk lijkt op een mosterdzaadje dat
iemand nam, en zaaide op zijn akker. |
|
32 |
|
Het is
kleiner dan alle zaadjes maar als het groeit is het groter dan alle
planten en wordt het een boom, dus komen de vogels uit de hemel in zijn
takken nestelen." |
|
33 |
|
Hij vertelde hen nog een
gelijkenis. "Het hemelkoninkrijk is als zuurdesem dat een vrouw nam en in
drie maten meel deed totdat dit geheel was gezuurd." |
|
34 |
|
Dit alles sprak Jezus in
gelijkenissen tot de menigten en hij zei niets zonder gelijkenissen tot hen, |
|
35 |
|
zodat vervuld zou worden wat
gesproken was door de profeet die zei: "Ik
zal mijn mond openen met gelijkenissen. Ik zal geheimen verkondigen van
vóór de fundering van de wereld." |
|
36 |
|
Toen verliet hij de menigten
en kwam thuis. Zijn leerlingen kwamen bij hem en zeiden: "Maak ons de
gelijkenis van de dolik op de akker duidelijk." |
|
37 |
|
Hij antwoordde en zei:
"Degene die goed zaad zaait is de Mensenzoon, |
|
38 |
|
De akker is de wereld, het
goede zaad omvat de kinderen van het koninkrijk. De dolik, omvat de kinderen
van de goddeloze. |
|
39 |
|
De vijand die ze gezaaid
heeft, is de Tegenstander. De oogst is de eindtijd en de oogsters zijn de
boodschappers. |
|
40 |
|
Zoals de dolik geplukt en
met vuur verbrand wordt, zo zal het gaan in de eindtijd. |
|
41 |
|
De Mensenzoon zal zijn
boodschappers uitzenden en zij zullen uit zijn koninkrijk, alle schandalen
en werkers van onrecht plukken, |
|
42 |
|
en zij zullen hen in de
vurige oven werpen. Daar zal huilen en tandenknarsen zijn. |
|
43 |
|
Dan zullen de rechtvaardigen
stralen als de zon in het koninkrijk van hun Vader. Wie oren heeft om te
horen, luister! |
|
44 |
|
Opnieuw lijkt het
hemelkoninkrijk op een verborgen schat in het veld, dat een mens ontdekte en
het verborg, en in vreugde weggaat en alles verkoopt wat hij heeft en dat
veld koopt. |
|
45 |
|
Weer lijkt het
hemelkoninkrijk op een man, een koopman, die goede parels zocht. |
|
46 |
|
Toen hij één zeldzame
kostbaar uitziende parel had gevonden, ging hij heen en verkocht al wat hij
had en kocht die. |
|
47 |
|
Opnieuw lijkt het
hemelkoninkrijk op een net, dat in de zee wordt geworpen en allerlei soorten
[vis] verzamelt. |
|
48 |
|
Zodra het vol was trok men
het op en sleepte het naar de kust en ging zitten om ze te sorteren. Het
goede deed men in zakken maar het slechte wierp men weg. |
|
49 |
|
Zo zal het zijn in de
eindtijd. De boodschappers zullen uitgaan om het slechte af te scheiden van
de rechtvaardigen. |
|
50 |
|
En zij zullen hen in de
vuuroven werpen. Daar zal huilen en tandenknarsen zijn. |
|
51 |
|
Jezus zei hun: "Begrijpen
jullie al deze dingen?" Ze zeiden hem: "Ja heer." |
|
52 |
|
Toen zei hij hun: "Daarom
lijkt iedere student die in het hemelkoninkrijk is onderwezen, op een
huiseigenaar die oude en nieuwe schatten tevoorschijn tovert." |
|
53 |
|
Toen Jezus deze
gelijkenissen voltooide, vertrok hij vandaar, |
|
54 |
|
en kwam hij in zijn eigen
stad en onderwees hen op hun vergadering, zodat zij versteld stonden. En zij
zeiden: "Waar heeft hij die wijsheid en die krachten vandaan? |
|
55 |
|
Is dit niet de zoon van de
timmerman en heet zijn moeder niet Maria en zijn broers Jakobus, Jozef,
Simon en Judas, |
|
56 |
|
en zijn zusters, zie! Zijn
zij niet allen bij ons? Waar heeft hij dan al deze dingen vandaan?" |
|
57 |
|
En zij
namen aanstoot aan hem. Maar Jezus zei hun: "Geen profeet wordt
geminacht behalve in zijn eigen stad en thuis." |
|
58 |
|
En hij deed daar niet veel
wonderen vanwege hun wantrouwen. |
|
Hoofdstuk 14 |
|
1 |
|
In die tijd nu hoorde de
districtsregeerder Herodes, het nieuws over Jezus. |
|
2 |
|
En hij zei tot zijn
dienaren: "Dat is Johannes de Doper. Hij is uit uit de doden opgestaan en
daarom werken die wonderen door hem." |
|
3 |
|
Want Herodes, had Johannes
geboeid en in de gevangenis gezet vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer
Filippus. |
|
4 |
|
Want Johannes had hem
gezegd: "Het is niet toegestaan dat zij uw vrouw is." |
|
5 |
|
Hoewel hij hem wilde doden
was hij bang voor de menigte, omdat zij hem erkenden als een profeet. |
|
6 |
|
Maar op de verjaardag van
Herodes danste de dochter van Herodias in hun midden en zij behaagde
Herodes. |
|
7 |
|
Daarom zwoer hij haar met
een eed te geven wat zij ook zou vragen. |
|
8 |
|
Op advies van haar moeder
zei ze: "Geef hier op een schotel het hoofd van Johannes de Doper!" |
|
9 |
|
En dit maakt de koning
treurig, maar vanwege de eed en de gasten gaf hij bevel dat het haar gegeven
zou worden, |
|
10 |
|
en stuurde [iemand] om
Johannes in de gevangenis te onthoofden. |
|
11 |
|
Zijn hoofd werd gebracht op
een schotel en gegeven aan het meisje, en zij bracht het aan haar moeder. |
|
12 |
|
Daarop kwamen zijn
leerlingen zijn lijk ophalen en begroeven hem en zij berichtten het aan
Jezus. |
|
13 |
|
Toen Jezus het hoorde
vertrok hij vandaar met een schip naar eenzame wildernis. Maar de menigten
hoorden dit en zij volgden hem langs de kust vanuit de steden. |
|
14 |
|
Zodra Jezus uitstapte zag
hij een grote menigte en voelde medelijden met hen en genas hun zieken. |
|
15 |
|
Toen het avond werd kwamen
zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: "Deze plaats is verlaten en de tijd
is voorbijgevlogen, stuur de menigte mensen dan weg, zodat zij naar de
dorpen kunnen gaan om zich wat voedsel te kopen." |
|
16 |
|
Maar Jezus zei hun: "Zij
hoeven niet weg te gaan, geven jullie hun te eten." |
|
17 |
|
Zij zeiden dan hem: "Wij
hebben hier niets behalve vijf broden en twee vissen." |
|
18 |
|
Hij zei: "Breng ze hier bij
mij!" |
|
19 |
|
Vervolgens hij droeg de
menigte op om op de grond aan te liggen en hij nam die vijf broden en twee
vissen, keek in de hemel, zegende ze en brak ze en gaf ze aan zijn
leerlingen en die leerlingen verspreidden [ze] onder de menigten. |
|
20 |
|
En zij allen aten en raakten
voldaan, en zij haalden het overschot van de brokken op, twaalf manden vol. |
|
21 |
|
Degenen die gegeten hadden
waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. |
|
22 |
|
En daarop stond hij erop dat
zijn leerlingen in de boot stapten en hem voorgingen naar de overkant
terwijl hij de menigten zou wegzenden. |
|
23 |
|
Toen hij de menigten had
weggezonden, ging hij de berg op, om in eenzaamheid te bidden toen het
donker werd. Hij was daar alleen. |
|
24 |
|
En de boot was al een flinke
afstand van het land verwijderd, terwijl zij vreselijk werd gebeukt door de
golven want er was tegenwind. |
|
25 |
|
Tegen het einde van de nacht
kwam hij lopend over het water naar hen toe. |
|
26 |
|
Toen zijn leerlingen hem op
water zagen lopen, werden zij bang en bleven zeggen: "Het is een slechte
verschijning!". En zij schreeuwden van angst. |
|
27 |
|
Maar Jezus sprak hen
onmiddellijk aan en zei: "Heb moed, ik ben het, wees niet bang!" |
|
28 |
|
Toen antwoordde Petrus en
zei hem: "Heer, als u het bent, beveel mij dan tot u over het water te
komen!" |
|
29 |
|
En hij zei hem: "Kom!" En
Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. |
|
30 |
|
Zodra hij zag dat de wind
sterk was werd hij bang, begon te zinken en verhief zijn stem en zei: "Heer,
red mij!" |
|
31 |
|
Onmiddellijk stak Jezus hem
de hand toe, greep hem en zei hem: "Wantrouwende, waarom ben je gaan
twijfelen?" |
|
32 |
|
Toen zij in de boot waren
gestapt ging de wind liggen. |
|
33 |
|
Degenen die in de boot
waren, eerden hem en zeiden: "Werkelijk, u bent de Zoon van God!" |
|
34 |
|
Toen zij overgestoken waren
kwam zij bij
Gennesareth aan land. |
|
35 |
|
En de mannen van die plaats
herkenden hem dus berichtten zij het alle omliggende steden en men bracht
hem allen die ziek waren. |
|
36 |
|
En zij smeekten hem dat zij
alleen maar de franje van zijn kleed mochten aanraken en allen die hem
aanraakten werden gezond. |
|
Hoofdstuk 15 |
|
1 |
|
Toen kwamen de Farizeeën en
Schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Jezus en vroegen: |
|
2 |
|
"Waarom overtreden uw
leerlingen de overlevering van de ouden? Want zij wassen hun handen niet
wanneer zij brood eten." |
|
3 |
|
Hij antwoordde en zei hun:
"Waarom overtreedt ook u zelfs het gebod van God, door uw
hervormingen? |
|
4 |
|
Want God heeft gezegd:
'Eer uw vader en uw moeder, en wie zijn vader of moeder vervloekt zal
sterven.' |
|
5 |
|
Maar u zegt: 'Wie ooit
tot zijn vader of moeder mocht zeggen: alles wat van mij is wat u tot nut
had kunnen zijn, is een
offergave, |
|
6 |
|
hoeft zijn vader of moeder
niet te eren.' Zo
hebt u het woord van God ongeldig gemaakt door uw overlevering. |
|
7 |
|
Hypocrieten! Terecht heeft
Jesaja over u voorzegd, toen hij zei: |
|
8 |
|
'Dit volk eert mij met [hun]
lippen, maar hun hart is ver van mij. |
|
9 |
|
Zij aanbidden mij tevergeefs
omdat zij leringen onderwijzen die mensengeboden zijn.' |
|
10 |
|
Toen hij de menigte bij zich
geroepen had zei hij hun: "Hoor en begrijp!" |
|
11 |
|
Niet wat de mond ingaat,
verontreinigt de mens, maar wat de mond uitgaat, verontreinigt de mens. |
|
12 |
|
Toen kwamen zijn leerlingen
en zeiden hem: "U weet dat toen de Farizeeën dit woord hoorden, zij er
aanstoot aan namen?" |
|
13 |
|
Hij antwoordde hun en zei:
"Elke plant die mijn hemelse vader niet heeft geplant zal worden
ontworteld." |
|
14 |
|
Laat hen gaan, zij zijn
blinden die blinden begeleiden. Als een blinde een blinde leidt, zullen zij
beiden in een put vallen. |
|
15 |
|
Toen antwoordde Petrus en
zei hem: "Heer, leg ons de gelijkenis uit!" |
|
16 |
|
Waarop hij zei: "Hebben ook
jullie geen begrip? |
|
17 |
|
Begrijp je niet dat alles
wat de mond ingaat, in de buik komt en in het riool verdwijnt? |
|
18 |
|
Maar wat de mond uitgaat,
komt uit het hart, en dat verontreinigt de mens. |
|
19 |
|
Want uit het hart komen de
goddeloze redenaties, moord, echtscheiding, diefstal, valse getuigenissen en
blasfemie voort. |
|
20 |
|
Dat zijn de
verontreinigingen. Maar de mens die met ongewassen handen eet, verontreinigt
zich niet." |
|
21 |
|
En Jezus ging vandaar weg en
trok zich terug naar de gebieden van Tyrus en Sidon. |
|
22 |
|
En zie! Een Kanaänitische
vrouw uit die omgeving kwam en zei huilend: "Betoon me weldaad, Heer, zoon
van David, mijn dochter wordt ernstig bezeten door een demon." |
|
23 |
|
Maar hij antwoordde haar
geen woord. Zijn leerlingen kwamen en vroegen hem en zeiden: "Zend haar weg,
want zij roept ons na!" |
|
24 |
|
Daarop antwoordde hij en
zei: "Ik ben alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël
gezonden." |
|
25 |
|
Maar zij kwam, eerde hem en
zei: "Heer, help mij!" |
|
26 |
|
Hij antwoordde daarop en
zei: "Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het voor de
hondjes te werpen." |
|
27 |
|
Maar zij zei: "Ja heer, toch
eten hondjes ook van de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen." |
|
28 |
|
Toen antwoordde Jezus en zei
tot haar: "O vrouw, groot is uw vertrouwen, laat het worden zoals u wenst!"
Van dat uur af was haar dochter genezen. |
|
29 |
|
Toen hij vandaar wegging,
kwam Jezus aan de kust van Zee van Galilea en ging de berg op om daar te
zitten. |
|
30 |
|
Toen kwamen vele menigten
bij hem die vele verlamden, blinden, kreupelen, stommen en anderen bij zich
hadden. Zij legden ze aan zijn voeten en hij genas hen, |
|
31 |
|
zodat de menigte zich
verwonderde, want zij zagen stommen spreken, kreupelen gezond, verlamden
lopen en blinden zien, en zij prezen de God van Israël. |
|
32 |
|
Daarop riep Jezus zijn
leerlingen bij zich en zei: "Ik heb medelijden met de menigte want zij zijn
al drie dagen bij mij gebleven en zij hebben mogelijk niets te eten, en ik
wil hen niet zonder voedsel wegzenden, ze mochten eens onderweg bezwijken!" |
|
33 |
|
Maar zijn leerlingen zeiden
hem: "Hoe komen wij in de wildernis aan zoveel broden zodat wij een
dergelijke menigte kunnen verzadigen?" |
|
34 |
|
En Jezus zei hun: "Hoeveel
broden hebben jullie?" Zij zeiden: "Zeven, en wat visjes." |
|
35 |
|
Daarna gaf Jezus de menigte
opdracht om op de grond te gaan zitten. |
|
36 |
|
Hij nam de zeven broden en
de vissen, dankte, en brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen en de leerlingen
gaven ze aan de menigten. |
|
37 |
|
En zij aten allen en raakten
verzadigd, en het overschot van de brokken haalden zij op, zeven manden vol. |
|
38 |
|
Zij dan die aten waren
vierduizend mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. |
|
39 |
|
En nadat hij de menigte had
weggezonden stapte hij in een boot en vertrok naar de omgeving van Magadan. |
|
Hoofdstuk 16 |
|
1 |
|
En de Farizeeën en de
Sadduceeën kwamen om hem te testen. Zij vroegen hem een teken uit de hemel
te tonen. |
|
2 |
|
Maar hij antwoordde en zei
hun: "Wanneer het avond wordt zegt u: 'Het wordt rustig [weer] gezien de
rode lucht', |
|
3 |
|
En in de morgen:
'Stormachtig vandaag, want de rode lucht is somber!' Hypocrieten, u kunt de
lucht observeren, maar de tekenen
van deze tijd onderscheidt u niet! |
|
4 |
|
Een goddeloze en overspelige
generatie vraagt om een teken, maar het zal er geen ontvangen dan het teken
van de profeet Jona." Daarop ging hij van hen weg. |
|
5 |
|
Toen zijn leerlingen naar de
overkant gingen, hadden zij vergeten brood mee te nemen. |
|
6 |
|